Opa vertelt Louis over zijn omgeving
|
||
|
|
De smaak van bier Ter gelegenheid van de verjaardag van opa zat de hele
familie bij elkaar aan tafel in een gezellig, iets sjiek restaurant in de
binnenstad van Maastricht. Bij de bestelronde voor drank bestelde opa weer ’s
een pilsje. Enige tijd later kwam de serveerster de drank brengen en zette als
eerste bij de jarige zijn pilsje met het Brandsetiket naar hem gericht. Het was
Louis inmiddels opgevallen dat opa nogal, maar niet overmatig, liefhebber was
van bier. En als hij Brandbier bestelde zijn gelaat net iets opgewekter trok
dan als hij een ander merk bestelde. Omdat Louis van opa had geleerd dat als je vragen stelt je
wijzer wordt, vroeg hij aan opa waarom hij, en chargeerde, hij toch steeds
Brandbier wilde drinken. Net op dat moment dronk opa aan zijn vers getapt glas
en benutte het smaakmoment dat daarop volgde op de eerste plaats om te genieten
maar ook om te bedenken welk antwoord hij Louis kon geven. Na een laatste likje over zijn lippen begon hij: ‘Kijk, het
is dorstlessend, smaakvol. En zeker in combinatie met eten. Maar in Brandbier,
maar ook in Gulpenbier, proef je daarnaast nog het Limburg. Het
heuvellandschap, de mensen. De cultuur, schuttersleven, fanfares, feesten,
processies, oude boerderijen, stenen, bijzondere natuur… En dat proef ik allemaal in zo’n
Zuid-Limburgs glas bier. ‘Maar’ zei Louis, ‘ik mag nog geen bier, hoe kan ik nou
weten hoe het daar proeft?’ Opa begreep wat Louis bedoelde, hij wilde naar het
land van Gulpen en Wittem waar Brand- en Gulpenbier gebrouwen wordt en zei dan
ook: ‘dan gaan we daar toch een keer naar toe.’ Louis had zijn doel bereikt. Mama luisterde geamuseerd mee, zij wist dat die twee zich
prima samen vermaken. Maar ze vroeg zich wel af: ‘Pap, al die heuvels daar.
Gaan jullie dan met de fiets?’ Daar had opa eigenlijk geen zin in. Hij had
immers geen elektrische fiets. Louis liet het aan opa over. Na weer een hapje
te hebben genomen zei opa toen: ‘We gaan met de scooter’. Daarop werd er flink gelachen aan tafel, opa
had nog nooit een scooter gereden. Op weg Enkele dagen later kwam opa aanrijden op de snorscooter met
een helm op om Louis op te halen voor wie hij ook een helm had. Stiekem had hij
wel van tevoren nog een beetje geoefend, met sturen, gasgeven en remmen. Samen
stoven ze op weg naar de gemeente Gulpen-Wittem, moeder zwaaide hen nog na. Een
lange weg die berg op ging en ook weer berg af. Op de plekken waar geen huizen
stonden zag je ook de glooiing in het landschap. Bij het gehucht “De Hut” slingerde opa een beetje, waar ze
links richting Ingber reden. Bij een kapel met enkele bankjes naar links en bij
de kruising weer naar rechts om het gehucht uit te rijden. Oude huisjes en
nieuwe huisjes, allemaal verzorgd en hoogteverschillen. De weg was hier weer
alsof ze over een vlakte reden. Bij de weg na de kruising aangekomen hield opa
even vaart in en ging links. Daar verschenen weer enkele huizen en boerderijen.
Opa hield even in, maar voorbij de boerderij met een camping gaf hij weer gas.
Links was een mooi dal te zien. Dat vond Louis mooi en verrassend om dat in het
echt te zien. Of viel het hem pas nu op? Bij de volgende boerderij, een grote
carréboerderij met de naam Hoeve Blankenberg, kwamen allerlei wegen en paadjes
samen. Opa koos voor de meest rechtse, langs de andere zijde van de boerderij.
Een smalle weg, wel weer een weg met schitterend uitzicht. Waar links een bos
begon stopte opa even en liet de motor van de scooter ronken. Daarbovenuit
sprak opa: ‘Een zoon van die boerderij boven aan de berg is bij werkzaamheden op
het land omgekomen. Daar hebben ze een kruisbeeld geplaatst en als er een
begrafenisstoet voorbijkwam van iemand die hierboven op het plateau gestorven
was, werd bij het kruisbeeld even stilgehouden.’ Er werd weer volop gas gegeven en de scooter schoot vooruit.
Nu ging de weg weer omlaag en de scooter ging best wel hard. Dat vond Louis
best eng. Het was een smalle, holle weg met de grond tot voorbij
schouderhoogte. Al had de scooter een snelheidsbegrenzer, hij leek steeds
harder te gaan. Hij maakte ook veel lawaai. Opa schreeuwde er bovenuit: ‘Dit is
de Dodemanweg.’ Dat stelde Louis niet bepaald gerust. Stokhem
Levendig schudde opa van nee en ging weer verder. Zowel
links als even verder rechts een weg waaraan je al zag dat het dorp niet ver
reikte. Het was een straatje met veel oude boerderijtjes. Klein stukje verder
was rechts een weg met een pleintje. Een stukje verder kwam opa dan echt tot
stilstand. Hij draaide zich op de scooter naar links en op een oud boerderijtje
waren aan de zijkant twee hoofden afgebeeld, een man met baard en een vrouw.
