Opa vertelt Louis over zijn omgeving
|
||
|
|
Op het veerpont op het Nederlands zuidelijkste puntje van de Maas, tussen Klein Ternaaien ofwel Petit lanaye en Eijsden, stond opa met zijn kleinzoon Louis naast de fiets. ‘Er is wel een groot verschil tussen Ternaaien en Eijsden hè’ wilde Louis graag bevestigd krijgen van zijn opa. Die knikte van ja en zei: ‘ja, de Maas is een natuurlijke grens, maar het is ook de grens tussen Nederland en België. En nog wel het Waalse gedeelte van België. Het is een grens ook van talen: Nederlands, Frans en beide daarnaast hun dialect. Een grens van verschillende ontwikkelingen.’ Even was Louis stil, hij vond de overtocht immers ook wel een beetje spannend maar dacht ondertussen ook door over wat opa hem vertelde. ‘Komt dat alleen door de Maas’ vroeg Louis aan opa. Nu schudde opa zijn hoofd van nee en voegde er aan toe: ‘Natuurlijke omstandigheden, politieke omstandigheden… culturele verschillen. Die gaan alle kanten op. Tussen Limburg en Nederland zie je ook al verschillen, sterker nog, in Limburg kom je ook al verschillen tegen.’ Hier keek Louis van op. ‘In Limburg al?.’ Opa: ‘O zeker, tussen de steden Maastricht en Heerlen en dorpen als Eijsden en Gronsveld heb je al verschillen. Tussen Zuid-Limburg en Midden-Limburg.’ Ondertussen werd de overzijde bereikt en liep ieder op zijn beurt van het pont af. Er werd zacht Limburgs gesproken en hard Nederlands. Pleonasme. Van de Nederlands sprekende was al direct te horen wat ze er van vonden en waar ze naar toe gingen. Niemand hoorde waar opa en zijn kleinzoon naar toe gingen. Toen ze weer op de fiets zaten was het hard trappen om de helling op te rijden met de dikke keien. Maar eenmaal boven vroeg Louis: ‘ wat zijn nu die verschillen tussen zuid- en midden-Limburg dan.’ Even was opa weer stil, zijn wenkbrauw kwam in beweging. Hoe kan ik dat nu uitleggen vroeg hij zich denkend af. ‘Weet je’ zei opa, ‘zullen we eens in midden-Limburg gaan kijken? Vertel ik je een en ander over Leudal, een plattelandsgemeente in het midden van Limburg. Het gezicht van Louis trok zich nog eens wat strakker dan het al was, dat vond hij leuk. Op weg naar Leudal Een week later zat Louis bij zijn opa in de auto, achterop de auto
bevonden zich twee fietsen, een degelijke en een gele. Op de A2 namen
ze afslag Grathem. Bovenaan reden ze in noordelijke richting. ‘Aha, we
zijn welkom’ zei Louis die een bord van “Leudal, welkom” aan de zijkant
van de weg zag staan. En zei verder: ‘Een fleurige gemeente met die
gekleurde golfjes onder Leudal,’ Opa die goed op het verkeer
lette, reageerde met: ‘Naast het gemeentewapen, de gemeentevlag is dat
het logo van de gemeente. Elke kleur heeft zijn betekenis. De groene
lijn staat voor de natuur, het okergeel voor het platte en landelijke,
blauw voor de leefbaarheid en het rood is de energieke
vooruitstrevendheid. En die verbondenheid van die streepjes is de
verbondenheid van die elementen in de gemeente.’Bij een kruising met verkeerslichten was rechts een laag gebouwd restaurant te zien waar grote schnitzels verkocht werden. Er werd verder gereden over een lange rechte weg. Toen de auto weer op snelheid was begon opa te vertellen: ‘Officieel heet deze weg nu de N273 maar is beter bekend als de Napoleonsbaan. Napoleon heeft het bedacht maar niet zelf aangelegd, Spaanse krijgsgevangenen hebben merendeels het werk gedaan. Toen de weg in 1814 klaar was had hij niets meer te vertellen en heeft de weg dan ook nooit gezien. De weg begint bij Maastricht maar is vanaf Maaseik pas goed te volgen tot Blerick bij Venlo. De weg wordt ook wel dodenweg genoemd omdat hier de meeste ongelukken van het land gebeurde. Kaarsrecht waar je vergeet dat er toch een enkele keer een bocht is, voor elke richting één rijstrook, veel vrachtverkeer, treuzelend landbouwverkeer en van die stevige dikke bomen langs de weg zonder kussens. Nu de A73, die min of meer evenwijdig aan deze is aangelegd, is het rustiger en veiliger geworden. Bij Haelen is er een stuk weg omgelegd om een rustig stukje dorp te krijgen. De huidige horecavoorzieningen zijn akelig stil geworden of verdwenen.’
Hiermee werd opa ook weer even rustig. Grote delen waren aan beide
kanten van de weg bos te zien. Er werd keurig tachtig kilometer
gereden. ‘Is wel een lange weg hè opa’ merkte Louis op die zich
al begon te vervelen. Opa die geconcentreerd op de weg bleef letten:
‘Leudal ligt staatkundig een beetje gedraaid, van zuidwest naar
noordoost. De weg doorkruist Leudal aan de benedenkant. Leudal is op
twee andere na, de grootste gemeente van Limburg. Wij bekijken vandaag
alleen het noordelijk deel.’Ze bleven maar rechtdoor rijden. Bij de kruising links naar Heythuysen en rechts naar Horn waren verkeerslichten. Ook hier weer rechtdoor. Een kilometer verder draaide de weg flauw naar rechts en zei opa: ‘hier ging de oude Napoleonsbaan rechtdoor, dat heet ook nog zo.’ Vóór het tankstation rechts gingen ze links het dorpje Haelen inrijden. Hier waren meer bochten, voor het oude gemeentehuis naar rechts en voor de kerk links en dan niet naar Nunhem maar rechtdoor. Het dorp werd verlaten en er waren aan beide zijden van de weg was weer bos te zien. De Spar Als opa aan het autorijden was, was hij stiller dan op fiets of te voet. Op de rechte smalle tweebaansweg begon hij toch te vertellen: ‘Veel bijzondere plekjes liggen hier in het Leudal in de bossen en zullen daar vandaag op afstand van blijven. Zo ligt hier links in de bossen Buitencentrum De Spar, een kampaccommodatie voor jeugd als jij. In 1938 werd vanuit een kerkelijke instelling uit Meerssen aan de gemeente Haelen gevraagd voor een stuk grond om kampen te houden. Een onbeplant stuk heidegrond werd in april van dat jaar gratis ter beschikking gesteld. In mei werd al een vergunning afgegeven voor een permanent bouwwerk en dat werd in augustus al door de bisschop ingezegend. Het waren twee houten gebouwtjes met een waterpomp er naast waar de Jonge Wacht op kamp kon gaan.’ Hier herkende Louis iets: ‘Jong Wacht, waren Kwik, Kwek en Kwak er niet bij?’ Opa: ‘Nee, die waren bij de Jonge Woudlopers, de Jonge Wacht is op katholieke grondslag’ en ging verder met zijn verhaal over de Spar: ‘In de oorlog werd het katholieke jeugdwerk door de Duitsers verboden. Via een truckje kon men toch deels verder gaan. De Spar werd voor onderduikers gebruikt, bij onraad kon men immers hier makkelijk de bossen in vluchten. In de oorlog moesten alle kunstenaars, toneelspelers, schrijvers, kortom: ieder die zich met cultuur bezig hield aansluiten bij de Kultuurkamer. Was je er niet bij aangesloten mocht je niet je vak uitoefenen. Zo kon de bezetter kaders stellen wat er aan cultuur werd gebracht. Sommigen weigerde zich hier bij aan te sluiten. Als vorm van verzet, om het vrije denken te kunnen borgen, waren om de andere week hier een bijeenkomst van een groep kunstenaars, intellectuelen en oud priesterstudenten. Er werd gezongen, muziek gemaakt, toneel gespeeld en waren er discussies over politiek en cultuur. De kennis die hiermee werd opgedaan werd dan weer door deze groep verder in de provincie uitgedragen. Aan het einde van de oorlog werden de gebouwtjes gebruikt door de Duitsers voor de opslag van granaten. Als dank werden ze na afloop tot ontploffing gebracht waardoor er alleen zooi achterbleef.’ Hij begint langzaam los te komen dacht Louis over zijn opa. Die ging inderdaad lekker door: ‘Na de oorlog werd er opnieuw een kampaccommodatie gebouwd. Nu van steen en dat staat er nog steeds. Een hoofdgebouw met stafruimte, keuken, eetzaal en zes zogenaamde bivakhutten om in te slapen, net als een tentenkamp. Inmiddels was de Jonge Wacht over gegaan tot Jong Nederland. Jong Nederland is sterk vertegenwoordigt in Limburg, heeft mee geholpen dit gebouw te realiseren en heeft er nog altijd een band mee terwijl het wel een zelfstandige stichting is die inmiddels ook eigenaar is van de grond. Er is ook een kapel gebouwd en er zijn verschillende kunst- en gedenktekens. Onder andere van de in de oorlog gestorven Jonge Wachters en hun aalmoezenier.’ Even was het stil waarop opa met een lach op zijn gezicht zei: Ineens begon opa om zich heen te kijken en te remmen. Hij reed rechts een parkeerplaats op. Daar werd een parkeerplekje gezocht en werd de auto tot stoppen gebracht. Er werd uitgestapt en de fietsen werden van de drager gehaald. Opa wees naar het bos en zei: ‘daarachter midden in het bos heb je de Leumolen. Misschien dat we er na afloop nog even een kijkje nemen.’ De auto werd afgesloten en er werd langzaam begonnen met fietsen, precies naar de plek waar de auto de parkeerplaats was opgereden. Opa fietste voorop en nam het pad dat richting het gebouw liep. Verdraagzaamheid Nu bleef Louis echt iets langer kijken, stilletjes zei hij: ‘Wat fijn dat het monument er is.’ Ze gingen weer verder fietsen. Het dorp uit, tussen de kerk en de school. Bij de rotonde aangekomen reden ze achter elkaar recht door en staken daarmee de grote weg, de Meijelseweg, weer over. Toen ze weer naast elkaar fietste begon opa te vertellen: ‘Een stukje verder op de Meijelseweg is vroeger Herberg de Troost geweest. Het was altijd erg bemoedigend om daar naar binnen te gaan. Sterk bedacht die horecanaam maar het is gewoon genoemd naar de eigenaar destijds. De zanger van Rowwen Hèze, Jack Poels, kwam er geregeld met zijn moeder. En laat nu net een tweede muziekgroep waar Poels bij is “Herberg de Troost” heten.’
