Opa vertelt Louis over de vestingwerken van Maastricht
|
||
|
‘Opa,’ sprak Louis, ‘bijna alles uitgelegd over de vestingwerken van Maastricht, maar dat stuk naast de Noorderbrug werd destijds wel snel langs gereden, daar was toch ook iets van verdedigingswerken, de Lage of Bossche Fronten of zoiets?’ Opa liet de krant zakken en zijn gezicht keek nog bedenkelijker als toen hij de krant las. ‘Alles, alles’ vroeg Opa zich hardop af. ‘Ik heb je een beetje erover verteld wat ik zo ongeveer weet.’ ‘En Opa weet niets over die lage Fronten te vertellen,’ wilde Louis wel weten. Opa stamelde een beetje. Dat deed hij wel vaker als hij ergens onderuit wilde komen. ‘Het zit zo, bijna niemand weet er iets van, bijna niemand komt er ook, alleen van die ongure types.’ ‘Ongure types zijn toch ook mensen die je goedendag kunt wensen.’ ‘Ja, dat is wel zo,’ antwoordde Opa, ‘maar…’ ‘Mooi, kunnen we nu dan gaan?’ Opa bedacht zich even en genoot van het kinderlijke enthousiasme van zijn kleinzoon.’Vooruit dan maar.’ Opa nam de sleutels van zijn auto mee en gaf Oma voor zijn doen een dikke zoen. ‘Wees je voorzichtig’ riep Oma na. ‘Dat klinkt wel ernstig’ zei Louise toen hij in de auto zat. ‘Het valt wel mee’ probeerde Opa zichzelf moed in te praten. ‘Het is zo’n stukje onbekend dat er bijna niemand komt, alleen mensen die graag alleen zijn.’Louis vond het maar overdreven, al was hij er zelf nog nooit geweest. Ze stonden voor hetzelfde verkeerslicht als de vorige keer. Het werd groen en Opa reed de Cabergerweg op waar hij een stukje verder als het tankstation rechts de Lage Frontenweg in ging om daar de auto te parkeren. Beiden stapten uit en Opa sloot de wagen af. ‘Kom maar even mee terug.’ Ze stonden langs de Cabergerweg en keken naar de overkant. ‘Kijk, die bouwwerken aan de rechterkant zijn de Hoge Fronten, de Linie van Dumoulin. Het lage deel is het begin van de Lage Fronten en dat noemen we tegenwoordig de Bossche Fronten, naar de Boschpoort die hierbij in de buurt heeft gestaan.’ ‘Voor dat lage deel had je in tijd van oorlogsdreiging hier water staan. In dat lage deel is ook een schietgalerij. Iets meer naar links,’ ze liepen ook die richting op, ‘heb je Bastion A.’ Een pleintje waar nu auto’s stonden geparkeerd. ‘Die ruimte achteraan is een kazemat van dat Bastion. Nadat Maastricht geen vesting meer was heeft dat diverse bestemmingen gehad. Ooit is het een commandocentrum geweest van de BB waar in tijd van dreiging de stad bestuurd kon worden. Apparatuur en meubels zijn weg gehaald, maar verder is het er nog hoe het toen was. Ook is het vele jaren een opslagplaats geweest en dat is het feitelijk nu nog. Aan een kant van het gebouw zit momenteel een vereniging die zo nu en dan een kanon laat knallen.’ ‘Cool’ riep Louis uit. ‘Het zijn maar losse flodders hoor was’ Opa’s reactie. ‘Kom maar mee terug, dan gaan we de stilte in’ vervolgde
Opa. Ze liepen over de stoep terug, de Lage Fronten weg in waar ze rechts een
smal pad tussen struiken in gingen. Alsof aan de volumeknop van de radio werd
gedraaid, het werd een stuk stiller. Het pad liep naar beneden. Beneden zag
het er een beetje verloederd uit. Wilde struiken en rommel. Links was een
gebouw en aan de voorkant een binnenmeertje. ‘Ik kan me voorstellen,’ zei