Opa ging er iets over vertellen: ‘Er wordt verteld dat dit Adam en Eva zijn
maar ook dat het Willem III is en Emma. Het zou gemaakt zijn door oud bewoners van
het boerderijtje. Het kan natuurlijk ook zijn dat het de oude bewoners zelf
zijn.’ De molen van Otten
Opa draaide de scooter de andere kant op, terug naar Stokhem
en ging nu bij het pleintje naar links. Daar gaf hij flink gas. Mooi bosje
links met een picknickplek en tennisbanen dacht Louis. Toen riep opa boven het
geluid uit: ‘Tussen 1955 en 1971 was hier links een stortplaats van
huishoudelijk vuil. Een laag van twee en een halve meter. En dat ligt er nog steeds,
verstopt onder een laagje grond van twintig centimeter tot één meter.’ Dat is dan weer minder fraai dacht Louis en keek de andere
kant op, zag een parkeerplaats en een weg naar rechts. Opa: ‘Ik kan je niet
alles laten zien in Gulpen en Wittem en wat je ziet kan ik zelfs niet alles
over vertellen, dan zou mama ons als vermist opgeven. Maar hier rechts heb je
Beertsenhoven, een schitterend sfeervol buurtschap van zo’n vijf hele mooie
oude Limburgse boerderijtjes met centraal in het buurtschap een kruisbeeld uit
1870 en omgeven door holle wegen.’ Kasteel Wijlré
'Aan de andere kant' ging opa verder, 'heb je kasteel
Wijlre. We weten zeker dat Wijlre in 1389 een Rijksheerlijkheid was. Dat weten
we zeker omdat het als zodanig ergens in de archieven genoemd wordt maar het ligt
voor de hand dat als iets in de archieven genoemd wordt dat het al veel langer
bestaat. Zo werd de plaatsnaam Wijlré in 1040 voor het eerst genoemd. Maar voor
dat een plaats wordt genoemd in documenten bestaat het al langer. Hoe verder
terug in de tijd hoe minder schriftelijke bronnen er zijn.’ Louis wachtte netjes totdat opa uitverteld was en vroeg
toen: ‘Maar wat is dan een Rijksheerlijkheid?’ Dat wilde opa net vertellen:
‘Eenvoudig enkele eeuwen samengevat, een Rijksheerlijkheid was een soort klein
landje met eigen wetjes en regeltjes met een Heer die alles te vertellen had en
alleen verantwoording hoefde af te leggen aan de Duitse Keizer die zich dan
niet echt interesseerde voor zo’n kleine Rijksheerlijkheid, als het maar aan
zijn verplichtingen voldeed als betalingen. Er waren meerdere
Rijksheerlijkheden. Hier in de buurt bijvoorbeeld Cartils, Wittem en Wijlre
dus. De heer, in dit geval van Wijlré, zorgde dat hij ook zijn inkomsten kreeg.
Zo kwam er bijvoorbeeld een molen en een bierbrouwerij die het alleenrecht
kregen waar de bewoners van de Rijksheerlijkheid verplicht werden daar te laten
malen en bier te kopen. Een deel van die inkomsten waren voor de heer. Liet je
als inwoner ergens ander malen of kocht je bier van ergens anders kreeg je een
boete. Daar stond tegenover dat ook de molenaar en brouwer zijn
kwaliteitsverplichtingen had en als hij daar niet aan voldeed op een bepaalde
manier gehinderd werd in zijn werk. Zo’n molen met rechten werd dan banmolen
genoemd en brouwerij een banbrouwerij. Tot de Franse Revolutie bestond dit
systeem.’ Om te voorkomen dat opa het hele verhaal over de Franse
Revolutie zou vertellen keek Louis naar het kasteel en vroeg: ‘Daar hebben dan
de heren van Wijlre gewoond?’ Opa knikte en zei: ‘Ja, zover hier het kasteel stond.
Dit is pas gebouwd in 1654. Er zijn nog twee plekken, hier achter en een aan de
andere kant van het dorp, waar mogelijk ook een kasteel heeft gestaan maar daar
zijn geen bewijzen voor. De werkruimtes rechts, de stallen, zijn van latere
datum. Sommige straten in Wijlre zijn genoemd naar oud heren en oud bewoners
van dit kasteel. Dus zo'n engerds waren het vast niet, straten zijn immers
doorgaans genoemd naar iets positiefs. Na de Frans Revolutie is het kasteel nog
een aantal keren doorverkocht. Meestal bleven er enkele generaties lang
families wonen.’ Zou ik hier willen wonen vroeg Louis in zichzelf af, ruimte
genoeg maar of al die lege koude muffe kamers nu zo gezellig zijn? Hij vroeg:
‘Woont er nu ook iemand van mijn leeftijd?’ Opa keek alsof hij de leeftijd van
zijn kleinzoon moest inschatten maar begon langzaam nee te schudden. Hij zei: ‘In
de jaren tachtig is hier Jo en Marlies van Eyck komen wonen, een ouder echtpaar
waar de vrouw van uit Wijlre komt en hij uit Heerlen. Aardig geld verdient in
de verfindustrie. Met het geld hebben ze dit kasteel gekocht en onderhouden. Ze
hielden van de historische omgeving. Dat heb je wel als je zo’n kasteel hebt.
Ze hielden van de levendigheid van de natuur. Dat kwam terug in het park met
mooi aangelegde en onderhouden tuinen, kweken van planten in een kas, een
stukje bos en het houden van kippen. Een grote passie hadden ze ook voor
kunstwerken en met name schilderijen van hedendaagse kunstenaars. Daar legde ze
een collectie van aan die ze soms tentoonstelden. Nu hadden ze een kippenhok en
een kas om planten te kweken maar het leek hen mooi om daar ook een
tentoonstellingsruimte bij te bouwen. Om
de samenhang tussen de kunst, natuur en historische omgeving te laten zien werd
er in de tuin een gebouw neergezet, getekend door een gerenommeerde architect.