Voor het gebouw stond een monument. Opa nam weer even de tijd er iets
over te vertellen: ‘Dit is het monument van verdraagzaamheid, een
oorlogsmonument. Een halve boog op een gelijkzijdige driehoek die het
goddelijke voorstelt. De meeuwen boven in staan voor de vrijheid. Dan
heb je het zwaard met de lauwerkrans met de ineengeslagen handen is de
gestreden strijd en de verbroedering over de dood heen. De voet bestaat
uit zeshonderdzevenentachtig maaskeien, voor elke gesneuvelde militair
in dit gebied één. De elf rode stralen zijn de elf nationaliteiten van
de gesneuvelden.’Louis bekeek het monument wat opa beschreef. Hij vroeg zich toch af: ‘De oorlog is toch al lang geleden, maar dit ziet er toch niet echt oud uit?’ Opa knikte, ‘klopt ja, dit is uit 2001, er is een hele moderne cd ingemetseld waarop het verhaal van het monument staat.’ Louis: ‘Wat is een cd?’ Opa: ‘een glimmend schijfje, compact disc genaamd, waarop in die tijd de computergegevens werden bewaard.’ Louis kinkte even en opa ging verder: ‘Leudal ligt in een gebied met belangrijke waterwegen en Duits industriegebied in de nabijheid. Daarmee was het in de Tweede wereldoorlog vanuit militair oogpunt een strategisch gebied. Vele luchtaanvallen hebben er dan ook plaatsgevonden. Er zijn dertig vliegtuigen neer geschoten. Ook bij de bevrijding zijn er nog felle gevechten geweest. Nu zijn er in de dorpen van Leudal wel oorlogsmonumenten maar die zijn dan van burgerslachtoffers, verzet of van een gebeurtenis. Zestig jaar na het uitbreken van de oorlog was er nog niets voor de gesneuvelde soldaten. Verbroedering over de dood heen. Verdraagzaamheid.’ Opa wees nog even naar een tekst: “De geschiedenis is de leermeester van het leven” en voegde er aan toe: ‘Churchill zei ooit: ‘een land dat zijn verleden niet kent heeft geen heden.’ Zijn kleinzoon was nu helemaal stil, maar opa ging verder: ‘Jaarlijks, op donderdag rond de zeventiende november vindt hier een grote herdenking plaats, met vele veteranen en hoge pieten, uit vele landen.’ Beide bleven nog even staan kijken. Sint Elisabethmolen
De aandacht ging langzaam over naar het achterliggende gebouw. De ogen
werden gefocust op de ingang. ‘Bezoekerscentrum?’ vroeg Louis in
vragende vorm. Opa knikte weer en zei: ‘ja, van het Leudal. Op de
zolder is een grote expositie over het natuurgebied maar ook over de
mensen die er wonen en een stukje Tweede wereldoorlog. Er zijn ook
geregeld lezingen en andere bijeenkomsten. De natuur staat er hoog in
het vaandel. Daarnaast is een horecagelegenheid. Nee, nee, we gaan er
nog niets drinken.’Hij ging verder: ‘Door met de klok mee te draaien gaan we terug in de tijd. We begonnen bij het monument, het meest recentste. Toen met de klok mee kwamen we bij het gebouw met het bezoekerscentrum en horeca. Dat is gebouwd in 1875 en 1909. Oorspronkelijk was het een uitbreiding van een molen met een boerderij en woonhuis. En die molen is uit 1278.’ Langzaam fietste ze langs het terras naar het gebouwtje waar het dak nogal opvallend aanwezig was. Dichterbij was te zien dat zich er een molenrad onder het dak bevond. Er stroomde ook met grote snelheid een riviertje langs. Op twee oudere muren na zag het redelijk nieuw uit. Je kon onder het dak nog naar een verdieping lopen. De fietsen werden aan de kant gezet en liepen de trap op naar de verdieping waardoor ze vlakbij de bovenkant van het rad kwamen. Het water klotste er behoorlijk en maakte veel lawaai. Voor dat opa begon te praten gingen ze toch maar weer naar beneden. Ze liepen nog iets verder naar achteren zodat het molenlawaai minder werd. Opa was weer hoorbaar: ’Als we de klok nog iets verder volgen, komen we aan de overkant uit. Daar werd in 1240 het klooster Sint Elisabethsdal gesticht. Daar kom ik straks nog even op terug, maar dat klooster had in ieder geval in 1278 toestemming hier een molen te bouwen. Van die molen is niets meer terug te vinden. Waarschijnlijk is die molen tot 1840 van hout geweest. In die tijd werd de molen gebruikt als graanmolen, houtzagerij en oliemolen, die olie uit zaden perst.’ Louis had een ander beeld van een molen dan het overdekte molenrad dat hier te zien was. Zijn opa ging verder: ‘In 1840 werd de houten molen vervangen door een stenen exemplaar. Beter tegen brand zou je zeggen. Maar dat viel tegen, in 1844 was er brand en brandde de molen helemaal af maar werd wel opnieuw opgebouwd. Later kwam er het naast gelegen gebouw bij. In 1909 kwam er een ijzeren rad en werd ook ijzer in de stuwen verwerkt, stuwen die de watertoevoer en doorstroom regelen. In de oorlog was de molenaar ijs aan het wegkappen en kwam toen tussen het rad en de muur terecht. Hij is er bij verongelukt, op zevenenveertigjarige leeftijd liet hij tien kinderen achter. Aan het einde van de oorlog werd de naast gelegen brug plus molen door de Duitsers opgeblazen. Sinds die tijd was de molen een ruïne.’ ‘En die ruïne is opgeknapt?’ wilde Louis weten waarna opa automatisch ja knikte. Opa: ‘Ehm.. laat ik zeggen dat het eervol hersteld is. Er is een gloednieuw molenrad in gekomen, een zogenaamd zuppinger-rad, een dak om het lang te behouden en voor de bezoekers als ons een mooi platform om het van boven af te bekijken. Om de natuur in de omgeving tegemoet te komen wordt er nu ook stroom opgewekt dat de horecagelegenheid gebruikt. Bij een hoge waterstand is de koffie die je er krijgt erg heet.’ grapte opa. Opa draaide met zijn hoofd even richting het naast gelegen bos. Opa: ‘Dit bos hier heeft het Natura2000 predicaat, voor het in Europees Gemeenschappelijk verband van behoud van omvang en diversiteit van de natuurgebieden. Met de nieuwe molen is het waterpeil ook op een betere hoogte gebracht en dat is weer goed voor de natuur. Achter het riviertje de Leubeek, bij het tweede hekwerkje langs de weg, heb je een vistrap. Een strook in het bos van zo’n driehonderd meter lengte waar het water geleidelijk van hoogte verschilt zodat de vissen zich ook kunnen verplaatsen tot de andere kant van de molen. Los van de hoogte kan zo’n schoep van het molenrad best wel hard op het vissenhoofdje aankomen, ’ Louis trok een flauw gezicht naar zijn opa. De fietsen werden gedraaid en een stukje terug gefietst om bij de oversteekplek van de weg te komen. Nadat de laatste auto voorbij was geraasd staken ze over en gingen over een houten pad dat zich een stukje boven de grond bevond om uit te komen bij een poort van een omheind gebied, Sint Elisabethsdal. Sint Elisabethsdal
Ze fietste tussen de poort door, het bruggetje over en toen stopte ze.
Links voor hen was een ouder gebouw te zien, rechts een ranke toren. In
een parkachtig gebied met een fontein. Louis keek naar opa die vast wel
weer iets wist te vertellen. Dat was ook zo al was hij zich wel even
aan het bedenken wat hij wilde zeggen.Hij begon: ‘De kennis over het verre verleden is gebaseerd op een archief van het klooster van het ontstaan tot de opheffing bij de Franse revolutie, de periode 1240 tot 1797. Vijfhonderdnegenentwintig stukken die zo’n drie meter op de plank bevatten. Daar is uit op te maken dat Diederik van Altena, de zoon van de heer Van Horne, in 1211 op terugtocht was van een pelgrimstocht naar Santiago des Compostella.’ Louis onderbrak zijn opa met te zeggen: ‘heeft oom Jacco dat ook niet gedaan, helemaal ergens ver weg naar Spanje gelopen.’ Na even ja-geknikt te hebben ging opa verder: ‘Diederik werd toen ernstig ziek en werd in de buurt van Dijon, in het klooster van Val des Choues door Caulieten verpleegd. Diederik wilde toen als dank geschenken geven maar die werden geweigerd. Wel kreeg hij de vraag of hij een klooster wilde stichten waar hij woonde. Dat heeft hij toen gedaan, hier op deze plek. In 1240 namen de Caulieten er hun intrek. Diederik weide het aan de, in ieder geval toen nog, de maagd Maria en aan Elisabeth. Zij heeft een ziekenhuis opgericht en mensen verpleegd en stierf op vierentwintig jarige leeftijd. Kennelijk heeft ze veel indruk gemaakt want ze werd snel naar haar dood in 1235 Heilig verklaard en onder andere patrones van de ziekenhuizen. Die naam Elisabeth draagt het dus al sinds die tijd. Een klooster kent bepaalde regels maar na een kleine tweehonderd jaar kwam daar een beetje de klad in en niet veel later verdwenen de Caulieten dan ook. Daarna kwamen er de Augustijnen in. Die zijn een tijdje weg geweest, is er brand geweest en is het gebouw vervallen maar keerde terug en die bleven er in totdat de Fransen in 1796 kwamen en de kloosters werden opgeheven. Daarna is het een buitenhuis geweest. Ook dit is in de Tweede wereldoorlog gebombardeerd geweest. Rond 1950 kwamen er de Kleine Zusters van de Heilige Joseph te wonen die er vooral gingen rusten. Voordat de spraakmakende Gijsen in 1972 bisschop van Limburg werd was hij hier rector, de directeur. Hij stak met kop en schouders boven de kleine zusters uit.’ Er werd gekeken naar de toren, opa wees er zelfs even naar en zei er over: ‘Dat is nog een overblijfsel van het oude klooster. De kerk is afgebroken toen het een buitenverblijf werd. Een zaalkerk met een hoofdaltaar en verschillende kleinere altaars. De gebouwen links zijn van 1778. Vroeger heerste er nog wel eens de pest, een besmettelijke ziekte waaraan men kon sterven. Door ze aparte te laten wonen beleef de rest de ziekte bespaard. Daarom bouwde men zogenaamde pesthuisjes. Links achter het gebouw staat nog zo’n pesthuisje, uit 1682. Ondertussen gepoetst en omgebouwd naar een ruimte die je kunt huren voor gezellige bijeenkomsten, praten over toekomst en zo.’ ‘En nu?’ wilde Louis weten. Opa was even aan het rusten en zei vervolgens: ‘Een normaal verzorgingshuis waar ouderen terecht kunnen en lekker kunnen rondwandelen. En nu gaan wij weer verder’ besloot opa waarna hij rechts op ging om het park te verlaten. Bij de weg aangekomen fietste ze naar rechts waar ze aan het einde van de weg nog even de auto zagen staan om links op naar Roggel te gaan. Fijn over een fietspad gescheiden van de weg waar auto’s soms langs raasde. Roggel
Opa snoof even de frisse lucht op. Lucht die hij ook gebruikte om weer
te kunnen vertellen: ‘Bij zo’n plattelandsgemeente heb je altijd veel
ruimte tussen het ene en het andere dorp. Kun je ook lekker ver kijken.