Louis, ‘dat vijand ‘Is dat gebouwtje een stukje vestingwerk,’ wilde Louis weten. ‘Ja, dat klopt, Ravelijn a met de ‘a’ als kleine letter geschreven. Hoofdletters zijn bestemd voor de bastions en de tussengelegen werken krijgen een klein lettertje.’ ‘Het ziet er best wel machtig zonder het idee te hebben van een bunker’ vond Louis. ‘Nou, helemaal origineel ziet het niet meer uit Louis. Die onderste verdieping is uitgegraven toen dit het depotoire werd van de stad.’’Zo’n mooi woord moet vast wel iets moois zijn geweest’ zei Louis. ‘Vast en zeker,’ zei Opa weer met een ondeugende lach op zijn gezicht. ‘De strontput van de stad. Met karren werd de stront in de stad opgehaald, riolering was er toen nog niet, en hier naar toe gebracht. En dan noemen ze dit het depotoire’ sprak hij met een beschaafde stem. ‘Bah’ zei Louis tussendoor, ‘dan zou ik het meteen willen afbreken.’ ‘Was in 1953 ook bijna gebeurd als er op dat moment geen pachter was gevonden. Maar in de tussentijd heeft er ook een tijdje de beheerder gewoond van de vuilnisbelt die hier achter heeft gelegen.’ ‘Gadver’ hoorde je een kinderstem zeggen. ‘Dit gebouwtje is 30 bij 16 meter en was destijds verdeeld in 2 verdiepingen die elk uit 4 ruimtes bestonden. Het dak begon al vrij snel na de bouw te lekken, maar het ravelijn dat hier naast heeft gelegen, Ravelijn b dus, hebben ze iets anders bedacht en was wel bestand tegen vocht. Toen dit in 1901 het depotoire werd is de grondverdieping met gewelven tot aan de fundamenten verwijderd. Toen het werd verbouwd tot woonhuis is het iets verhoogd en is er een pannendak op gekomen. Het is ook een tijdje de gemeentelijke overwinterplaats voor bloemen en planten geweest. Zullen we maar verder gaan?’ ‘Is goed sprak’ Louis. Ze liepen rechts om het water heen. Achter de hoge
struiken zag je de hoge muren van de vesting en dat was indrukwekkend. Het pad
draaide naar links en bij de tweede bocht naar links bleef Opa even staan. ‘Kijk Louis, die lange hoge muur is de verbinding tussen Bastion A en Bastion B die hier begint. Courtine noemen ze dat in vestingtaal. Aan de overkant van het water heb je Ravelijn a, dat gebouwtje waar we net bij stonden. Op het eerste gezicht is het moeilijk voor te stellen, maar als je goed kijkt zie je aan de overkant sporen waar vroeger ook water was. Ravelijn a stond op een driehoekig eilandje met de punt naar achteren, richting vijand. Het eilandje had niet één gracht er om heen maar twee.’ ‘Maar hoe kwamen ze dan in op die ravelijn’ vroeg Louis. ‘Nou, hierboven deze muur van Bastion A naar B,’ ‘courtine A-B riep’ Louis wijsjes tussendoor, ‘was een beweegbare brug zodat ze vanuit de stad zo naar dat eilandje konden gaan.’ Louis probeerde zich een voorstelling te maken hoe dat vroeger geweest moest zijn. Opa vertelde door. ‘Waar we net zijn vetrokken is Bastion A, waar we hier voor staan is Bastion B. Zo had je ook Bastion C en D, maar die zijn afgebroken. En verder had je ook Ravelijn b en c waarvan alleen een stukje van Ravelijn c is overgebleven. In totaal had je 6 ruime kazematten die samen groot genoeg waren voor 1500 personen in oorlogstijd en een opslagcapaciteit van 152000 pond aan kruit. 2 Kazematten als Ravelijn a en 4 een formaatje groter.’ ‘Is best wel veel veranderd’ concludeerde Louis. ‘Nou,’ zei Opa, ‘er is wel meer veranderd. De gracht om die ravelijn is gedumpt omdat men meer aan grond als industriegebied had dan een sleuf in de grond. Dit water was er vroeger ook niet, ze hebben dat namelijk geschikt gemaakt om er vrachtschepen te laten varen om te laden en lossen. En het water liep dwars over de plek waar nu de Cabergerweg is tot aan de Hoge Fronten waar we net waren. Hierboven is de Tweede omwalling geweest, aan de overzijde van de Statensingel. Daar is ook een gracht geweest en op één stukje zelfs een derde gracht, de zogenaamde tenaille achter Bastion A. En daarnaast had je Bastion Tetteau.’ ‘Ja, dat zei de juffrouw mij laatst’ merkte Louise op. Met een ‘m-m’ dat Opa er niets van geloofde wat Louis zei, liep Opa verder en ging rechts de bocht om het pad tussen kanaal en muur. Louis volgde keurig. Dat het ook moeilijk was om aan deze zijde de stad te bereiken was zo duidelijk dat een opmerking achterwege bleef. ‘Speciaal metselwerk hč Opa,’ zei Louis op een spottend