Het kasteel moest in zijn omgeving tot zijn recht komen en er werd daarom
andere materiaal gebruikt zoals beton en veel glas. Het kwam op enige afstand
en deels onder de grond. Het lijnenspel van het gebouw en vele glas is gemaakt
om de verbinding met de natuur te krijgen. Zelfs de hagen in de tuin en de
lijnen van het gebouw zijn op elkaar afgestemd. Er is een kweekkas en… de kippen hebben er een ruimte in gekregen
waar menig kunstliefhebber in zou willen wonen.’ Louis keek even als een kip zonder kop maar opa kakelde
rustig verder: ‘Er zijn verschillende ruimtes in verschillende vormen met elk
een schitterende lichtinval dat bij kunst belangrijk is. Voor een groot deel
onder de grond. En dat was vervelend toen de naastgelegen Geul overstroomde,
toen is het hele gebouw onderwater gelopen waarbij de kunst gelukkig gered kon
worden. Omdat het echtpaar ook niet het eeuwige leven heeft is alles
ondergebracht in stichtingen. En dat is maar goed ook want de man is inmiddels
gestorven. Maar door hun manier van weggeven blijven hun verdiensten nog lange
tijd in leven. Eigenlijk een hele mooie manier om zo met je geld om te gaan, je
wordt er zelf ook gelukkig door.’ Louis kon zich wel iets anders bedenken om
zijn geld aan uit te geven. De scooter werd weer gestart, het tweetal ging erop zitten,
helmen op en kwamen weer in beweging. Ze reden over de brug met jaartal 1945 en
opa wees links naar een kruisbeeld maar ging zonder iets te zeggen verder. Ze
kwamen bij een voorrangweg die een bocht van links naar boven maakte. Links was
de Brandbierbrouwerij te zien. Precies in de binnenbocht stopte opa met de blik
de straat naar bovenin, de Holegracht. Meteen iets harde stem om boven het
geluid van de scooter uit te komen zei hij: ‘Zo nu heb je al twee-derde van de
centrumstraten van Wijlré al gezien. De eerste straat is met de brouwerij, deze
met het voormalige patronaatsgebouw en waarachter een school was en dan heb je
boven naar links de oude winkelstraat.' Bij een patroon kon Louis zich nog wel een voorstelling
maken, maar een patronaatsgebouw? ‘Wat is een patronaatsgebouw?’ vroeg Louis
waarop opa antwoorde: ‘Een patronaatsgebouw is een door de katholieke kerk
opgericht gebouw voor samenkomsten om ook weer het katholieke geloof bij te
brengen. Dat kan ook met gezellige ontspanningsactiviteiten, maar dan wel op
katholicisme gestoeld. In de jaren dertig is dat hier gebouwd toen veel van dit
soort patronaten werden gebouwd. Toen dit gebouwd werd bestond het uit een
grote zaal, een kleuterschool, een handwerkopleiding en nog enkele ruimtes.
Veel plezier heeft zich daar afgespeeld maar na een tijd voldeed het gebouw
niet meer. Toen is een gemeenschapshuis gebouwd dat we straks nog effe zien.
Ondertussen zijn in dit gebouw en op de plek waar vroeger de school was
allemaal kleinere woningen gekomen en ik ga er maar van uit dat de mensen daar
nu met plezier in wonen. Oja, en tegenover die woningen naast het voormalige
patronaat was vroeger een café en in de boerderij hieronder op de hoek was vroeger...
een café.' Brandbierbrouwerij
Toen het lawaai wegebde kon opa aan zijn verhaal beginnen:
‘In 1871 kocht Frederik Edmond Brand de brouwerij, een herberg De Kroon zoals
ook de brouwerij genoemd werd en de bijbehorende boerderij. De brouwerij was
een bijverdienste maar langzaamaan groeide de brouwerij en werd de boerderij
afgedankt. Er werden nieuwe installaties aangeschaft en kon een andere manier
van bier gemaakt worden zoals we dat nu kennen. Maastricht had tientallen
brouwerijen en kon prima in zichzelf voorzien. Toch probeerde Brand daar ook
een afzetmarkt te veroveren. Ze kochten diverse cafépanden om daar Brandbier te
tappen en daarmee gingen ook meer mensen thuis Brandbier drinken. Nu was
transport vroeger lastiger dan tegenwoordig, al die flesjes transporteren
tussen Maastricht en Wijlré was elke keer weer een gesjouw. In de binnenstad,
een zijstraatje van de Brusselsestraat, kwam een bottelarij. Zo hoefde ze
alleen de tonnen met bier te transporteren. Ze groeide ook verder het land in,
reclamecampagnes hielpen daar goed bij. In het land kwamen steunpunten voor de
distributie van het bier. Ook een klein stapje werd gezet in Amerika met witte
flessen.’ Opa begon nu al dorst te krijgen, hij zag immers overal
afbeeldingen van Brandbier maar hij vertelde verder: ‘De familie Brand kreeg
ook kinderen en zo konden generaties achter elkaar leden van de familie in de
directie zitten. Zo werd ook het aantal eigenaren steeds meer maar die werkte
niet allemaal meer voor de brouwerij. Groei betekende ook meer ruimte. Hier recht
voor ons stond het banpanhuis waar begonnen werd, dat rode pand links ging de
familie Brands in wonen. Links, in dat oudere huis, woonde mijnheer pastoor.