Het dorpje Roggel waar we nu naar toe gaan is er naar schatting in of
van na de Romeinse tijd, toen sliepen al mensen op deze plek.’Ondertussen maakte de weg een draai naar links en kwam er ook een andere weg bij. ‘Ongemerkt gaan we nu iets doen’ zei opa, en vervolgde met: ‘het gebied hier was vroeger nogal drassig maar er waren wel al wegen. Een weg van zuid naar noord en een weg van oost naar west. Daar waar de weg kruiste ontstond Roggel.’ Louis was even driftig om zich heen aan het kijken en vroeg aan zijn opa: ‘Wat zijn we nu ongemerkt aan het doen?’ Een glim verscheen rondom opa’s mond die sprak: ‘Tja Louis… dat merk je niet wat we aan het doen zijn.’ Dat vond Louis toch maar lastig te begrijpen. Opa schraapte overduidelijk even zijn keel en na wat kuchjes zei hij: ‘In Maastricht wonen Maastrichtenaren, in Roggel de Rochelaars. Een apart volkje is dat geweest. Met name met de noorderburen, die van Meijel, moesten het vaak ontgelden. Er is heel wat geknokt. Zelfs zo erg dat ze de boerderijen in brand staken. Dat vonden de verstandige bestuurders nu ook weer niet echt wenselijk. Vroeger waren de landerijen waarop de boeren teelden niet van de boeren zelf maar kregen ze in bruikleen. Van de opbrengst moesten ze dan tien procent afstaan, tienden noemde ze dat. Soms hoor je nog wel eens de naam tiendschuur. Daar werden de tienden bewaard. Van die tienden hebben ze onderwijs van bekostigd om die Roggelaars wat kennis en manieren bij te brengen. ’ Daar geloofde Louis maar weinig van. Opa ging door: ‘Maar of het nu echt vriendjes van elkaar zijn geworden…. Lange tijd in ieder geval niet. Het dialect tussen Meijel en Roggel verschilt sterk en dat wil zeggen dat er tussen beide niet veel contact is geweest. Meijel is meer op Brabant georiënteerd, en dat hoor je. Roggel is nog meer Limburgs. Met de westelijke buren Heythuysen en oostelijke buren Neer zijn meer contacten geweest. Tussen het zuidelijke Haelen minder omdat daar nog een stevig drassig bos is geweest.’ Ze kwamen ondertussen in het dorpje zelf. Ruim van opzet, de huizen waren ook niet erg hoog. Er werd goed opgelet waar ze reden want er kon van alle kanten verkeer aankomen. Aan het einde van de weg zag je iets meer bochten in de wegen. Hier fietste ze links op. Aan de woningen was te zien dat dit een ouder deel is van Roggel dan de nieuwere woningen aan de rand van het dorp. Maar nog steeds waren de woningen vrij laag. Ze reden langs winkels, over een brugje en langs een gebouw dat nog wel eens het gemeentehuis kon zijn of geweest. Bij de kerk, bij een bollig monumentje werd even gestopt. Opa stond rechtop met zijn fiets tussen de benen. Ter hoogte van zijn schouders hield hij zijn handen naar buiten gedraaid met de palm naar boven. Zijn neusvleugeltje bewogen af en toe, zijn ogen rolde rustig alle kanten op. Zijn hoofd ook. Wat doet opa nou weer gek dacht Louis, maar hij ging ook zo staan. Na een tijdje vroeg opa: ‘merk je al iets?’ Oww, dat bedoeld opa, of ik in de tussentijds toch iets heb gemerkt. Hoe goed Louis ook zijn best deed, hij kon geen antwoord verzinnen. De verlossing kwam ook van opa: ‘We zijn vier meter gestegen.’ Nee, dat had Louis niet gemerkt en hij wachtte even af totdat opa ging vertellen waarom dat nu weer van belang is. Ze stonden weer gewoon met de fiets tussen de benen, handen omlaag en gezicht in standaard houding. Opa: ‘Dit stukje is hoger gelegen en op dit hoger gelegen stukje kwamen de eerste bewoners van Roggel te wonen. Het gebied om je heen was vroeger drassig maar hier niet en je had toch een beekje met water in de buurt èn een kruising van wegen. En op die heuvel werd ook nog wel eens vuur gestookt, meer dan alleen hout. Er werden offers gebracht, een brandstapel. En zo komt Roggel ook aan haar naam want in het Romeins noemen ze een offerplaats of brandstapel rogus.' Opa moest weer even kuchen en rare geluiden uit zijn keel produceren om daar aan toe te voegen: ‘en dat werd via Roghele en andere varianten Roggel.’ Opa keek omhoog naar de naastgelegen kerk. Zijn onderkaak bleef iets meer achter dan de bovenste helft van zijn gezicht, hij vertelde weer: ‘De oudste delen zijn van zijn 1447 maar je begrijpt wel dat er elke keer weer verbouwd is geworden. Ook deze toren is in de oorlog door de Duitsers in flarden geschoten.’ Waarna het even rustig was tussen het tweetal. De
belangstelling verplaatste zich naar een door water draaiende bol waar
een tekst op stond waarover opa rustig ging spreken: ‘De ondernemers in
de buurt hebben zich verenigd in “Hartje Roggel” en organiseren
activiteiten om Roggel meer als een beleving te laten zien. Toen hier
de omgeving werd verfraaid wilde ze echt iets aparts hebben, iets dat
de aandacht vroeg en dat is gelukt want wij zijn hier nu ook bij deze
bol gestopt. Een “drievende Köls” is het, een drijvende knikker. Een
massieve granieten bol van wel bijna tweeduizend kilo die op het
water drijft en draait. Je vraagt je af hoe het werkt. Op de knikker
staat een gedicht van de stadsdichter van de plattelandsgemeente
Leudal, waarvan de letters van de naam van de dichter bijna groter zijn
afgebeeld dan de letters van het gedicht zelf. Waar het gedicht nu echt
over gaat is mij een raadsel. Maarja, het hoeft ook alleen maar leuk te
zijn, een fotomomentje in Roggel crieëren zoals ze dat ooit bedacht
hebben is al voldoende, beetje leeg. Geen boodschap als "het hart van
Roggel is altijd in beweging" of een boodschap met die spiegeling van
de knikker door het water of zo. De plek is wel degelijk het hart van
Roggel, zo dicht bij
de Dorpstraat, hier op de Markt en Kerkstraat. Centraler kun je
in het hart van Roggel niet komen. Goh... ik denk er toch over na.’‘Ziet wel grappig uit hoe die bol in het water draait’ merkte Louis gewoontjes op. Zijn opa knikte en begonnen weer te fietsen, in het verlengde van de kerk, de Kerkstraat in. Geen oude huizen, soms nieuwbouw en allemaal vrij laag en ruim van opzet. Bij de kruising gingen ze rechts. Die weg werd weer een stukje drukker. Het fietspad verplaatste zich naar een tweerichtings vrij gelegen fietspad aan de overkant van de weg. Bij de rotonde ging opa dan wel rechtdoor maar stak toch zijn vinger naar rechts. Hij zei: ‘Als je deze kant op gaat, hier rechts, kom je bij de Leistert. Een groot vakantiepark met een camping, bungalows, subtropisch zwembad en nog veel meer vakantieplezier. In de vakantieperiode verblijven hier bijna het dubbele aantal mensen als in heel Roggel wonen. Oorspronkelijk een dochter van de gemeente maar zelfstandig kon ze beter uitgroeien.’ ‘En in de bomen fluit zeker de Lijstert, waar ze het park naar genoemd hebben’ onderbrak Louis zijn opa. Die schudde van nee, ‘dit naam van dit park hier schrijf je met een korte ei. De naam komt van leestert en zo noemen ze de leemlaag die zich onder het park bevindt. En omdat dit ongeschikt was voor landbouw bedachten ze iets anders, en dat is de Leistert geworden.’ Louis knikte maar, opa ging verder: ‘Bij de Leistert is er ook een museum, het Marleetjeshof, oude spulletjes verzameld door de plaatselijke heemkundeclub. In Roggel is er ook nog het Bakkerijmuseum Roggel met oude bakkersspulletjes. Verder in Leudal heb je dan nog bij Horn Terug in de tijd. Dat is een grote hal van twee verdiepingen vol oude alledaagse spulletjes waaronder auto’s en huiselijke gebruiksvoorwerpen en dan is er nog het Leudal Museum met oude spulletjes van de oorlog, natuur, archeologie en folklore. Dat is waar we vertrokken zijn.’ Wind en motormaalderij Sint Petrus Er
werd verder gefietst. Na zo’n anderhalve kilometer doemde er een molen
aan de overkant van de weg op. Daar gaat opa vast iets over vertellen
voorspelde Louis. En het leek er inderdaad op. Opa maakte aanstalten om
naar de overkant van de weg te gaan. De molen stond als het ware in een
weide waarvan de poort open stond. Ze reden naar binnen en de
voorspelling van Louis kwam uit, opa begon inderdaad te vertellen: ‘In
Leudal hebben ze erg veel molens en de meeste zijn nu en dan te
bezoeken. Deze is ook geregeld van binnen te bezichtigen, alleen nu
niet. Dit is de wind en motormaalderij Sint Petrus. Eerst was er de
windmolen. Een zekere Rutten had al sinds 1892 molenaarservaring
opgebouwd bij de Leumolen. Ook wel de Ursulamolen genoemd, die molen
die in het bos ligt. Maar in 1901 werd deze molen en een woning gebouwd
en kon hier graan gemalen worden. Maar als er geen wind was, kon er
niet gemalen worden, en wie kan er nou leven van de wind?’‘De molenaar’ zei Louis blij. ‘Maar als er geen wind is, kan hij niet leven’ zei opa weer en ging verder. ‘Daarom kwam er in 1914 een zuiggasmotor. Dat is een motor die ook niet vloeibare brandstof aankan als hout, steenkool, veen. Zo werd het ook een motormaalderij. Om mensen van vloeibare brandstoffen te voorzien kwam er in de woning ook een klein café en werden ook brandstoffen en kunstmest verkocht.’ Maar net zoals wieken in een bepaalde stand gezet kunnen worden om rauw, vreugde of iets anders uit te drukken, stond opa zijn gezicht ook in een soort stand om enige teleurstelling uit te drukken. En die lichte hij mondeling toe: ‘Maar het café werd gesloten‘ waarna een korte stilte heerste om te vervolgen met: ‘In 1953 stopte de molen met malen en kwam tot stilstand te staan. De molen was niet meer nodig en verviel langzaam. Het huis werd afgebroken. Rond 1975 begon men weer de waarde van de molen in te zien en werd deze opgeknapt. Toen deze was opgeknapt en weer kon malen, voor de sier, kreeg de molen ook de naam Sint Petrus. En Sint Petrus is de patroonheilige van Roggel die bovendien ook in het oude gemeentewapen van Roggel voorkomt. Ik vind dat vreemd dat zo’n gelovige in het gemeentewapen, dat zou toch neutraal moeten zijn. Van origine is het de molen van Nijken, naar het gebied hier genoemd. ’ Louis hoorde opa wel aan die over de molen van vroeger aan het vertellen was, maar vroeg zich af wat is er nu, dus dat vroeg hij ook: ‘maar als de molen open is, want kan ik dan zien?’ Opa keek naar de gesloten poort en gaf als antwoord: ‘de molenaar natuurlijk en dan kun je de molen in werking zien, precies hoe deze dat ook een eeuw geleden deed toen het meel voor de bakker gemalen werd, compleet met een builmachine, zakkenklopper en graanreiniger. En ze hebben er een oude motor staan die ook voor de aandrijving zorgt om te kunnen malen als het niet waait. Sinds 1983 hebben ze er een originele Thomassen-motor uit 1930 staan. Een Nederlands fabricaat, één cilinder, veertig paardenkrachten, die zo rustig loopt dat een muntje er rechtop kan blijven staan.‘ Aan de rand van de Peel Ondertussen dwaalde de aandacht van de molen af en dat was reden om weer verder te gaan. De weg werd weer overgestoken om het aldaar liggende tweerichtingenfietspad te vervolgen. Toen ze weer vaart hadden zei opa: ‘Zo, nu komen we aan de randen van de Peel.’ Je zag Louis even denken, zo hard dat hij begon te praten: ‘De Peel… Is dat niet waar Rowwen Hèze vandaan komt? ‘ Opa keek even met zijn neus omhoog en daarna weer snel richting aarde waarna het hele hoofd enkele keren omhoog en omlaag ging en zei: ‘Goh, dat jij die kent. Klopt maar wel aan de andere kant van de Peel. De band is genoemd naar rauwe Hesen, een markant figuur die rond de vorige eeuwwisseling in het dorpje America woonde en zelfs als een van de weinig “op” de Peel woonde. Samen met zijn vrouw en die kwam wel weer van deze kant van de Peel, van Roggel. In een primitieve hut woonde ze er zonder veel voorzieningen, met vijf kinderen. Warm was het er niet in die hut.’ Even neuriede Louis een melodietje van een liedje van de band Rowwen Hèze: ‘mmmm… 's oaves laat da stong de Peel in brand. Heeft de Peel dan in brand gestaan?’ Opa keek even om zich heen en zei: ‘De Peel was erg brandbaar en er is af en toe brand geweest. Maar ik denk dat het liedje gaat over het avondrood, de mist die boven de Peel hing. Het is er erg vochtig. En ‘s avonds die rook boven de mysterieuze woeste Peel waar al die verhalen over gaan. Dat onheilspellende. En dat gezien vanuit een kind dat veilig thuis zit en zich afvraagt wat daar in de Peel allemaal gebeurde. Ik zal nog eens naar het liedje luisteren om het echt te begrijpen.’ Dat klonk spannend wat opa vertelde. ‘Maar wát is de Peel dan’ wilde Louis weten. Opa: ‘Een groot gebied vol struiken, bomen, veen en vooral veel water. Soms kun je zo maar wegzakken.’ Even was Louis stil, dat klonk wel heel eng. Opa ging weer verder: ‘Tegenwoordig is het een groot natuurgebied waar ze van die knuppelpaden hebben aangelegd, wandelpaden gemaakt van houten bruggetjes net zoals dat stukje tussen de Elisabethmolen en het Elisabethklooster waar we net begonnen. Maar vroeger was het veel groter. Toen was hier de rand van de Peel, nu ligt deze zo’n vijf kilometer verder.’ Er was nog genoeg te fietsen en Louis wilde steeds meer weten: ‘Maar wat is de Peel nu, hoe is die ontstaan?’ Opa dacht even na hoe hij een eenvoudig antwoord kon geven op een ingewikkelde vraag. Na weer even nagedacht te hebben begon hij: ‘In onze aardbol spelen allerlei krachten, al miljoenen jaren verschuiven aardlagen, krijg je breuken in de grond. Zo heb je hier dwars door de Peel de Peelrandbreuk in de grond. Aan de andere kant van de Peel wordt deze omhoog gedrukt, horsten, de Peelhorst. En aan deze kant omlaag beweegt, slenken. Er ontstaan harde lagen waardoor het water niet kan stromen. Stilstaand water. Dan heb je nog zandstormen gehad. Uiteindelijk begint in duizenden jaren een veenlaag te ontstaan van planten die van onder afsterven en lagen veroorzaken. Ook ontstaan er bomen. Het verhaal zit in werkelijkheid ingewikkelde in elkaar, maar zo ongeveer dus. ‘ Inderdaad lastig dacht Louis. Ondertussen fietste ze rustig verder en kwamen bij een flauwe bocht in de weg naar rechts. Hier was ook een smalle weg naar links. Die fietste ze in om enkele honderden meters verder bij een kruising naar rechts te gaan. Opa verteld verder: ‘dat veen kun je ook goed gebruiken als brandstof. Vanuit Heythuysen en Roggel is hier ook al het nodige veen weg gestoken.‘ Aloysius in Heyblom
Opa ging verder: ‘De katholieke kerk trok zich dat aan en richtte een kloostergemeenschap op om deze kinderen toch een goede toekomst te kunnen bieden. Eentje voor jongens en eentje voor meisjes. Voor de jongens waren dat de Broeders van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten, ook wel de Congregatie van de Broeders met Blauwe Koorden genoemd. Men vond dat sommige jongens niet geschikt waren om in de fabrieken te werken maar op het platteland waren volop mogelijkheden ze een goede toekomst te bieden. Een internaat ofwel een gesticht op het platteland oprichten was het plan. Onder de vlag van Stichting Aloysius kochten de Broeders van de Zeven Smarten een boerderijtje met enkele bijgebouwen met de naam Heyblom. Ook werden er vele hectare overwegend onontgonnen grond bij gekocht dat later werd uitgebreid tot bijna driehonderd hectare. Hier links hebben de gebouwen van het Gesticht Heibloem gestaan.‘ Er werd even opnieuw naar de omgeving te gekeken. Opa ging verder: ‘Er kwamen steeds meer broeders en leerling-broeders bij om de grond te ontginnen en gebouwen te bouwen. Na een jaar van lange dagen kwamen de eerste jongens. Met name maar niet alleen uit Amsterdam. Heibloem was in het hele land bekend. Wellicht ook vanwege de jaarlijkse landelijke collecte die er gehouden werd voor de Heibloem. Om de groei aan te kunnen kwamen er steeds meer gebouwen bij. Het ontginnen, het gebruiksklaar maken van de grond, ging ook door. Rond negentienhonderd woonde hier zo’n driehonderdvijftig jongeren. De hele streek kende toen slechts veertig inwoners. Naast bosbouw, landbouw en veeteelt werd ook begonnen met vakonderwijs te geven. En dan moet je denken aan het beroep van schoenmaker, bakker, smid, kleermaker of timmerman. Ook mensen uit de buurt waren welkom voor zowel onderwijs als een bezoek aan de kerk.’ Opvoeden, onderwijs, kerk, waren niet de meest favoriete onderwerpen voor Louis maar hij bleef toch luisteren naar zijn opa: ‘Maar de Broeders wilde meer, ze kochten enkele kilometers noordelijker, meer noordwest, net buiten Leudal, wederom de nodige hectaren grond. Stokerhorst genaamd. Hier kwam het Sint Vincentiushuis te staan. Een huis voor kinderen en jeugd die veelal met justitie in aanraking waren geweest en opnieuw opgevoed moesten worden. Ook hier werd vakonderwijs gegeven voor schoenmaker, kleermaker of smid. Zowel dit als Heibloem waren kloosters die voor een groot deel zelfvoorzienend waren, voor zichzelf zorgde. Ze maakte er ook hun eigen elektriciteit.‘ Het gezicht van opa begon weer een beetje te betrekken, voorteken van iets ernstigs, hij zei: ‘De Tweede Wereldoorlog ging niet ongemerkt voorbij. Er waren spanningen in het klooster omdat er binnen de muren Duitsgezinde en niet Duitsgezinde waren, en pro NSB en anti NSBers. In 1942 werd het klooster verlaten en namen de Duitsers er hun intrek. Het gebouw heeft erg te leiden gehad van hun aanwezigheid en heeft een hele poos geduurd om dit weer te herstellen. Zo werden vloerplanken gebruikt om te stoken. Stokershorst is tegen het einde van de oorlog zo erg beschoten dat het niet meer de moeite waard was om op te knappen. Slechts een deel is herbouwd, met de oude stenen. Ondertussen was men wel van mening geworden dat grote gestichten niet meer gewenst waren. Heibloem werd afgebroken en kwam er iets nieuws voor de jeugd, de Widdonck. Geheel aangepast aan de nieuwe tijd. Dat zijn nu de gebouwen die je ziet. Langzaam aan vertrokken de Broeders. De oude boerderij en, heel bijzonder voor de jeugd, een brouwerijgebouwtje bestaan nog wel en wonen gewone burgers in. De Broeders keerde na de oorlog niet meer terug naar Stapershorst. Het werd een rustoord voor overspannen moeders en later een Pastoraal Vormingscentrum.’ Louis had weer van alles gehoord, maar hij vroeg
zich toch af: ‘Maar hoe was dat voor die jongens om hier in Heibloem of
in Stokershorst te zitten?’ Opa krabde zich even op zijn voorhoofd en
zei: ‘Het is niet iets waar je in je wieg van
droomt. Fijner is het natuurlijk als je thuis bij een papa en een mama
kunt opgroeien’ waarop Louis prompt zei: ‘en veel met opa op stap kunt
zijn.’ Die opmerking kon opa wel waarderen en vertelde na een glimlach
verder: ‘je kunt je ook afvragen hoe het met
die jongens zou zijn gegaan als ze in Amsterdam waren blijven
rondhangen. Ik weet geen exacte gegevens van de Heibloem en Vincentius,
maar over het algemeen zijn die jongens aardig terecht gekomen, hebben
ze veel aan de Broeders te danken. Neemt niet weg
dat het niet met iedereen even goed gegaan is. Maar dit is een antwoord
over de jongens, hoe ze het zelf ervaren hebben zal voor iedereen
anders zijn. Je moet dat ook in de tijd zien, waar de kerk je toen precies
zei hoe je leven moest. Dit gaf voor veel mensen
duidelijkheid en structuur.’ Heibloem
Het fietspad naar links werd gevolgd. Net voor het tankstation werd
overgestoken en daar werd het dorpje Heibloem in gefietst, de
Isidoorstraat. Niet bij het eerste straatje links maar het tweede
straatje links, achter de kerk, werd ingereden. Maar eenmaal in het
straatje maakte opa direct een rondje in de richting om de straat weer
uit te rijden maar stopte toch net voor het asfalt van de
Isidoorstraat. Hij keek naar de overkant van de straat. Nadat Louis ook
had begrepen welke route zijn opa nam en naast hem stond begon
opa: ‘Toen de Tweede Wereldoorlog begon bestond het dorpje Heibloem nog
niet. Dit was toen gewoon weiland hier.’Louis keek om zich hen en zag toch heus dat hij nu in het centrum van het dorp stond met de kerk, scholen en speelvoorzieningen. Zijn opa gaf uitleg: ‘Nadat de oorlog was begonnen was al snel duidelijk dat het Nederlandse leger niet veel betekende. De soldaten werden al vrij snel ontslagen. Om deze mensen toch aan het werk te houden werd er, nadat er eerst een voorloper was, de NAD opgericht, de Nederlandse Arbeiders Dienst. Hier, recht voor je, werd een kamp opgebouwd. Uiteindelijk werden in heel Nederland honderd van dergelijke kampen opgericht. Als je links of rechts een blokje om deze huizen zou fietsen, zou je om het kamp zijn gefietst.’ ‘Maar wat was dat voor een kamp, wat deden ze daar?’ vroeg Louis zich af. Er stonden verspreid allerlei barakken, twee van steen en de rest met een stenen fundering en verder van hout. Daar sliepen ze en werd gekookt en gegeten, materiaalopslag, etc. En er was een exercitieplaats waar de mannen op commando in rijtjes naast en achter elkaar liepen. ’s Morgens werkte ze aan waterwegen, wegen of herstelde oorlogsschade. ’s Middags gingen ze exerceren of sporten en ’s avonds waren ze helemaal vrij. En daar kregen ze dan geld voor. Tegen het einde van de oorlog bleven ze weg en doken onder. Dat deden ze aan het einde van de oorlog zo massaal dat ze het kamp maar opgeheven hebben. Daarna heeft het kamp nog tot 1947 leeg gestaan waarna de meeste materialen verkocht zijn geworden en is afgebroken. Zoals ik het begrepen heb zijn de twee stenen gebouwtjes blijven staan en die liet de gemeente Roggel verbouwen tot woningen. Die staan er nu nog. In deze straat werd de eerste woning van Heibloem gebouwd.’ Aandacht
bleef Louis luisteren, die oorlog heeft best wel veel te weeg gebracht.
Opa vertelde verder: ‘De oorlog was inmiddels voorbij en alles wat door
de oorlog vernietigd was werd weer langzaam opgebouwd. Mensen uit
de dorpen van de omgeving en personeel van het gesticht zochten een
plekje om te wonen. Hier was de grond immers goedkoop. Her en der
verschenen, met name in de jaren zeventig en tachtig woningen. In
de begintijd bleef de naam “kamp” er aan kleven maar werd
later Heibloem. Om onafhankelijk te zijn van het gesticht kwam er in
1952 een eigen kerk en een school. Het ontwerp van de kerk heeft
opvallend veel overeenkomsten met de kerk van het nabijgelegen Haler.