toontje omdat heel wat bakstenen uit de muur waren verdwenen. ‘Daar is over nagedacht,’ reageerde hij
met een wijsvingertje in de lucht. ‘De buitenste laag stenen is tegen de
tweede laag gemetseld zodat deze het beste de kracht va Aan het einde van het pad stopten ze. ‘Kunnen we niet verder?’ vroeg Louis en keek naar een donker tunneltje dat kennelijk zo laag was dat de steen bovenin helemaal afgebroken was. ‘Er staat een beer voor me’ sprak Opa op serieuze toon. Louis twijfelde of Opa deze opmerking maakte omdat dat dit de reden was waarom Opa toch liever niet naar deze plek wilde gaan of omdat hij een trekje had genomen van een vreemde sigaret. Het antwoord dat Opa gaf was iets anders en ging verder. ‘Maar helaas is deze voor een groot deel afgebroken.’ En toen begreep Louis dat het stuk muur voor hun een beer werd genoemd. Opa ging verder met zijn verhaal. ‘Dit is een dam geweest tussen het ene waterbekken waar we net langs liepen en het waterbekken dat hierachter ligt. Omdat we hier te maken hebben met heuvelachtig gebied en het water op de juiste hoogte moest komen. Die dam in het water is afgebroken omdat de schepen verder wilde. We staan hier hoger als het Maasniveau in de zomerstand. Tegenwoordig hebben ze er al soms moeite mee het waterpeil van de Maas te regelen, vroeger was dit helemaal een jojo, afhankelijk van het jaargetijde met het daarbij horende weer had je hoog water in de winter en laag water in de zomer. En omdat in de zomer hier ook water moest kunnen komen is er het zogenaamde Jekerkanaal aangelegd tussen de Jeker aan de andere kant van de stad tot aan het binnenste gedeelte van deze Lage Fronten, waar we net vertrokken zijn.’ Louis gezicht leek even op een vraagteken en stamelde ‘het Jekerkanaal’? Opa ging onverstoorbaar verder. ‘De Fransen hebben naar plan van Vaubon vanaf de Tongersepoort tot hier vlak in de buurt bij de Lindenkruispoort tussen 1673 en 1678 een ondergronds kanaal aangelegd, het Jekerkanaal. Een lange tunnel van 1165 meter lang, 1,10 meter breed en 1,70 meter hoog en een verval van 3,25 meter. En hiermee kon men dit gebied binnen twee weken 8 a 10 voet hoog water laten stromen. Inundatie wordt dat ook wel genoemd.’ ‘Dat klinkt interessant’ zei Louis en vroeg: ‘is dat Jekerkanaal er nog en kunnen we daar dan in?’ ‘Het bestaat nog steeds’ antwoordde Opa maar er in komen gaat lastig. In 1943, tijdens de Tweede Wereld Oorlog, zijn ze op zoek gegaan naar mogelijkheden voor schuilruimten. 9 Meter onder de Tongersestraat hebben ze het gevonden maar was niet geschikt te maken als schuilruimte. En of het nu zo’n pretje is om er door te lopen ben ik ook niet echt van overtuigd. In 1750 hebben ze bij de Brusselsepoort hier een secreet op aangesloten voor 12 personen, ofwel voor soldaten die erg angstig van aard waren.’ ‘Ik weet weer genoeg’ zei Louis en vervolgde met de vraag: ‘als je hier een dijk ofwel een beer had, kon je toch zo boven overlopen?’ Opa weer: ‘de bovenzijde van de beer was als een puntdak. En omdat de gemiddelde aanvallende soldaat goed kon paardrijden en makkelijk erover heen kon kruipen met zijn benen aan elk een buitenzijde stond in het midden een monnik. Geen man met lange bruine pij met open sandalen die onverwacht voor je staat en waar je van onder naar boven recht in de dreigende ogen keek, maar een torentje met een punt erop. En daar kwam je niet langs.’