Heel vroeger woonde die om de hoek, achter het wegkruis waar ik naar wees. Dat
wegkruis is trouwens een cadeautje van Brand. Die tuin werd verkocht aan Brand
en later ook de pastorie zelf. In de oude pastorie kwam ook de directie zitten.
Gebouwen werden ook afgebroken om plek te maken voor andere gebouwen waardoor
er steeds meer bier gebouwen kon worden. Dat betekende natuurlijk ook veel voor
de werkgelegenheid in het dorp. De brouwerij onderhield een goede band met het
dorp en als er iets te sponsoren was waren ze erbij. Befaamd zijn de Upfeesten,
het eerste deel van het programma was voor een selectief aantal gasten en voor
het tweede deel kreeg elke bewoner van Wijlré boven zestien jaar enkele
consumptiebonnen die tijdens het Upfeest in de plaatselijke horeca uitgegeven
kon worden. Geweldig.'
Even hield opa op met praten. Het gevoel van de liefde voor
Brand zat diep en er was heus nog wel een restje van overgebleven maar toch.
Hij ging verder: ‘Fameus was het keldertje, een kelder in het complex gebouwd
in 1937 waar diverse kunstenaars aan hebben bijgedragen dat dient als
ontvangstruimte voor bijzondere gelegenheden. In de oorlog verbleven er vluchtelingen
en Amerikanen, maar daar was het niet voor gebouwd. Het was om de gasten aan de
brouwerij te verwelkomen. Bijzondere gasten bij bijzondere gelegenheden maar
het is ook een tijd lang gebruikt voor mensen die een rondleiding in de
brouwerij kregen. Een gouden regel was dat er geen elektronische muziek was en
pas een nieuw glas geschonken werd als het vorige genuttigd was. En dat is
precies dat gevoel waar een goed glas bier het beste bij smaakt. Gevoel ja. De
trots van de betekenis van het wapen van Wijlre op de flesjes van Brandbier.’
De weemoed klonk een beetje in de toon waarop opa zijn verhaal vertelde. Ondertussen had Louis wel genoeg gehoord over Brand, hij
mocht het immers toch niet drinken maar begon nu wel een beetje te begrijpen
wat opa proefde als hij een Brandpils bestelde. Louis keek eens naar de trap en
vroeg: Is deze trap nu alleen aangelegd om naar de brouwerij te gaan? Opa: ‘De
meeste medewerkers van de brouwerij woonde in Wijlré en gingen zelfs tussen de
middag thuis warm eten. Het grootste deel van het dorp ligt aan de bovenkant
van de trap, maar hier in de Brouwerijstraat was ook een tijdje het
gemeentehuis, in het huis dat een beetje terug ligt, en daarachter was de
Lagere Openbare school.’ School was geen geliefd onderwerp voor Louis maar opa
vertelde verder: ‘Die Openbare school werd op een gegeven moment een katholieke
school en toen moesten de jongens in het ene deel van het gebouw les volgen en
de meisjes in een ander deel. Ze hadden ook een eigen directeur. Op een gegeven
moment werd achter het patronaat de meisjesschool gebouwd. Vele jaren daarna
kwamen de twee scholen weer samen in een ander nieuw gebouw. Beide
schoolgebouwen werden uiteindelijk afgebroken. Weet je trouwens dat in Wijlré
een van de eerste plekken in Nederland waar de leerplicht werd ingevoerd?’
Louis besloot per direct niet in Wijlré te willen wonen. De Sint Gertrudiskerk
Opa reed verder de kleinere weg in. Enkele tientallen meters
verder stopte hij en tuurde naar de kerk, daar zal hij vast iets over zeggen
dacht Louis, en jawel hoor, opa ging van start: ‘Sinds 1263 is Wijlré een
zelfstandige parochie. Daarvoor was hier ook al een kerk maar als een onderdeel
van Gulpen. Die kerk, die waarschijnlijk zo uitzag als de kerk van
Oud-Valkenburg of Schin op Geul, was zo bouwvallig geworden dat ze liever twee
kilometer verder naar Wittem gingen. Op dezelfde plek, alleen iets gedraaid,
kwam in 1835 de huidige kerk. Sommige onderdelen uit deze oude kerk komen nog
uit die vorige kerk. De bakstenen zijn ter plekke gebakken. Zo’n honderd jaar
later was Wijlré groter geworden en werd de kerk te klein. Een deel waaronder
de toren werd afgebroken en opnieuw, maar dan groter in 1925 opnieuw opgebouwd.
Het nieuwe deel is het deel met natuursteen opgebouwd, Nievelsteiner zandsteen.
Deze steen komt uit een groeve in Kerkrade. Twaalfmiljoen jaar geleden was hier
zee. Toen deze langzaam verdween ontstonden kustmoerassen waarin zich fijn zand
afzette. Die korrels groeide aan elkaar en toen had je deze steen.’
Opa ging nog even verder: ‘De kerk heeft een groot orgel en
zijn er nieuwe glas in loodramen aangebracht gemaakt door Jan Dibbets. En daar
wordt over geschreven dat het een van de meest toonaangevende internationale
succesvolle kunstenaars is van de laatste decennia.’ Station Wijlré
Opa zwaaide weer even met zijn hand dat hij verder ging, al
deed hij dat niet, hij wilde nog iets vertellen: ‘Waar we zo direct rechts de
bocht omgaan, aan de binnenkant was negentig jaar Hotel Heiligers gevestigd.