Er werden ook verschillende clubs opgericht. En zo groeide Heibloem
langzaam uit naar wat het nu is.‘ Even bleven ze nog kijken waarna ze
dan toch de weg ingingen waar ze net ook ingereden waren. Ze kwamen uit
bij de kerk, bij een plein.Daar werd ook gestopt, opa vertelde: ‘Heibloem groeide uit tot een hechte gemeenschap. Zo ging het Jeugdwerk jaarlijks op kamp, met jongens en meisjes in jouw leeftijd. In 1998 gebeurde er iets vreselijks. Een van de jeugdleden was ’s morgens uit de tent verdwenen. Na een grote zoekactie werd de jongen zo’n kilometer verder gevonden, dood…. Er waren verdenkingen dat dit iemand van de leiding had gedaan. Dit heeft tot grote spanningen in het dorp geleid. Later werd er een monument opgericht. De gemeente wilde niet meewerken omdat er werd gedacht dat dit een bevestiging was dat het jeugdwerk er schuldig aan was. De kerk hier vond dat maar onzin, er is een kind uit het leven gerukt. Daar gaat het toch om. Op grond eigendom van de kerk werd dit monument geplaatst.’ Er werd gekeken naar het monument voor de kerk. Louis was toch wel even geschrokken, stel je voor dat hij op kamp ging en niet meer terug kwam. Hij zag onderaan een vlinder en vroeg aan opa: ‘maar wat betekent dit standbeeld nu, die vlinder, die stokken?’ Opa die nogal veel wist legde het uit: ‘Rowwen Hèze heeft er ooit een liedje over gemaakt, vlinder. Dat gaat over deze zaak. Symbool van de vlinder is de onsterfelijke ziel en de kortstondigheid van het leven. In heb ooit eens gehoord dat die verdwenen jongen geregeld bij een vlinderboom in het dorp te vinden was. Het monument staat op een vierkante steen waar het bovenste deel van een bronzen bol op ligt. Daarop twee handen op die open liggen. Daar om heen komen vijf vlierstokken omhoog, net als een geraamte van een tent. Waar de stokken samenkomen ontstaat een wolk. Boven de wolk waar de vlierbessen doorlopen heb je acht vlinders. Op één van die vleugels de naam van de verdwenen jongen. De vader van die jongen heeft zelf nog mee gewerkt aan de bestrating rondom het monument.‘ Nu bleef Louis echt iets langer kijken, stilletjes zei hij: ‘Wat fijn dat het monument er is.’ Ze gingen weer verder fietsen. Het dorp uit, tussen de kerk en de school. Bij de rotonde aangekomen reden ze achter elkaar recht door en staken daarmee de grote weg, de Meijelseweg, weer over. Toen ze weer naast elkaar fietste begon opa te vertellen: ‘Een stukje verder op de Meijelseweg is vroeger Herberg de Troost geweest. Het was altijd erg bemoedigend om daar naar binnen te gaan. Sterk bedacht die horecanaam maar het is gewoon genoemd naar de eigenaar destijds. De zanger van Rowwen Hèze, Jack Poels, kwam er geregeld met zijn moeder. En laat nu net een tweede muziekgroep waar Poels bij is “Herberg de Troost” heten.’ Caluna ‘Wel lekker dat fietsen over het platte land’ merkte Louis op. Het was een vlakke weg waar ze over fietste en tussen het land en de weg was geen echt hoogteverschil te ontdekken. Opa: ‘We zijn inderdaad op het platteland, maar dat heeft niets te maken met het platte land. Platteland wil zeggen dat er veel minder mensen op een bepaalde oppervlakte wonen. Er wonen natuurlijk wel veel meer koeien, varkens en kippen dan in de stad of stedelijk gebied. Hier, met af en toe een dorpje en een verdwaalde oude boerderij, spreken we over het plattelandsgebied. Bij een dorpje in het Zuid-Limburgse heuvelland spreken we ook van een plattelandsgemeente. ‘ Louis keek in de verte. Het land zag er wel anders uit dan de heuvels die hij kende uit Zuid-Limburg. Niet alleen een gebrek aan heuvels, de grond was ook anders. Grijzer, grover en vlakker. De kleur van het groen was ook op de een of andere manier anders. De verdwaalde boerderij was ook al anders van bouwstijl. Veel minder robuust als hij gewend was, de begane grond en een dak. Het was niet waar opa over sprak. Die begon over iets anders: ‘We zijn hier in buurtschap Caluna aangekomen. In het eerste deel van de vorige eeuw zijn hier boerderijen verschenen. In enkele gevallen ter vervanging van een oud boerderijtje. Vaak ook gebouwd als pachtboerderij. Meestal ook met een naam als Mariahoeve, Calunahoeve of Paulahoeve.’ Ondertussen werd lustig verder gefietst. Opa vertelde lustig verder: ‘Een van de hoeves hier in de buurt werd de Fransman genoemd. Drie heren uit Wallonië, het Franstalig deel van België, spraken Frans met elkaar. Vandaar ze het hier de Fransman noemde. Binnen korte tijd wisten ze hier grote stukken grond aan te kopen die vervolgens verpacht werden. Waar de Fransman van bekend is zijn de archeologische vondsten. Hier hebben ergens tussen achtduizend en zeventienduizend voor christusmensen een vaste verblijfplaats gehad die in de loop der tijd het nodige afval hebben achtergelaten waar archeologen van nu blij mee zijn. Zo’n drieduizend stuks aan gebruiksvoorwerpen uit de grond gehaald. Niet iedereen is blij, de boer mag nu niet dieper dan dertig centimeter ploegen. Een stukje noordelijker, bij de Moosthoeve is ook een archeologische vindplaats.’ Louis zag alleen maar grijs-zwart zand en een lange weg voor zich. Opa zag overal verhalen: ‘ Als je hier rechtdoor gaat kom je langs Hendriks graszoden. Een bedrijf dat graszoden kweekt voor in de tuin maar ook voor de grote voetbalstadions in de wereld.’ Ondertussen kwamen ze bij een zijweg met een bordje naar links met Heythuysen. Opa wees zo half naar de weg naar links en Louis begreep dat ze daar verder moesten fietsen. Hollander Toen ze weer naast elkaar fietste begon opa: ‘Hier komen we door het buurtschap Hollander, er zal wel zo’n nadrukkelijke Hollander gewoond hebben haha. ‘ Louis hield zich even stil. Opa ging verder: ‘Ik weet het niet hoor. Maar dit is wel een lange weg zoals je ze ook in de polder hebt. Het lijkt wel een eindeloze weg en toch wil ik hem gebruiken om het zuidelijk deel van de gemeente Leudal over te slaan. Anders gaat het echt te lang duren.’ Louis was van de ene kant blij dat hij dat ook niet hoefde te fietsen, wie weet wat opa nog in petto had vandaag. Van de andere kant vond hij het toch ook wel jammer dat hij niets over de zuidelijke dorpjes hoorde. Daarom vroeg hij ook aan opa: ‘En één dingetje per dorpje dat we overslaan?’ Opa antwoordde: ‘Ok, van enkele dorpjes zal ik één ding vertellen.’ Louis was er de komende kilometers klaar voor, hij keek met een schuin oog naar opa. Die begon: ‘Dan zal ik beginnen met Baexem, Boaksum, Boaoaksum, Boaoaoaksum.’ Louis dacht al te maken hebben met een dorp vol ei-leggende kippen. Opa gaf direct al de verklaring: ’Zo noemen ze het dorp zelf, Boaoaoaoaksem. Een deel van het dorp bestaat uit natuurgebied Exaeten die in de loop der eeuwen vele bewoners heeft gehad.’ Louis dacht direct al aan wilde kippen in het bos. Opa ging verder: ‘In Exaeten, dat "woning onder de eiken" betekent, werd namelijk rond dertienhonderd een landhuis gebouwd dat later een kasteel werd waar verschillende heren en families hebben gewoond. Halverwege de achttiende eeuw werd het tot klooster omgebouwd en kwamen er de Juzuïeten en daarna de Franciscanen in die er een internaat en school hadden. In de Tweede Wereldoorlog kwamen er in een deel de Duitsers in die er een militair ziekenhuis van maakte. Na de oorlog verbleven er kinderen van NSB-ouders. Vanaf 1967 verschenen er Rijkspolitiemensen in opleiding, ME in opleiding. Sinds 1997 worden er asielzoekers opgevangen. Nog bijzonder over Exaeten te vertellen is dat de naam in eerste instantie in gedachte was om de nieuwe fusiegemeente Exaeten te noemen. Het werd Leudal, naar het natuurgebied.‘ Louis keek naar opa of hij uit verteld was over dat ene onderwerp van Baexem. Toen hij zag dat opa uitverteld was zei hij: ‘Leudal klinkt wel aardiger dan Exaeten’ en was even het stil. Op wachtte even af of dat het enige was dat Louis te vertellen had over Baexem. Toen Louis niets meer zei ging opa verder: ‘Ittervoort…. Ittervoort kent ook een groot industrieterrein dat bijna twee keer groter is dan de kern van Ittervoort zelf. Eén van de bedrijven die er gevestigd zijn is Adams Percussion and Brass. Een bedrijf dat de grote en kleine orkesten van over de hele wereld voorziet van slag- en blaasinstrumenten. Ja, ja, zelfs aan André Rieu.’ Dat voelde een beetje als thuiskomen. Onderweg was er af en toe een sterke geur te herkennen die een zelfde geur had als een hoge concentratie boerderijdieren. Dat deerde het tweetal niet, opa beperkte zich niet met zijn ademhaling en vertelde op vol volume verder: ‘Het volgende waar ik iets over wil zeggen is Haler. Daar is een monumentje dat aan de elektrischen draad herinnert.’ Even keek Louis bedenkelijk en zei: ‘elektrischen draad'. Opa knikte en ging verder met zijn verhaal : ‘Ja, de elektrischen draad, ook wel de dodendraad genoemd. Bij de Eerste Wereldoorlog, van 1914 tot 1918, waren de Duitsers België binnengevallen. Vele Belgen vluchtte naar Nederland. Om dat te voorkomen spande de Duitsers een ijzeren draden van Aken tot Cadzand, min of meer langs de hele grens tussen België en Nederland, zo’n driehonderd kilometer. Op deze vijf draden boven elkaar werd tweeduizend volt gezet. Zou je die aanraken was je direct dood, elektrocuteert. Nu was aan beide zijden van de draad ook een draad gespannen zodat je er niet per ongeluk tegen aan kon lopen. Om de twee kilometer was een soldatenpost. Ruim duizend mensen hebben er de dood in gevonden. Soms ook onschuldig, bijvoorbeeld om een boterham of brief door de draad te geven.’ Automatisch fietste Louis iets meer naar het midden van de weg. Aan de zijkant stond prikkeldraad. Opa: ‘Ik ga verder. Grathem is het volgende. In Grathem heb je Kasteel Groot Buggenum.’ Louis had voor hij met opa mee naar Leudal ging al eens op de landkaart gekeken en merkte op: ‘Buggenum is toch ook een dorp in de buurt, heeft dat met elkaar te maken?’ Opa: ‘Zou kunnen maar ze weten het niet. Buggenum komt van buggen hum, beuken heim. Waarschijnlijk twee plekken met dezelfde naam. Het kasteel bestaat al sinds de twaalfde eeuw en werd de eerste eeuwen bewoond door dezelfde familie, de familie Meersen. Daarna stond de verhuiswagen vaker voor de deur. Een Frans regiment maakte er ook gebruik van alleen die staken het bij hun vertrek in brand. Toen heeft het een tijd leeg gestaan totdat een boterhandelaar er eind achttiende eeuw brood in zag. Die liet het afbreken en opnieuw opbouwen. Toen hebben er tijdens de oorlog Duitsers in gezeten. Ditmaal waren het de Engelsen die het kasteel behoorlijk verwoeste. Het bleef enkele decennia lang leeg staan totdat een Duitse architect, professor Helmut Heintrich, het weer liet afbreken en volgens oude tekening en oude materialen opnieuw opbouwde als tweede verblijf. Er kwam ook een mooie tuin. Maar hij was er niet vaak. Hij werd steeds ouder en vroeg zich af wat hij er mee moest. Op voorwaarde dat het kasteel en tuin in tact bleef en hij er tot zijn dood gebruik van mocht maken verkocht hij het voor één euro aan de Provincie Limburg. En die is er nog steeds eigenaar van. Het wordt gebruikt voor feesten en het was de eerste locatie buiten het gemeentehuis waar je officieel kon trouwen. Dat scheelde weer in de vervoerskosten van gemeentehuis naar feestlocatie.’ Louis was een beetje de draad in het verhaal kwijt geraakt. Gelukkig beperkte opa zich door maar één ding per dorpje te vertellen. Het was een lange weg waarover ze fietste, de weg was wel lekker vlak. Opa ging ongestoord verder: ‘Dan hebben we Ell. In Ell is een officieel weerstation van het KNMI. Het is de opvolger van het weerstation van Oost Maarland dat weer de opvolger is van weerstation Maastricht. Weerstation Maastricht is lange tijd recordhouder geweest van hoogst gemeten temperatuur ooit in Limburg. Ondanks de zandgrond bij Ell is daar geen record gevestigd. Daar heb je namelijk een boer bij het meetstation die zijn land bij warm weer met water sproeit en daarmee de temperatuur uit de omgeving omlaag haalt. Bij een stralend weer werd er ooit s zelfs regen gemeten.’ Louis straalde een zonnig gezicht uit. ‘Tja’ begon opa weer, ‘Als ik nu niets vertel over Kelpen-Oler zal ik dan nog iets anders vertellen over Ell?’ Dat maakte Louis nieuwsgierig. Kelpen-Oler had hij wel eens als afslag bij de autoweg gezien. Hij liet zich verleiden door opa en knikte van ja. Opa wist wel dat Louis ja zou zeggen en begon: ‘In Ell heb je de Ellerschans. De schans van Eller. Tijdens de Tachtigjarige oorlog kregen de Spaanse soldaten soms niet betaalt en gingen dan op plundertocht. Vandaar dat dorpen een schans bouwde, een met grond en doornstruiken ommuurd gebiedje met water er om heen waarbinnen ze dan met hun vee en kostbaarheden verbleven. Vele dorpen hadden een dergelijke schans maar die zijn verdwenen. Enige jaren geleden hebben ze deze schans uit 1640 ten noorden van Ell in de Busstraat ontdekt. Om de resten in de bodem niet verder te verstoren is er naast, ten noorden, een replica op ware grootte gebouwd.’ Dat vond Louis wel jammer dat hij die niet kon zien. Wie weet op de terugweg. Opa ging door: ‘Er is nog meer oorlogsgeweld geweest. In Hunsel is, net als op meer plekken in het Leudal in de Tweede Wereldoorlog een Lancester bommenwerper neergestort en zijn de bemanningsleden omgekomen. Op vijftig meter afstand van de plek waar het toestel is neergekomen is vijfenzestig jaar later een monument gekomen waar onderdelen van het neergestorte toestel in verwerkt zijn. De bemanning ligt op het plaatselijk kerkhof.’ Even was het weer stil en was alleen het geluid van de rollende fietsbanden te horen. ‘Jeetje’ onderbrak Louis de stilte, ‘er heeft zich hier ook van alles afgespeeld in de oorlog.’ Weer was het even stil waarop opa zei: ‘Het is maar een kruimeltje wat ik je vertel over de oorlog die zich hier afspeelde.’ Ondertussen begon Louis zich af te vragen hoe ver het nog was. Het waren grote boerderijen waar ze langs fietste. De woonhuizen van de boeren waren ook groot met meestal een uitgebreide goed verzorgde tuin om het huis. Veel ruimer als hij gewend was. Opa voelde Louis goed aan en begon met: ‘De laatste plaats waar ik iets over zeg, langs deze weg, is Neeritter.’ Dan zal de weg ook niet meer zo lang zijn bedacht Louis zich en die vond de weg ineens weer een stuk korter worden. Opa ging verder met de laatste plaats te benoemen waar ze niet naar toe gingen: ‘In 1864 werd in Neeritter Gerard Krekelberg geboren. Dit grensplaatsje met België had, en heeft nog steeds, tegen de grens aan kasteel Borgitter. En daar stonden eikenbomen in de tuin. Die bomen beschreef Krekelberg in een lied waar Henri Tijsen de melodie voor maakte. Dat werd in 1909 voor het eerst gezongen. In 1939 werd dit het officiële volkslied van Limburg, “Waar in bronsgroen eikenhout”. Het was in een tijd dat de identiteit van Limburg sterk ontwikkelt werd. Limburg is een provincie met nogal veel verschillen, ook qua taal. Er werd in delen Duits gesproken, Frans, Nederlands en in de vele dialecten. Toch was het een lied dat de provincie met elkaar verbond. Het zingen van dergelijke volksliederen werd ook gestimuleerd, het kweken van identiteit en trots. Mannenkoren zongen het lied door het gehele land. Het is in geheel Nederland het bekendste volkslied van een provincie. Een ruime meerderheid van de Limburgers kent het lied ook. Het lied wordt nog steeds vaak gespeeld en gezongen door klassieke gezelschappen maar ook popbands zingen het vol trots. En natuurlijk bij het kampvuur. Het is ook het volkslied van Belgisch Limburg waar het erg bekend is.’ Louis kende het liedje inderdaad ook zelf maar vroeg zich toch af: ‘Maar waarom is het dan eigenlijk in het Nederlands?’ Opa knikte bedenkelijk, dat was een goede vraag. Na een momentje kwam opa toch met een antwoord: ‘Het is niet geschreven als hèt volkslied. Het was een bekend nummer dat van zuid tot noord Limburg erg populair was. De provincie Limburg bij Nederland bestaat en bestond nog niet zo lang, Wellicht om toch de verbondenheid met Nederland te benadrukken. In 1939 werd er voor het Nederlands deel van Limburg ook een couplet aan toegevoegd waar het Koningshuis en Nederland wordt geroemd. Ook weer die relatie met Nederland.’ Nu het Limburgs volkslied zo in gedachte was gekomen, bleef ook de melodie in het hoofd hangen. Opa begon dan ook met zingen: ‘Waar in ‘t bronsgroen eikenhout, nachtegaaltje zingt.’ Op dat moment ging Louis meezingen: ‘Over ’t malse korenveld, ’t lied des leeuweriks klinkt. Waar de hoorn des herders schalt, langs der beekjes boord.’ En toen beide uit volle borst: ‘Daar is mijn vaderland, Limburgs dierbaar oord. Daar is mijn vaderland, Limburgs dierbaar oord.’ De Kreppel Ondertussen
waren ze de bebouwde kom van Heythuysen ingereden. Direct erna was een
weg naar rechts, die namen ze. Er was een lichte knik naar rechts en
even verder wederom een licht knik naar rechts waar links een straat
was. Deze straat, de Franciscanessenstraat werd ingereden. Er was een
groot gebouw te zien met een kerktoren. Louis keek goed om zich heen,
ook naar de straatnaambordjes. Bijna aan het einde was rechts de
Pastoor van der Zandtstraat en echt aan het einde de Catharina
Daemenstraat. Voor de muur reden ze links tussen de paaltjes door.Waar links parkeerplekjes waren stopte opa. Een teken dat hij iets ging vertellen: ‘In 1787 werd er in een boerderijtje in Ohé en Laak, zo’n twintig a dertig kilometer hier vandaan, een aardig meisje geboren. Dat aardige meisje ging toen ze ouder werd voor haar beroep huishoudelijk werk doen in Maaseik. Ze trad in bij de Capucinessen. Petrus van der Zandt, de pastoor van hier in Heythuysen destijds, vroeg aan die Orde of ze een onderwijs wilde geven in Heythuysen. Alleen dat meisje, Catharina Damen, had er zin in. Dat was een tegenvaller voor de pastoor dat slechts één meisje wilde komen en dat ook nog weinig scholing had gehad. Maar ze kwam naar Heythuysen en enkele jaren later waren er vier vrouwen die bij haar waren komen wonen en leefde naar de regels van de Derde Orde van Franciscus. In 1835 werd het echt serieus. Ze kochten een vervallen landgoed met boerderij, de Kreppel, en gingen er wonen. Dat is hier op deze plek gebeurd. Het werd een echt klooster, Catharina liet zich niet baas noemen maar Moeder. Zo kun je als maagd toch nog moeder worden. Ze kreeg als kloosternaam Magdalena.’ Louis begon wat sprongetjes te maken dat hij iets wilde zeggen. Toen opa even uitverteld was kon hij eindelijk iets zeggen: ‘Opa, dus de Catharina Damenstraat en de Pastoor van Zandtstraat hebben met de klooster te maken. Opa knikte van ja en zei er bij: ‘Klopt, en ook de Franciscanessenstraat’ en ging verder met zijn verhaal: ‘Wil er een straat naar je genoemd worden heb je wel iets bijzonders gedaan, en dat is ook gebeurd. Er hebben de nodige verbouwingen plaatsgevonden, het is steeds groter geworden. Van het oorspronkelijke huis staat nog slechts ergens een klein muurtje. Naast de functie van klooster is er ook een deftig pensionaat geweest, een opleiding, naar bejaarden- en verzorgingshuis voor zusters en niet zusters wat het nu is.’ Er was al zoveel verteld over de Tweede Wereldoorlog dat Louis zich afvroeg: ‘Hebben de Duitsers dit klooster ook ontdekt?’ Ook nu knikte opa en zei: ‘Ja… Er is hier een “Reichsschule für Mädel” geweest. Alleen de beste van de beste leerlingen mochten deze school bezoeken. In Nederland waren er twee van dergelijke scholen, voor jongens in Valkenburg en voor meisjes hier. Er werden de elite van de toekomst gekweekt. In een strak regime waarin het zelfstandig denken werd uitgeschakeld. Voor de jongens lagen hoge functies in het verschiet. De meisjes hier werden opgeleid om vooral een goede moeder te zijn. Echt gezellig ging het er niet aan toe. De onderwijzeressen en directie waren ook niet van geweldige kwaliteit. Toen de droom van het Derde Rijk voorbij was en de meisjes terugkeerde naar huis waren het ware slachtoffers geworden.’ ‘Gaven de zusters dan geen les?’ vroeg Louis. Opa zette grote ogen op en riep: ‘Neeeee, was toch niet de bedoeling om vrome meisjes op te leiden. Nee, toen de Duitsers hier in 1942 het klooster binnen vielen, moesten de zusters het verlaten en mochten slechts enkele spulletjes mee nemen. Enkele zusters bleven wel achter om voor de bezetters huishoudelijke taken uit te voeren. Dat moet vreselijk zijn geweest voor ze. De heiligen beelden in de tuin werden als klimtoestel gebruikt. De katholieke sfeer van de begintijd werd steeds meer Duits. De geborgen sfeer van weleer was ver te zoeken. De hygiëne was er ook slecht, maar dat lag zeker niet aan die enkele zusters.’ Even was het weer stil waarna opa de draad oppakte: ‘Maar terug naar Magdalena. Zij stond niet alleen aan het begin van dit klooster. Vanuit hier ontstonden ook andere kloosters. Niet alleen hier in Heythuysen, niet alleen in Limburg, niet alleen in Nederland maar over de hele wereld. Van cijfers van een tijdje terug weet ik dat er honderdveertig kloosters waren waarvan drieëndertig in Nederland. Ook in Duitsland, Polen, Indonesië, de Verenigde Staten, Brazilië, Tanzania, Italië, Guatemala, Libië en Mexico. Momenteel zijn er nog ruim tweeduizend zusters die in de sporen leven van Magdalena. In de vette ruime honderd jaar dat de gemeenschap bestaat zijn dat natuurlijk er een veelvoud geweest. De Franciscanessen van Heythuysen worden ze genoemd. Het zijn niet alleen kloosters geweest, ook instellingen voor onderwijs en verpleging. En daar kwamewn ook vele mensen over de vloer. Allemaal hier begonnen, door dat meisje zonder al te veel studie.’ Heythuysen Louis
keek tegen het gebouw en mompelde iets van: ‘het is echt een groot
gebouw.’ Ze kwamen weer in beweging. Aan het einde van het straatje
werd links afgeslagen. De naderende rotonde werd overgestoken. Daar
werd de Kloosterstraat vervolgd. Het was al zo'n achthonderd jaar de
doorgaande weg van Heythuysen. Opa was een tijdje stil geweest maar
begon toch weer: ‘Heitse, noemen ze het nu zelf hier. De officiële
schrijfwijze is nog wel eens veranderd, Heythuysen, Heijthuizen,
Heythuijzen, Heithuizen, Heijthuisen. Ontstaan als huis op de heide,
heidehuis. Je begrijpt dat er ondertussen geen heidehuisjes meer zijn, echt oud zijn de huizen ook niet hier. Enkele wat oudere
huizen zijn er nog wel. Het was hier iets hoger gelegen nabij de
Bevelandse- en Tungelroyse Beek, vandaar ze hier hun hutjes hebben gebouwd.‘Het tweetal fietste al om zich heen kijkend door de straat. Rechts verscheen een café, Klein Paries genaamd. Ojee dacht Louis. Hij wist dat opa nog wel eens de behoefte had om een café te passeren door de voordeur naar binnen te gaan en weer uit te komen. Het café was echter dicht. Zijn mond niet: ‘Heythuysenaren noemen hun dorp wel eens vol trots “Klein Paries” en daar wordt nog wel eens op geschamperd door de buitenstaander. Echter, het betekent niet dat Heythuysen net zo bruisend als Parijs is, maar dat het in de Franse tijd een tijdje de hoofdzetel was van een kanton, een deel van het gebied van het departement Nedermaas. Het kleine gezag van Parijs.’
Ze kwamen bij een pleintje met geparkeerde auto’s. Opa fietste voor
Louis uit het pleintje met de auto’s op en stopte. Ze keken even om
zich heen en opa begon weer: ‘Als je hier even om je heen kijkt, dan
zien je oude huizen, nieuwe huizen, laag- en hoogbouw, verschillende
afstand van de straat of zelfs doorgangen, oud en recent, mooi en
lelijk, met dat park een open zicht en met de bebouwing ook een
besloten zicht. Dat grote gebouw in de hoek met golvende lijnen is het
voormalig gemeentehuis geweest toen Heythuysen nog een zelfstandige
gemeente was. Toen het gemeentehuis gebouwd er stond vond men dat er
ook iets van kunst bij moest zijn dat paste in de omgeving. Het werd
het torentje en het paard dat hier op het plein staat. Het torentje is
een zogenaamde follie, onnuttig bouwwerk. Geplaatst aan de rand van het
park dat ooit de tuin van notaris Rutten was alwaar ook follies in
hebben gestaan. Moderne stijl maar ook een vorm die refereert aan de
oude bebouwing. Je zou er ook nog een podium in kunnen zien. Het witte
paard dat zonder sokkel op de grond staat, de verbinding zoekt met
mensen, is vooral een droompaard. Waar de bruidegom als prins op het
witte paard naar de bruid in het gemeentehuis gaat of het paard van
Sint Nicolaas, de patroonheilige van hier in Heythuysen.’ Louis
probeerde te begrijpen waar opa het over had maar was toch eerder
geneigd te zeggen “droom maar verder”. Hij zweeg echter. Ze gingen
verder de winkelstraat door.Er kwamen af en toe auto’s door de best wel smalle straat. Dat was dus even opletten met fietsen. Vele winkels, groot en klein waren er te vinden. Toen ze weer even naast elkaar fietste kon opa ook weer ’s wat vertellen: ‘Hier rechts op de hoek is orgelbouwer Verschueren geweest. Drie generaties bouwde en restaureerde men hier ambachtelijk complete kerkorgels. Voornamelijk in Limburg maar ook verder het land en buitenland in. Ondertussen is het bedrijf overgegaan in een stichting en zijn verhuisd naar elders hier in de gemeente.’ Missiekapel Louis
bleef maar om zich heen kijken. Zelfs in de winkelstraat waren de
huizen lager als hij ze kende. Ze kwamen bij een langgerekt pleintje
met…. een café. Opeens week opa van de route af om zijn fiets te
stallen. Louis begreep dat er iets bij opa gesmeerd moest worden. Niet
veel later zat opa achter een eenvoudig pils en Louis achter een cola.