‘Die beer hield het water op hoogte en als deze vol was ging in het midden van deze gang een schuif omhoog en kon het volgende waterbekken vol stromen. Als we dadelijk in het midden zijn kijk je maar omhoog, daar bevond zich destijds die schuif en via het voormalig terreplein van Bastion B hierboven kun je nog steeds in die ruimte komen.’ ; Aha,’ nam Louis het woord weer over. ‘Deze tunnel, oja, duiker was dus niet voor mensen maar voor water. Die steen boven in het tunneltje, oja, duiker is dus niet verdwenen door de soldaten die er hun hoofd aan stootte met hun helmen. Maar hoe dan wel.’ Het woord was weer helemaal aan Opa. ‘Een steen op die plek noemen ze een sluitsteen. Daar zat een heel mooie gekapte steen van een kroontje van Willem I in en is in 1818 geplaatst. In 1984 was er iemand die de steen een verrijking voor zijn tuin vond en heeft hem hier toen gesloopt. Ondertussen weten ze weer waar die steen is en komt terug.’ ‘Opa,’ zei Louis met een flinke ademstoot. ‘We zijn al 200 meter verder als waar we begonnen zijn.’ ‘Je hebt gelijk, we gaan een stukje lopen. Bukken en je tunnel in en ik in de duiker.’ Gebukt liepen Opa en Louis het tunneltje door, keken in het midden zwijgend naar een zwart gat omhoog en liepen aan de andere kant van de beer weer naar buiten. Daar liep het pad verder tot een brug en hield het pad op. Rechts was een afgebrokkeld stuk muur tot een dikke meter boven de grond, maar daarboven was wel weer een pad te bekennen. Een klauterpad weliswaar, maar toch. ‘En toen Opa,’ vroeg Louis die dacht dat Opa het pad terug in gedachte had. ‘Wat en toen,’ antwoordde Opa alsof Louis voor de eerste keer een stomme vraag had gesteld, ‘naar boven, of durf je niet?’ ‘Tuurlijk Opa’ zei Louis weer die net deed of hij niets gevraagd had. Benen, armen en tussenliggend lijf van Opa leken ineens een elastieken Pinokio te zijn. Tussen weggevallen stenen, wortels en takken trok Opa zich een weg naar boven toe. Toen was het de beurt aan Louis die ondanks zijn jonge leeftijd er meer moeite mee leek te hebben. ‘Enne jong’ riep Opa van boven, ‘klimt de jeugd van tegenwoordig niet meer in de bomen?’ ‘Dat mogen we toch niet’ verweerde Louis zich. Opa ging weer naar boven en stak zijn hand uit richting Louis die eerst even verder alleen ploeterde maar uiteindelijk toch de handreiking aannam. Samen klauterde ze naar boven om op het pad bij de brug uit te komen. Stiekem klopte Opa tegen zijn benen om te kijken of hij daadwerkelijk zijn benen in de broek had zitten, want die klim verbaasde hem zelf dat dit nog zo goed lukte met zijn leeftijd. Beetje uitblazend liepen ze de brug over en keken over de leuning en keken ze naar beneden. Zonder een woord te zeggen liepen ze verder en verlieten feitelijk de oude vesting. Er waren veel struiken en grove stenen. ‘Dat lijken wel stenen die je ook bij een treinrails’ ziet begon Louis die een beetje bij was gekomen dat hij minder lenig was dan zijn oude Opa. ‘Ik moet je teleurstellen,’ kwam Opa met zijn antwoord. Louis kon zich na die klim niet meer voorstellen dat zijn Opa hem ooit nog één keer teleur kon stellen. ‘Het lijkt er niet op, het zijn stenen van een treinrails. Hier tussen de struiken zie je een spoorbaan, en als je struikelt weet je bijna zeker dat je over een oud stuk rails struikelt. Een stukje verder bij de Fort Willemweg is station Boschpoort geweest. Het perron was op de eerste verdieping. Het heeft maar 5 jaar bestaan, in het laatste jaar bezochte gemiddeld slechts 28 mensen dit mooie statige station. ‘Wacht even’ Opa, onderbrak Louis die hard aan het nadenken was ‘als daar een station is geweest, dan is dat pas van na de ontmanteling van Maastricht als vestingstad, en ook die rails hebben ze toen pas aangelegd.’ ‘Nou Louis,’ sprak Opa bedenkend, ‘zo simpel is dat allemaal niet. De eerste spoorbaan in dit gebied is van 1856, van Maastricht naar Hasselt. Toen is dat station geopend en Maastricht was dus nog een vesting.' 'Die spoorbaan kwam vanaf Hasselt en ging voor de stadsmuur maar door de buitenwerken richting Maas. Daar was de ijzeren spoorbrug, de tweede die van dat formaat in Nederland gebouwd werd. Die brug is in de Tweede Wereldoorlog twee keer vernield en weer opgebouwd. In 1957 is de huidige brug tot stand gekomen.’ Omdat passagiers uit Maastricht die het station Boschpoort bezochte met die slingerwegen door de vestingwerken zo'n 600 meter moesten lopen is er een kleine extra doorgang gemaakt zodat de afstand iets korter werd.' ‘A, zo,’ zei Louis, ‘maar… dat industriegebied hier is, ehm. Is pas van na de tijd toen Maastricht een vesting was.’Juist Louis,’ nam Opa het woord over. ‘Toen Maastricht geen vesting meer was konden ze hier lustig fabrieken gaan bouwen. Er was ruimte, spoorwegen en de Zuid Willemsvaart en van milieufreaks had men toen nog nooit van gehoord.’ ‘En de Korenwolf was zeker nog niet beschermd’ wilde Louis weten. ‘Dat is zo,’ zei Opa en verbaasde zich zo’n opmerking van zijn kleinzoon. 'Toch ging dat in het begin nog niet zo snel hoor' corrigeerde Opa zich weer. 'In 1885 kwamen pas de mogelijkheden dat schepen konden laden en lossen met een havenkom en het goederenstation Boschpoort was er pas vanaf 1903. Later is op die plek Van Gend en Loos gekomen, een groot transportbedrijf en nu is het een grote parkeerplaats.' Rechts was een vrij nieuwe loods te zien, evenwijdig aan het voetpad. Het voetpad was niet echt aangelegd maar ontstaan doordat er meerdere mensen over liepen, en de stenen van het spoor zorgden dat er geen modder was. Achter de laatste loods was een smaller pad dat richting de Bosscherweg liep. Louis volgde Opa braaf die af en toe zijn voeten hoger optilde om over de rails heen te stappen. De struiken werden hoger en woester en af en toe was het verstandiger om de armen in de lucht te steken zodat de handen zich niet aan de brandnetels konden steken. Ondertussen liepen ze zwijgend aan de andere zijde van de loods over de verlaten spoorlijn en was er rechts de Zuid-Willemsvaart te zien en daarnaast de Bosscherweg. Het was uitkijken waar je liep en het lawaai maakte het niet makkelijker elkaar te verstaan. Vandaar er gezwegen werd. De kruising van spoor en kanaal kon via een klein spoorbrugje overgestoken worden of via een ander brugje met leuning. Opa nam de brug en Louis vond het zigzagwegje met leuning leuker. Het spoor verder volgend kwamen ze bij de kruising van de Bosscherweg. Hier werd goed uitgekeken en even later overgestoken. Louis was naast Opa gaan lopen. De spoorbaan werd verlaten, even links een zijweg van de Bosscherweg die richting achterzijde KNP of tegenwoordig Sappi genoemd ging. Het lawaai en drukte werd minder en Opa begon weer te vertellen. ‘Wat ik je nu eerst even laat zien is een overgebleven deel van Ravelijn C.’ Naast elkaar liepen ze over de brede geasfalteerde weg tot bij een grote toegangspoort met bordjes “Verboden toegang.” Louis stopte, Opa liep door en draaide zich om waar Louis bleef. ‘Opa, daar mag je niet komen’schreeuwde Louis Opa toe. ‘Dat bordje geldt pas na 50 meter, verder gaan we niet’ zei Opa geruststellend met een lachje op zijn gezicht. Er stond een groot hekwerk, een stevige poort en duidelijke bordjes dat je er niet mocht komen. Verder hadden de brede wegen met hun stilte ook weer iets mystieks. Louis was nog niet helemaal overtuigd maar wist wel dat Opa bij hem was. Hij liep naar Opa toe die enkele meters voor hem bleef lopen. Ze stonden onder de Noorderbrug en enkele meters verder herkende Louis links aan de bouwstijl een bouwwerk dat dit ook een overblijfsel was van het vestingwerk ‘Het is een van de restantjes die niet in de weg stonden toen ze hier gebouwd hebben’ begon Opa. Louis onderbrak hem, ‘zullen we maar terug lopen?’ ‘Jij wilt terug naar een gebied zonder bordjes met verboden toegang’ vulde Opa aan. ‘Juist’ sprak Louis kort en begon te lopen. Deze keer was het Opa die achter Louis aan liep. Opa was snel bij hem en vervolgde zijn verhaal. ‘Gesloopt is hier behoorlijk. Eerst de nodige aanpassingen toen het een vesting was en toen het geen vesting meer was zijn de beklemmende bouwwerken gesloopt. Het hele gebied hier bestond uit bouwwerken en water. Voor de Boschpoort was een ravelijn, omsloten met water, daar ging de weg naar de stadspoort overheen. Vandaar ging de weg richting Maas, draaide naar links richting ravelijn c, omsloten door water, om zo naar de Bosscherweg te draaien om de stad te verlaten. Zowel de bouwwerken stonden in de weg als de waterwegen. In 1868 is men beginnen te slopen. Dit stukje ravelijn c waar we net waren is blijven bestaan en een deel van de vestingwerken ligt nog in de grond. Maar toen hier het slachthuis is gebouwd en later de Noorderbrug zijn beetje bij beetje delen verdwenen.’ Ze waren bij de Bosscherweg aangekomen en liepen
richting stad om de volgende weg in te lopen, een half verborgen fietspad.
Hier rechts was weer de Zuid-Willemsvaart.Opa zocht zich een weg tussen de
struiken om naar het kanaal te kijken, in de wetenschap dat Louis zou volgen.
Toen Louis voor hem kwam staan wees hij naar de sluitsteen die aan de
bovenzijde van de brug over het kanaal was te vinden. Een mooi exemplaar met
de W van Willem I. ‘Dat kanaal,’ vroeg Louis, ‘is er gekomen toen Maastricht een vestingstad was?’ ‘Klopt Louis’ antwoordde Opa. Opa had zijn mond weer een tijdje dicht gehouden maar nu kon hij zijn mond weer laten gaan. ‘De Zuid-Willemsvaart is 1817 – 1825 gegraven tussen het Bassin en Den Bosch. Maastrichtse burgers en bezoekers konden de stad slechts bereiken via een goed beveiligde stadspoort en zoiets dergelijks moest men ook gaan verzinnen voor schepen die binnen de stadsmuren gelost en geladen moesten worden. Via twee ravelijnen werd een smalle weg gevonden waardoor schepen de stad binnen geloodst. konden worden. Via onderstaand kanaal kon men de stad bereiken.’ Zonder een verdiepend vraagje van Louis liepen ze verder. Het begon allemaal een beetje lang te duren deze wandeling, Louis vroeg zich af wanneer Opa dorst zou krijgen. Doorgaans had hij wel behoefte aan een of ander middeleeuws drankje dat tegenwoordig op terrasjes geserveerd wordt. Toen Opa vroeg: ‘moest je plassen?’ keek Louis wel even vreemd op. Ook hij had dorst gekregen en had met de nodige inspanningen onderweg met zweten al het nodige vocht verloren. ‘Nee Opa’ antwoordde Louis dan ook, ‘ hoezo?’ ‘Nou,’ antwoordde Opa, ‘dan was ik met je naar de overkant gelopen. Daar is een uitstekende plasplek en wees op de parkeerplaats onder de Noorderbrug.’ Louis begon het allemaal nog vreemder te vinden. Opa, die vraagt of ik wil plassen, wijst vervolgens op een open plek. Een steeds bedenkelijker kijkend gezicht van Louis bracht Opa tot het geven van een verklaring. ‘Zie je die steen met “Dibbets” tegen de wand.’ Louis moest even kijken maar knikte later van ja, ‘nou daar mag je voor mij op plassen’ waarbij Opa op plassen de nadruk legde. ‘Hoezo’ vroeg Louis op een toon die zijn moeder aansloeg als ze boos was. ‘Generaal B.C.J. Dibbets had het in Maastricht voor het
zeggen. In 1830 brak in België de opstand uit. In het huidige Limburg kon men
het hier ook wel in vinden. In België was de bevolking overwegend katholiek
wat hier in Limburg ook het geval was in tegenstelling tot Holland. Het had
meer voordelen en had geen lastige koning. De Belgische troepen trokken Limburg
binnen om hier met name de steden te bezetten. In Venlo werden ze welkom
geheten en werden de poorten zelfs open gezet. Eind 1830 was heel Limburg
Belgisch, behalve Maastricht. Maastricht stond helemaal alleen in het
Belgische bezette gebied. En dat hadden we allemaal te danken aan Dibbets.’ Er
begon zich langzaam een schuimkraagje rond Opa’s mond te verschijnen. ‘In de
tussentijd konden de mensen in Limburg profiteren van minder te betalen
belasting, geen problemen met het geloof, betere prijzen voor de landbouw, tot
binnen de stadsmuren kon je de Limburgers buiten de stadsmuren horen lachen,
En wij zaten hier maar met Dibbets.’ Het schuimkraagje werd groter. ‘Negen
jaar heeft hij dat volgehouden. En uiteindelijk, onder groot protest, is
Limburg in tweeën verdeeld en zijn we bij Nederland terecht gekomen.’ ‘En Dibbets?’ Vroeg Louis triomfantelijk? ‘Die is gestorven in 1839’ ging Opa schuimbekkend verder en is hier ergens begraven, onder een dikke laag beton. Dat deden ze vroeger wel vaker met belangrijke mensen. Louis rustig: ‘Onder de beton storten? Kan toch niet, er bestond toen toch geen beton?’ ‘Nee,’ antwoordde Opa op een geďrriteerde toon, ‘in de vestingwerken begraven, bij Waldeck ligt des Tombe. Dibbets monument hebben ze in 1927 s’nachts moeten verplaatsen naar de Tapijnkazerne waar twee hekken om het monument staan. En Dibbets zelf hebben ze nooit mee gevonden. Genoeg gesloopt, genoeg in de grond liggen woelen maar géén Dibbets te vinden.’ Opa begon zich steeds heftiger te praten en Louis bedacht hoe hij dit het beste tot een goed eind kon brengen. Opa ging door, ‘stel je eens voor dat we België waren geworden, veel meer vriendelijke mensen, veel gemoedelijker, beschaafder, beter onderwijs, geen wachtlijsten in de ziekenhuizen, goedkoopr openbaar vervoer, autokentekenplaten met de stadskleuren van Maastricht, veel en veel meer bierbrouwerijen.’ En toen wist Louis het. ‘Opa,’ riep hij, ‘iets drinken?’ Vanaf dat moment viel Opa even stil. ‘Ja,’ riep hij bedeesd, ‘kom dan lopen we verder en komen we in het Bassin uit waar vele leuke terrasjes zijn. Trakteer ik je.’ ’Dat is goed’ zei Louis. Samen liepen ze verder richting Bassin. Een hele omschakeling tussen de enigszins verloederde delen van Maastricht en dit opgehemelde stukje Maastricht. Opa bestelde een groot glas Grimbergen, Louis een cola. Toen de eerste slokken gedronken waren zei Louis: ‘Opa, weet je, wij hebben Maxima!’ Rebo©2006 |
||
Klik hier om terug te keren naar 'Opa vertelt over de vestingwerken van Maastricht' |