Voor dit dorp een groot hotel met twintig kamers. Er wordt verteld dat dit het
mooiste pand van het dorp was. Het hotel is nu afgebroken en zijn er
appartementen voor ouderen in de plaats gekomen.’ Ook hier kon Louis niet veel
mee, het hotel was er niet meer en hij was geen oudere. Daar kwamen ze dan toch weer in beweging. Links en enkele
tientallen meters verder, achter de woningen waarop op de gevel stond
“Heiligershoek”, gingen ze met een scherpe bocht naar rechts. Daar begon de weg
te stijgen en de scooter ging iets langzamer rijden. Met de spoorwegovergang in
zicht, gingen ze voor het grasveld weer naar rechts. Links hogerop was een rij
loodsen met daarin bedrijfjes gevestigd. Waar links een frituur was en rechts
een café ging opa weer stoppen, de scooter ging uit en stapte even af. Met een schuin oog keek opa even naar het Brandscafé “a gen
baan” en daarna naar de overkant waar in een plat gebouwtje de frituur was
gevestigd, met een Brandbier-lichtbak. Het vingertje van opa wees naar de
frituur en begon te vertellen: ‘Die frituur is gevestigd in het oude
stationsgebouw uit 1959 waar je toen kaartjes kon kopen en droog op de trein
kon wachten. Tot die tijd stond er een houten exemplaar. Voor een oude
Brandsbiercommercial hebben ze een houten station nagebouwd. Er stopt nog wel
eens een stoomlocomotief van de ZLSM, van de Zuid-Limburgse Stoomweg
Maatschappij, een toeristische attractie om de oude tijden van weleer te doen
herleven. Wat waren nu die oude tijden? Veel uit deze streek komt uit
Duitsland, de heren van Wijlré, de heren Brand, de stenen van de kerk en ook de
treinbaan. Er was al een traject van Keulen naar Aken en het zou handig zijn
als de spoorbaan van Aken doorgetrokken kon worden tot aan het Albertkanaal bij
Maastricht. Toestemming werd nog niet direct gegeven omdat toen de Belgische
revolutie speelde. Dit gebied was toen Belgisch. Maar toen het Nederland werd
en zou blijven kwam er toestemming maar nog geen geld. Te ver weg van de
Nederlanden, geen nationaal belang. Wel
kreeg men het vruchtgebruik van de Domaniale mijn Kerkrade voor negenennegentig
jaar. Zo’n mijn zou ook baadt bij hebben als er een goede spoorverbinding was.
De spoorbaan kwam er en werd in 1853 in gebruik genomen. Niet tot aan het
Albertkanaal, dan zou het nog langer hebben geduurd. Het werd een van de eerste
spoorbaan in Nederland en de eerste internationale. Niet veel later kwam er een
spoorbaan vanuit Luik en Hasselt naar Maastricht bij en als laatste een
spoorbaan naar Venlo en de rest van Nederland en dat was in 1865. De
spoorbreedte is dezelfde als in Duitsland en België maar smaller dan die in
Nederland gebruikt werd. Later is men in heel Nederland de breedte gaan
gebruiken zoals hier aangelegd was, ongeveer anderhalve meter. Zo werden al die
stukjes spoorlijn aan elkaar gekoppeld. De Staat heeft op een gegeven moment al
die particulieren spoorlijnen met stapjes overgenomen.’ Louis was aandachtig aan het luisteren en kreeg het
vermoeden dat opa het had over een spoorbaan die langs Wijlré kwam. De vinger
van opa kwam weer in beweging en wees in volle breedte achter het
stationsgebouw en zei erbij: ‘Daar is die spoorlijn gekomen, vanuit Maastricht,
Meerssen, Valkenburg met het huidige station dat uit die tijd stamt en is het
oudste in gebruik zijnde station van Nederland. Dan ging de spoorlijn verder
langs Schin op Geul waar later een splitsing kwam naar Heerlen, Wijlré, Eys en dat
werd met name gebruik voor pelgrims naar Wittem en daar kom ik straks nog op
terug, dan Simpelveld en via Bocholtz de grens over naar Aken. In Simpelveld
kwam een splitsing naar de mijn en Schaesberg dat het Miljoenenlijntje is gaan
heten omdat elke kilometer een miljoen heeft gekost, in die tijd een gigantisch
bedrag. Bedoeld was de spoorlijn op de eerste plaats voor goederen maar dat
werd langzaamaan vervangen door personen. Mijnwerkers maar zeker ook toeristen
voor Valkenburg en Wijlré en haar achterland. De loodsen die je hier ziet
stammen nog uit de tijd toen er aan goederenoverslag was.’
Het drinken van een pilsje wilde opa ook in ere houden, hij koos
om verder te rijden. Louis had ook niet veel meer te vragen. Even verder gingen
ze rechts in en aan het einde van het straatje, bij een plein, stopte opa weer.
In 1965 is hier links een nieuw gemeentehuis gebouwd dat tot 1982 in gebruik
was totdat Wijlré een onderdeel van Gulpen werd. Niet al te groot maar groot
genoeg om er gelukkig van te worden. In die tijd kwamen er vele woningen bij en
het is de bedoeling geweest dat dit plein het nieuwe centrum van het dorp werd.