Na de eerste slokjes was er weer gespreksstof. Althans, opa had
gespreksstof: ‘Weet niet of je dat Romeins tempeltje in de hoek hebt
gezien, nou dat is geen Romeins tempeltje maar is het Missiehuisje.’Op Youtube had Louis wel eens een flitsende man gezien in een mooi pak, sneakers, gebruind, gladde huid, dagelijks bij de barbier op bezoek, om tussen flitsende beelden door drukdoende zijn missie te vertellen. Maar de link tussen dit gebouwtje en de missie van die man kon hij toch niet leggen en vroeg: ‘missie?’ Opa was groot geworden met missiezusters waar je zilverpapieren verpakkingsmateriaal van de chocolade, die je eens per twee weken kreeg, voor spaarde. De opbrengst hiervan werd gebruikt werd om Gods verhaal in Afrika te verkondigen. Met dit als uitgangspunt begon opa aan de uitleg van de missiekapel: ‘Missie is het nastreven van een doel, de verkondiging van het katholieke geloof bijvoorbeeld dat destijds zusters en paters in Afrika deden. Dit gebouwtje is van medio negentiende eeuw. Toen was het katholieke geloof een tijdje verbannen geweest en mocht het weer openlijk gevierd worden.‘ Opa nam een slokje en ging weer verder: ‘Een van de manieren om het geloof terug onder de mensen te brengen waren de missieweken. Er werd een kruis door het dorp gedragen. Ook kwamen drie paters van het klooster van Wittem naar Heythuysen om zogenaamde donderpreken te houden en instructies te geven. Het kruis werd in beginsel in de kerk geplaatst met standbeelden van Maria en Johannes er bij. Dit noemde ze de missiegroep. Nu werd de kerk uitgebreid, werd een stuk groter maar was geen plek meer om de missegroep te tonen als er de missieweken waren. De aannemer die de uitbreiding bouwde van de kerk, doneerde deze missiekapel om daar de missiegroep in te tonen.’ Al had Louis geen idee wat donderpreken waren, hij begreep het ongeveer. Zijn opa ging verder: ‘De missieweken hielden begin twintigste eeuw op te bestaan en het gebouwtje kreeg diverse bestemmingen. Het werd lijkenhuisje in een tijd dat rondom de kerk het kerkhof was, leslokaaltje, clublokaal van de Welpen en Jonge Garde en opslagplaats. Tijdens de oorlog was het opslagplaats van beelden geweest van de Kreppel toen er de Duitsers in zaten. En later als opslag van de kerk. Het kwam leeg te staan en het verviel. Men wilde het afbreken maar daar stak de minister een stokje omhoog voor. Een uniek voorbeeld van neoclassicistische stijl in Nederland mocht niet verdwijnen. Het werd weer opgeknapt. Er werden allerlei bestemmingen voor bedacht. Uiteindelijk werd het een ruimte waar bij toerbeurt kunstenaars hun werken kunnen laten zien.’ Even was het stil waarna opa er nog aan toevoegde: ‘Of het nu een stokje was dat de minister omhoog stak weet ik niet. Kan ook een wijsvingertje zijn.’ Louis keek hoe opa aan zijn bierglas dronk. De pink onder het glas, twee vingers plus duim om het glas en zijn wijsvinger stak recht vooruit. Apart vond Louis. Niet apart was dat opa na het neerzetten van het glas overging naar het volgende onderwerp, de kerk: ‘Aan de kerk van Heythuysen, de Sint Nicolaaskerk, is in de loop der eeuwen uitgebreid en opgeknapt. Enkele tientallen jaren geleden is er een heel nieuw dak opgekomen. Er was schade opgetreden, allerlei hoefachtige beschadigingen, verspreid over het hele dak.‘ De ogen van Louis keken een kortstondig moment naar boven waarna opa verder ging met zijn verhaal. Het dak, een leiendak, is door iemand uit het dorp met zijn zoon gemaakt. Samen verwerkte ze vierenzestigduizend leien maal twee koperen spijkers en driezuiend kilo lood. Toen ze klaar waren werden in de dakgoot een viertal hele zachte pantoffeltjes gezet en sinds die tijd zijn er ook geen pannen meer stuk gegaan.’ Dit was het moment dat Louis nogmaals kortstondig naar boven keek en vroeg te vertrekken. Dat deden ze dan ook. Opa rekende af en stapte weer op de fiets. Ze fietste verder door de Dorpstraat, langs de kerk. Gemeentehuis De
kruising staken ze over, opa vertelde: ‘De straat rechts is de
Biesstraat. Nu is het een straat maar honderd jaar geleden, toen
Heythuysen vrijwel alleen langs de straat bebouwd was waar we net
doorheen fietste, was dit een buurtschapje, net als Walk waar we straks
aan de overkant van de rotonde doorheen komen.’ Huizen stonden
weer verder van elkaar af en waren ook minder hoog. Het centrum van
Heythuysen en daarmee Leudal werd langzaam verlaten. Automatisch gingen
ze van de Dorpsstraat naar de Walk, het andere voormalige buurtschapje.
Rechts, verder van de weg af was Beek en Bos, een zorgcentrum. Ze
kwamen bij een ruime rotonde. Aan de overkant stond in het groen een
groot gebouw met veel glas in het midden met een onderdoorgang. ‘Wat is
dat voor een gebouw?’ wilde Louis graag weten.Opa hield een kort momentje verticaal zijn wijsvinger voor de mond, en zei: ‘pssssst, hier zijn ambtenaren.’ Ze staken de rotonde over en opa stopte voor de plek waar ambtenaren waren. Er was overigens geen beweging te herkennen. Heel gedempt begon opa te praten: ‘In 2007 werden de gemeenten Haelen, Heythuysen, Hunsel, Roggel en Neer samengevoegd tot de gemeente Leudal. Elke voormalige gemeente had een eigen gemeentehuis maar men gaf de voorkeur in één gebouw samen te zijn. Als locatie werd voor Heythuysen gekozen omdat dit de grootste plaats was, centraal gelegen en goed bereikbaar. In Heythuysen zelf was er geen plek om zo’n groot gebouw neer te zetten en koos om het hier aan de rand te bouwen waarbij het wel de verbinding moest hebben met het omliggende landelijke en agrarische buitengebied. Achter dat ronde glas is de raadszaal waar de gemeenteraad vergadert en waar de besluiten worden genomen. Dat grote raam is gericht op het dorp, de gemeenschap. In de onderdoorgang heb je de deur naar de raadszaal en kom je op een binnenplaats waardoor je in feite midden in het gemeentehuis staat. Open binnenplaats en het glas van de raadzaal staat symbool voor de openbaarheid van bestuur. Kijk ook even naar de vlaggen die aan de masten wapperen. De vlag met het logo met die kleuren herken je nu wel, maar hier heb je ook de gele officiële vlag van de gemeente tussen hangen. Die is weer afgeleid van het wapen. Kom we gaan even naar de andere kant kijken waar de andere ingang is.’ Ze reden rechts langs het gebouw en kwamen bij een parkeerplaats met veel groen. Voor de ingang werd weer gestopt. Hier was ook weer veel glas te zien. Opa begon weer: ‘Hier ga je naar binnen als een ambtenaar iets voor je moet doen. Bijvoorbeeld voor een paspoort of bouwvergunning. En zie je het wapen van de gemeente op de ramen?’ Louis knikte, opa ging verder: ‘dat is het wapen dat in werkelijkheid ook kleuren heeft, net als de vlag.’ ‘Maar
wat betekent dat wapen dan en wat is het verschil met het kleurig
tekentje met streepjes dat bij de grens van de gemeente staat en waar
ook die gele vlag van was?‘ wilde Louis weten. Opa bewoog even zijn
lippen zonder iets te zeggen, maar na even geduld te hebben begon hij
met zijn uitleg: ‘Toen de vier gemeenten samen waren gegaan kwam de
vraag “welke identiteit hebben we, wie zijn we”. Met het wapen wordt
naar het verleden gekeken en is tijdloos. Het logo is iets van nu en
dat wordt dan ook om de zoveel jaren vervangen door zich aan de tijd
aan te passen. In het wapen van Leudal zit van elk wapen van de vorige
gemeenten wel iets. Nu is het zo dat lange tijd het grondgebied van het
noordelijk deel van Leudal behoorde tot de Graven van Horn en het
zuidelijk deel tot het Vorstendom van Thorn. De drie horens staat
voor de macht van de Graven van Horn. Er wordt ook gezegd dat die hoorn
afkomstig is van de bocht in de Maas toen deze nog bij het kasteel van
Horn stroomde. Horn was onafhankelijk en dat zie je terug in de kroon
met vijf bladeren. Thorn zie je terug in de staf met krul en die staat
voor de geestelijke macht. Op de achtergrond een zweetdoek die aangeeft
dat het om de macht in de abdij gaat. Achthonderd jaar was dit
een machtige bolwerkje, door vrouwen geleid.’Louis deed een stapje naar achteren. Keek even om zich heen en merkte op: ‘Best wel ruimtelijk hier, natuurlijke uitstraling. Opa knikte en zei: ‘Een mooie overloop tussen het landelijke en agrarische buitengebied hier. In de groenvoorziening staan ruim honderdvijftig plantensoorten. En daar zitten zeldzame exemplaren bij. Net als de ambtenaren in het gebouw.’ Opa draaide zich weer naar het gemeentehuis en ging verder: ‘De gemeente heeft een voorbeeldfunctie als het gaat om duurzaamheid, het evenwicht tussen mensen, milieu en economische omstandigheden. Dit huis is dan ook duurzaam gebouwd qua isolatie maar ook de energievoorziening. Zo wordt diep onder de grond warmte en koude opgeslagen. Het dak hier in het midden staat vol kleine vetplantjes, sedum, en dat is energie en kosten besparend. Goed voor het milieu en economisch gebruik van dit gebouw. Hoe de ambtenaar naar de menselijke factor vertaalt wordt kan ik je eventjes niet vertellen.’ Grafveld Busjop Ze
hadden genoeg gezien. Fietste verder om het gebouw heen en kwamen weer
bij de weg uit, de Walk genaamd. Daar over het fietspad naar
rechts. Vlak achter het bord “einde bebouwde kom Heythuysen” gingen ze
weer rechts. Deze smallere weg werd gevolgd. Waar de weg rechtdoor het
bos in ging, fietste ze naar rechts. Het was er allemaal vlak. Een
stukje verder was er rechts een parkeerplaats en even verder een
kruising. Bij de kruising naar links, lang de horecagelegenheid , de
Busjop genaamd, richting het bos. Enkele tientallen meters verder Links
stond een bord “Leudal” en rechts een informatiebord. Een stukje verder
stopte opa eindelijk. De verharde weg was inmiddels een zandpad
geworden.Ze keken naar een open hei-achtige vlakte aan met daarom heen bos. Hier en daar waren enige afgevlakte bolling te herkennen. Opa wees naar één van die bollingen en zei: ‘Je zou denken dat cremeren iets van de laatste tijd is maar dat is niet zo. Duizenden jaren voor christus gebeurde dat ook al. Het opstoken van het vuur ging nog niet zo goed als tegenwoordig waardoor het niet helemaal tot as was vergaan. Soms waren verbrande botten zo te herkennen. De resten werden in een oude pot gedaan en begraven. En dan een hele bult grond er over. En dat is wat je hier nog steeds ziet.’ Al vond Louis het fris ruiken, hij besefte dat ze nu op een oude begraafplaats stonden. Het verbaasde hem dat hij dat na al die jaren, duizenden jaren zelfs nog kon zien en vroeg bevestigend: ‘Goh, en dat kunnen we dus nog steeds zien?’ Opa knikte voorzichtig ja en zei: ‘Ja, maar het is ook vergeten en toen het weer ontdekt was is het niet altijd in de belangstelling gestaan. Er zijn wel al enkele onderzoeken geweest, rond 2011 de laatste. Toen is het gebied ook ontdaan voor begroeiing. Ondertussen groeide er jolig de bomen op. De heuvels waren en zijn maximaal een halve meter. Een gebied met zeventien bollingen zijn er nu zichtbaar gemaakt maar het zijn er zeker vijftig. Ze zijn er ontstaan in de periode in 600 tot 1000 jaar voor christus. De heuvels waren in de begintijd van een afstand goed te zien en het gebied is enkele hectare groot.’ Dat Louis ooit zelf onder zo’n bolling voor duizenden jaren zou komen te liggen vond hij wel een stoere gedachte. Ze keken nog even naar de glooiingen toen opa weer aanstalten maakte om verder te gaan. De fietsen werden de andere kant opgedraaid zodat ze weer terug fietste. Ze kwamen weer langs de horecagelegenheid met de naam Busjop. ‘Ligt er onder die heuvels soms een bisschop begraven?’ wilde Louis weten. Nu schudde opa van nee en voegde daar aan toe: ‘In de tijd toen deze graven ontstonden waren er nog geen bisschoppen en cremeren hoort eigenlijk ook niet bij de katholieke kerk. Nee, waarschijnlijk heeft in de Busjop, in de tijd dat het nog een boerderij was, iemand gewoond met de familienaam Bisschops. Het omliggend land werd dan ook naar de boer genoemd.’ Bij de kruising gingen ze naar links en volgde de weg. Voorbij een weg naar links was een hekwerk te herkennen. Opa wees naar links: ‘Hier is een helikopterhaven, maar de helikopter is gevlogen’ zei opa een beetje gniffelend. Bij een grote doorgaande weg aangekomen keken ze goed uit en staken over om vervolgens links het fietspad af te rijden. Dubois en de Bedelaar Ze