Aan de andere kant van het plein is het gemeenschapshuis dat ter vervanging van
het patronaat is gekomen. Daar is nu ook de huisarts van het dorp.’ Met aan de
ene kant het gemeentehuis en de andere kant het gemeenschapshuis heb ik nog
geen gezellig kern dacht Louis maar had wel een prachtig uitzicht over de kerk
en de achterliggende groene heuvels. De scooter was weer in beweging gekomen,
links de straat in, aan het uiteinde naar links, bovenaan weer naar links en
daar rechts het spoor over, de Dikkebuiksweg. Dikkebuiksweg
Louis keek naar de andere kant van de weg en zag een
kruisbeeld en vroeg: ‘Was dit gevaarlijk werk en is er iemand bij
omgekomen.’ Er werd nee geschud door opa
en zei: ‘Een stelletje Padvinders hadden hier een apenbrug gemaakt, een brug
bestaande uit een touw. Dat ging mis, een jongen kwam ten val. Enkele dagen
daarna is hij overleden.’ Louis keek een beetje geschrokken, dat spelen
gevaarlijk kan zijn. De scooter ging puffend weer een stukje verder tot bij een
kruising. Daar ging de scooter weer uit, al was het maar uit respect voor de
Amerikaanse bevrijders. Links was een steen te zien met een bordje erop, een
Amerikaanse vlag in de boom en allerlei kleine steentjes die wandelaars hadden
uitgelaten. Er was een stilte te horen totdat opa weer begon te
vertellen: ‘Het verhaal van de Amerikaan Robert S Haws. Wat er gebeurd is weet
niemand precies. Waarschijnlijk is hij in de nabijheid van de kalkoven vermoord
door Duitser bij een één op één gevecht door een kogel recht door zijn hoofd.
Er zijn hier in de buurt ook zes Duitsers gestorven, ook mensen uit een gezin,
maar voor de Duitsers is veel minder aandacht voor. Ongeveer vijftien Duitsers
zijn in Wijlré en omgeving om het leven gekomen. Nadat Robert gestorven was is
hij pas later gevonden en stond al genoteerd als vermist. Toen hij gevonden
werd heeft de timmerman in Wijlré een kist gemaakt en is op de begraafplaats in
Wijlré begraven. Uiteindelijk is hij herbegraven en ligt nu op het Amerikaans
kerkhof in Margraten. De Duitsers zijn bij de Duitse militaire begraafplaats in
Ysselsteyn begraven.’ Hierna bleef het weer even stil. Was natuurlijk ook geen
vrolijk verhaal voor een jongen als Louis. Het waaide er een beetje, het was boven aan een heuvel met
een vergezicht. Opa wees met zijn vingertje schuin-links voor zich. Op een
afstand tussen de bomen waren de contouren van een oude boerderij te zien. Je
hoorde opa ademhalen en hij zei: ‘Daarachter heb je Elkenrade. Oorspronkelijk
een buurtschap met veelal boerderijen, tegenwoordig zorgen de toeristen voor de
bedrijvigheid, maar dan wel de stille rustzoekende toerist.’ Louis keek een beetje nietszeggend. Opa startte weer de
scooter en ging rechts op. Een weg met ook weer schitterende vergezichten.
‘Gulpen’ riep opa toen hij naar rechts wees. Links was ook een vergezicht maar platter.
Even verder was rechts bos. Opa bleef doorrijden. In een bocht was een
picknickplek en toen kwamen ze bij een kruising met een bol geknipte boom met
daarin verzonken een wegkruis en naast de boom een bank. Even voor de kruising
verminderde de scooter weer vaart totdat hij stilstond. Eyserbos
Toen hij gestopt was met knikken ging opa verder: ‘Wat je
niet hoort en ook niet meer ziet is dat op het stuk grond hier voor je een
geheime en zeer belangrijk coördinatiepunt is geweest. Met goed weer kun je
hier vijftig kilometer ver Duitsland inkijken en uitlopers zien van de Eifel.
Op dit punt was een radarinstallatie opgesteld waar niemand in de buurt mocht
komen en dan hebben we het over oktober 1944 tot en met februari 1945. De vrij
onbekende Slag om Hürtgenwald waar zestigduizend Amerikanen en vijftienduizend
Duitsers het leven lieten werd van hieruit gecoördineerd. Toen de Amerikanen
bij de Slag om de Ardennen in Bastogne waren ingeklemd en geen aanvoer van
voedsel en materieel kregen, konden van hieruit Duitse vliegtuigen onderschept
worden. Ook werd van hieruit de luchtaanvallen op Keulen en Berlijn
gecoördineerd.’ Dat had Louis nu ook weer niet verwacht dat dit vredig stukje
Limburg voor de aanvallen en verdedigingen gebruikt werd. Het bleef weer stil. Eys Liever keek Louis naar de weidsheid van het punt waar ze nu
stonden. Ze gingen weer verder, bij de kruising naar links. Na een tijdje ging
de weg naar beneden en daar kwamen ze in de bebouwde kom van Eys. Vele huizen in
natuursteen dat de sfeer direct terugbracht naar lang geleden toen de wegen nog
modderig waren. Beneden voor de kerk ging opa weer naar links en achter de kerk
naar rechts waar hij stopte en de scooter draaide voor een mooier uitzicht. De
scooter ging uit en stapte af. Opa keek verleidelijk naar het terrasje op de hoek maar
daarna toch weer met volle aandacht naar Louis om het volgende te vertellen:
‘Hier staan we in het oude centrum van Eys. Eys werd in 1193 voor het eerst
ergens genoemd, al veranderde de schrijfwijze wel eens. Lange tijd ook een
Rijksheerlijkheid geweest maar minder lang dan Wijlré. In 1732 werd het bij
Wittem gevoegd. Aan de gebruikte natuurstenen aan de huizen zie je dat het al
oud is. Komt alleen in deze hoek van Limburg voor. Enkele tientallen meters
zuidelijk heb je de Eyserbeek waarna Eys genoemd is. Na de oorlog is Eys en het
iets verder gelegen Overeys aan elkaar gegroeid. Tot zover het basisverhaal
over Eys. Welk verhaal wil je nu eerst horen, over de Schepenen van Eys of de
schuilkelder.’ Louis was zich even aan het bedenken. Dat van de Schepenen,
waarvan hij wist dat dit een soort wethouders zijn, leek hem maar saai en zei
dan ook: ‘de schuilkelder’. Dat leek alweer een stuk spannender.
De schepenen van Eys Hij haalde diep adem en zei: ‘De Schepenen van Eys. Lang
geleden kwamen de zeven schepenen van Eys bij elkaar in een kring onder de
Lindeboom. Alvorens ze het gesprek begonnen telde ze de aanwezigen. En hoewel
ze altijd met zijn zevenen waren kwamen ze nooit op het getal zeven uit. Het
was altijd zes of acht, de scholtis, zeg maar de voorzitter, vergat zichzelf te
tellen of telde zichzelf twee keer. Daarop besloten ze een vuistafdruk in de
grond te maken en gingen pas verder met spreken als er zeven vuisten stonden.
De scholtis vond dat de kerk te hoog op de berg stond, veel te veel klauteren
om ernaartoe te komen, en dat vonden de meeste andere schepenen ook. Er kwam
een discussie op gang hoe de kerk dichter bij de mensen kon komen. Het ging er
op het ene moment heftig aan toe en op andere momenten werd er verder
gekeuveld. Na lang beraad was besloten om de kerk naar beneden te schuiven.
Maar toen ze op wilde staan voelde ze geen benen meer, ze hadden te lang
gezeten. Een herder die het tafereel aanschouwd had en geërgerd had aan de
sloomheid sloeg met zijn wandelstok op de kuiten van de schepenen en die
begonnen te springen. Ze konden weer lopen. Liepen naar boven en begonnen met
volle kracht tegen de kerk te duwen. En hop, en hop, en hop. De een dacht dat
de kerk geen enkel stuk opgeschoven was, de ander dacht van wel. Ze besloten
hun jas voor de kerk te leggen en als de jas door de kerk verschoven was wisten
ze dat het lukte. Ze gingen weer verder duwen, en hop, en hop, en hop. In de
tussentijd kwam een handelaar langs, zag die jassen zo maar onbeheerd liggen en
nam ze mee. Toen de Schepenen weer een tijdje bezig waren geweest met hop, en
hop, en hop, liepen ze naar de voorkant van de kerk. De jassen waren weg, en
blij dat ze waren! De kerk is al helemaal over de jassen heen geschoven. Ze
gingen weer lustig verder met hop, en hop, en hop. Maar het werd avond en
stopte er mee voor vandaag. Aan de heldere hemel was een felle volle maan te
zien zodat de grond goed verlicht werd. Op weg naar huis, langs de Eyserbeek,
zagen ze een mooie ronde kaas in de beek liggen. Het was toch zonde als die
door de vissen opgegeten zou worden en besloten de kaas uit het water te halen.
Maar hoe? Precies boven die kaas hing een tak van een wilgenboom. De sterkste
schepen, de smid, hield zich aan de tak vast, aan zijn enkels hield de een na
sterkste zich vast en zo verder. Helemaal onderaan de scholtis en die probeerde
de kaas uit het water te halen. De smid was gewend om bij krachtinspanning even
in zijn handen te spuwen. Dat deed hij nu ook en alle zeven schepenen vielen en
zonken in het water. Bij een heldere hemel en volle maan kun je ze nog steeds
zijn spartelen, grijpend naar de kaas die maar steeds hun hun handen glipt.’ Tijdens het vertellen zwaaide opa weer met zijn handen om
het verhaal kracht bij te zetten. Maar wat moest Louis nu van dat verhaal
denken? Een vragende blik was overduidelijk in zijn gezicht te zien. Opa bracht
duidelijkheid: ‘Al dat gepraat en gezemel van die schepenen bracht ideeën voort
die onuitvoerbaar waren of nieuwe problemen opleverde. Daar tegenover heb je de
herder en handelaar met zijn boerenverstand die direct resultaat opleverde.
Kortom, kritiek op het ambtelijk gezag is van allen tijden.' De vragende blik
verdween uit het gezicht en werd verruild door een lach. Maar of Louis nu al
zoveel ervaringen heeft met het ambtelijk gezag blijft nog even vaag. De scooter kreeg weer de dubbele bezetting en vertrok het
kleine straatje langs de kerk in. Bij links een boom en ouderwetse lantaarnpaal
wees opa, richting een pad naar boven en stopte weer even. Hij zei: ‘Hier heb
je het pad naar de motte die ze hier Boerenberg noemen. Hier kom je uit bij het
Lourdesgrotje plus vluchtgang schuilkelder en op de plek waar het gebouwtje van
IVN staat, een natuurclub, had je het oude kerkje staan dat in 1745 afgebroken
werd. Van Plettenberg, de Graaf van Wittem, had toen al voor een nieuwe kerk
gezorgd, die je onder ziet staan.’ Even dacht Louis na en vroeg toen met een
kleine glimlach: ‘Dan is het dus niet gelukt de kerk naar beneden te schuiven?’
Opa schudde van nee, en zei erop: ‘Nee, die schepenen liggen nog steeds in de
Eyserbeek.’