fietste bijna ongemerkt over de Tungelroysebeek en verlieten de
bebouwde kom van Heythuysen en kwamen in bosgebied. Een mooi fietspad
dat vrij van de drukke weg lag. Er was nu ook een glooiing te zien in
de weg, helaas berg op. Na een kilometer en bij enkele flauwe bochten,
een stukje voor de spoorweg overgang, stopte opa waarna Louis volgde.Een teken dat opa weer iets te vertellen had: ‘Hier staan we op de Professor Duboisweg en dat is de oud bewoner geweest van de Bedelaar, het huis en het achtendertig hectare grote domein aan de overkant van de weg. Eugene Dubois is beroemd geworden door het vinden van de zogenaamde missing link tussen de aap en de mens. In Java, Indonesië, is hij op zoek geweest en vond er een dijbeen, kies en een schedel met zowel aapachtige als mensachtige kenmerken. Hiermee vond hij de schakel, de beroemde missing link, tussen aap en mens en werd aapmens genoemd. Daarbij nam hij kistenvol andere vondsten naar Nederland en die zijn nu in een museum ondergebracht.’ Louis was nog steeds in afwachting waarom zo’n ontdekker van mensen zo afgelegen woonde. Maar opa bracht ook nu weer verduidelijking: ‘Er waren echter nogal twijfels over zijn vondsten en beweringen en dat heeft hem doen besluiten het op een andere boeg te gooien en met een ander deel van zijn interesse zich bezig te houden. Sinds 1906 had hier al een houten buitenhuisje wat er trouwens nog steeds staat. Voor verder onderzoek wilde hij dit gebied omvormen tot een oer-natuurgebied die hij als proeftuin ging gebruiken. Oorspronkelijk was dit maar een kaal gebied. Tal van exotische boomsoorten werden er gepland en zaden uit het buitenland gehaald. Er is ook een ven met speciale beplanting geweest en er werd ook aan het waterpeil gesleuteld. In 1910 liet hij de villa bouwen die je aan het einde van de oprit een beetje ziet. Hij woonde in Amsterdam, maar vanaf 1937 is hij hier komen wonen tot aan zijn dood in 1940.’ Langzaam aan werd het duidelijker waarom hij hier woonde, maar opa vertelde verder: ‘Het ijs dat op het ven gevormd werd, werd bewaard in een ijskelder die in 1915 gebouwd werd. Nu zie je daar een klein toegangsgebouwtje naar de kelder. In 1916 bouwde hij een houten vleermuistoren. Het was een experiment om vleermuizen te kweken die de malariamug op een natuurlijke wijze kon bestrijden. In 1937 werd een vijftien meter hoge uilen- en vleermuistoren gebouwd, ook weer voor onderzoek. Via een warmte kanaal werd deze ‘s winters gestookt om de vleermuizen hier te houden. Al die bouwwerken bestaan nog steeds en zijn rijksmonument geworden. De villa is tijdens het leven van Dubois nog verhoogd en na zijn dood verder uitgebreid en heeft tal van bestemmingen gehad. Onder andere een rusthuis, klooster, hotel en een woonvoorziening.’ Even was het stil. Een kleine rimpel verscheen op het voorhoofd van Louis waarna hij vroeg: ‘Was die Dubois een bedelaar?’ Zonder enig moment van nadenken aan de zijde van opa riep deze: ‘Owwwneee…. Hij werd in 1858 in Eijsden geboren in een katholiek gezin waar als zoon van de plaatselijke apotheek en burgemeester. Als kind ging hij in de omgeving van Eijsden op onderzoek uit in de natuur en groeves. Hij ging op verschillende plekken in Nederland studeren en werd hoogleraar en conservator. En nog veel meer. Hij liet dit landgoed ombouwen tot een groot onderzoeksgebied. Nee, een bedelaar kun je hem niet noemen. Er bestaat een legende dat op de plek van het grote meer een kasteel heeft gestaan. Op kerstavond werd er uitbundig feest in gevierd. Toen de kasteelheer even een luchtje wilde scheppen trof hij een er bedelaar die voor een overnachtingsplek vroeg. De bedelaar werd door de kasteelheer bruut weggestuurd. De bedelaar sprak een vloek uit en om twaalf uur ’s nachts verdween het kasteel in de grond, precies op de plek waar nu het grote ven is. Dat ven heet nu de Grote Bedelaar. Het schijnt dat je op kerstavond, om twaalf uur je er nog een klokje hoort luiden, van het klokje uit het kasteeltorentje.’ Even bleef Louis nog nadenken om vervolgens te vragen: ‘En is er nog een missing link in het verhaal tussen katholiek gezin en kerstmis?’ Opa vroeg zich even af waar zijn kleinzoon deze woorden vandaan haalde. Maar toen opa zich realiseerde dat hij daar zelf net over sprak, gaf hij als antwoord: 'nee, niks met kerstmis, maar de katholieken, zoals hij opgevoed was, gaan uit van het scheppingsverhaal van Adam en Eva. Hij had net wetenschappelijk ontdekt de missing link in de evolutietheorie en dat is niet katholiek meer te noemen. Hoewel hij hier wel gestorven is, is hij hier niet op de katholieke begraafplaats terechtgekomen maar in Venlo op een plek voor niet gelovigen. Daar kwam hij beter tot rust.’ Er was genoeg verteld. Ze gingen verder over het fietspad en kwamen al snel bij de spoorwegovergang die ze hobbelend overstaken om het fietspad verder te vervolgen. Hornerheide
Ze
kwamen bij de ingang van het terrein waar opa zonder maar iets te zeggen
naar binnen reed. Louis fietste gehoorzaam achter zijn opa aan. Eerste
weg naar links over de parkeerplaats. Voorbij
de parkeerplaats draaide de weg naar rechts en zagen recht voor hun een
tweede ingang in de bossen liggen. Waar links een doodlopende weg was
stopte ze even. Opa haalde diep adem en begon te vertellen: ‘Elke
periode kent zo haar volksziekte. Zo’n honderd jaar
geleden waren de leefomstandigheden niet geweldig, zeker niet voor
mensen die in de opkomende industrie werkte. Tuberculose, kortom tbc was
volksziekte nummer één. Van de stervende mensen in Nederland was ruim
tien procent tbc de oorzaak. In Limburg lag dat
percentage nog hoger. Mensen konden besmet raken met een bacil die zich
in het lichaam vastzette. In begin verkalkte dit longhaartjes maar kon
uitgroeien tot holtes in het lichaam waardoor het lichaam van binnenuit
stierf.’ Louis
keek even zuur maar vitale opa ging verder met vertellen: ‘Rust, frisse
lucht en goed eten was het remedie deze ziekte bovenop te komen. Het
Groene Kruis wilde een sanatorium oprichten.
Eerste dacht men nog dit doen in het dorpje Geulle, maar de toenmalige
burgemeester van Horn waartoe dit gebied hoort, die in het bestuur zat
van het Groene Kruis, had een veel beter plan. We bouwen het op deze
plek. Er was nog veel heide, bos en vooral frisse
lucht. Veel geld was er echter niet. In Nunspeet waren houten gebouwen
over die gebruikt waren om Belgen op te vangen die gevlucht waren voor
de oorlog in hun land. Deze werden naar deze plek verplaatst. Ook werd
er veel groen aangeplant. Groen dat goed was
voor tbc-patiënten. Voor de zorg werden zusters er bij gehaald van een
orde uit Steyl en later van een orde van Heerlen. De patiënten konden
komen.’ Er
werd weer eens diep adem gehaald door opa en ging verder: ‘En ze kwamen
ook. Denk nu niet dat er gedanst werd, nee, ze moesten de hele dag plat
in bed blijven liggen. Naarmate het beter
met ze ging mochten ze ook bewegen. Er was ook een fase dat ze in een
rieten stoeltje mochten zitten en ze mochten ook wandelen. In begin vijf
kwartier. Maar toen ze ontdekte dat dit net tijd genoeg was om het
plaatselijke café te bereiken werd het teruggebracht
naar drie kwartier. Een kachel was er nauwelijks maar ze lagen wel
onder een elektrische deken. Kuise zusters hadden het moeilijk met
temperatuur nemen bij de heren. Het was soms dat de patiënten er jaren
moesten verblijven. Er waren verschillende gebouwen,
paviljoens. Twee voor de heren en twee voor de dames. In begin. Qua
rangen en standen in de maatschappij lagen ze door elkaar. Later keek
men toch ook naar een binding die ze zouden kunnen hebben. Zo lagen de
mijnwerkers bij elkaar en de Maastrichtenaren.’
Louis wist wel waar hij dan terecht zou komen. Eén
ding wilde hij nog weten: ‘Hoe was het hier in de oorlog?’ Opa
“uhhhmde” even. Maar er kwam toch weer een antwoord: ‘Betrekkelijk
rustig. In het begin ontplofte er bij zo’n paviljoen een
granaat die dwars door de houten muren ging. Gelukkig lagen de
patiënten plat in hun bed. Ook is er een heus bombardement geweest op
Hornerheide waar twee patiënten stierven en twee zusters en veel schade.
Hoewel de oorlog verder vrij rustig was gebleven
was er wel de angst. Ze hoorde de bommen bij Roermond en hadden de hele
dag niet veel meer te doen dan te luisteren.’ De
gezichten werden er niet vrolijker op al betrok opa’s gezicht ook weer
vrij snel in een vrolijkere stand door te vertellen: ‘Maar de tijd gaat
verder. Langzaam aan veranderen de houten
gebouwen in stenengebouwen en komen er nog steeds meer bij. Allen
verspreid over de locatie. Eén houten gebouw staat er nog wel, de
boskapel. Tijdens één van de opknapbeurten werd de onderrand vervangen
door stenen. Nu ligt de boskapel een beetje weg gestopt
tussen alle gebouwen hier, vroeger het middelpunt. Te midden van de
groene omgeving.’
Kasteel Horn
Rebolim©2019 |
|
|
BRON BOEKEN Buitencentrum De Spar, 1997; Publications 1979, 1980; 't Land van Horne, 2000; Aan de rand van de Peel, 1999; Nederweerts Verleden, 1989; Van kamp naar kern, De Heibloem em omgeving van 1947 tot 1997, 2002; De mysterieuze dood van Nicky verstappen, 2010; Het kastelenrijk, Midden Limburg, land van edelmanshuizen, 1998; Kloosters in Limburg, 2017; Waar int 't bronsgroen eikenhout, 2009; Heitser minse vertèlle, 2014; Het Leudal voor nu en altijd, een wonderlijk natuurgebied, 2019; Keurkinderen, Hitlers elitescholen in Nederland, 2009; Canon van Limburg,2009; Op de grote stille heide, Hornerheide 1921-1996, 1996; De gemeente Haelen, waard om te herinneren, 2006; Gemeente Horn 1800-1990, 1990; De ontbrekende schakel, 2007; Limburgse sagen en legenden, Pierre Kemp, PERIODIEKEN Volkskrant, 2008, mei INTERNET Leudalmonument.nl; molendatabase.nl; janphilipsen.nl; jackpoels.nl, adams-music.com; grensroute.eu; meteolimburg.nl; tracesofwar.nl;Leudal.nieuws.nl; verschuerenorgelbouw.nl; grafveldbusjop.nl; missiekapel.nl; vanaken-cae.nl/projecten; Klik hier om terug te keren naar 'Opa vertelt' |