Het geluid en de trillingen van de scooter ging voort. Voor
hen was een tunneltje en bochtje te zien. ‘Daar gaan we onder de tramlijn
Maastricht-Aken door en dat kleine gebouwtje daarboven is het station van Eys’
riep opa. Net voor het tunneltje reed opa weer langzaam. Er kon ongeveer één
vervoermiddel tegelijk in het tunneltje. Ondanks dat er achter de tunnel een
bocht was gaf opa toch weer flink gas toen ze het tunneltje verlieten. Daar
waren ook enkele grote gebouwen die vroeger een loods waren en bij het station
hoorde. Eyserlinde
De gezichten draaide weer naar voren en de scooter kwam weer
in beweging. Opa wees naar rechts en riep boven de optrekkende scooter uit:
‘Hier staat een herdenkingsmonument voor de oorlog, op vier mei is hier ’s
avonds de herdenking van de gemeente Gulpen-Wittem en ze noemen het hier
Eyserlinde omdat hier vroeger zeker een eeuw een lindeboom heeft gestaan.’
Links waren de Limburgse glooiingen te zien over meerdere kilometers, met
dorpjes en alleenstaande boerderijen, kastelen en kloosters. En veel groen. De
verharding van de picknickplek bestond uit witte kiezel. Aan de andere kant was
een gewone landweg. Met een bocht liep de weg naar beneden. Met al die losse
stenen en kleine bandjes reed opa voorzichtig. Omdat hij graag beide handen aan
het stuur wilde houden wees hij nu niet maar riep gewoon had: ‘Hier links een
oorlogsmonument ter ere van enkele Canadezen die hier in de oorlog met hun
vliegruig zijn neergestort.’ Bah, al dat oorlogsgeweld dacht Louis. Cartils
Opa begon weer te vertellen: ‘Dit buurtschapje van zes,
zeven woningen noemen ze Cartils maar eigenlijk is het Rode Cartils. Dat rode
is niet omdat ze hier rode dakpannen hebben maar rode is een verbastering van
rade, ontgonnen gebied. Net als rade bij Eckelrade, Herkenrade, Kerkrade etc.
Vroeger was hier bos en dat is allemaal ontgint om er landbouwgebied van te
maken. Dat is gebeurd zo tussen de elfde en dertiende eeuw. Eind vijftiende
eeuw komt het in de geschriften voor. De weg voor ons, van links naar rechts is
de oude, uit de Romeinse tijd, weg van Maastricht naar Aken, via Gulpen,
Cartils, Eyserlinde, Baneheide, Orsbach en Melaten tot Aken. Langs deze weg is
dit buurtschap ontstaan. Door aanleg van andere wegen is deze weg minder
belangrijk geworden.’ Louis knikte instemmend. Ze gingen naar links.
Ondertussen keek opa nog eens naar de motte, draaide zijn
hoofd naar het kasteel en vertelde weer verder: 'Cartils was een piepklein
Rijksheerlijkheid. Vele generaties "Hoen van Cartils" hebben er
gewoond. Het kasteel, de boerderij ernaast, een stuk grond erachter en aan de
overkant van de weg waar we straks bij komen was het rijkje groot. Hoeve Rode
Cartils was van de kasteelheer maar hoorde niet tot de Heerlijkheid Cartils.
Die kasteelheer werkte natuurlijk niet zelf op de twee boerderijen. Hij
verpachte deze aan een boer met allerlei voorwaarden. Armzalig waren deze pachters overigens ook niet.
Sterker nog, later is boerderij plus kasteel verkocht aan zo’n pachtboer. Door
de Frans Revolutie werd de Rijksheerlijkheid opgeheven. Het gebied werd bij
Wijlre gevoegd, het buurtschap Cartils bij Eys.’ Louis: 'En is dit stroompje, waar je met gemak kunt
overspringen, hier langs de weg de waterafvoer van het kasteel en boerderij?'
Opa: 'Dit is de Eyserbeek, berucht dat dat hier de Zeven Schepenen van Eys in
verdwenen....' Louis maakte aanstalten om verder te gaan, nu voelde hij zich
toch echt bij de neus genomen. Kasteel Wittem
Het hoofd van Louis keek naar links totdat opa begon met:
‘Rechts heb je’, toen draaide het hoofd weer naar rechts, en opa riep boven het
geluid uit van de scooter die nu hard reed: ‘het kasteel van Wittem en haar
tuinen.’ Ze reden langs de ingang en een stukje verder weg in de tuin was het
kasteel ook te zien. Gebouwd in een L-vorm waarbij aan de binnenkant van de
hoek een trap en ingang was te zien. Het gladde gazon, de uitgekiende bomen
maakte het allemaal stijlvol. Er volgde nog een ingang richting een
boerderijpoort en tien meter daarachter was de ingang van een parkeerplaats
waar opa op stoof. Bij een wit gebouw aan de rechterkant stopte opa, zette de
scooter uit en maakte aanstalten om af te stappen. Maar eerst stapte Louis af,
en daarna opa die de scooter op de staander zette. De helmen konden af. En dat leek op een teken dat opa iets van plan was te gaan
zeggen. En inderdaad, hij begon: ‘Het kasteel van Wittem, of Witheim, huis bij
de eik, zag er honderden jaren geleden wel anders uit dan je nu ziet. We weten
dat de grond in 1125 werd geschonken. Eerst kwam er een toren, daar werd iets
aangebouwd, werd groter totdat er wel vijf of zeven torens stonden. Ook stond
het kasteel te trillen totdat de stenen afbrokkelde toen het plat gebombardeerd
werd. Het werd weer opgebouwd, het verviel een paar keer maar werd ook weer
steeds opgeknapt. Al die gebouwen die je hier ziet behoorde als een eenheid bij
het kasteel. Ooit was er een dubbele slotgracht maar nu is het een mooi park
geworden met vijvers. Die vijvers worden gevoed met bronnen en in de winter
bevriezen ze niet. En dat komt omdat het warmwaterbronnen zijn, net zoals ze je
ze in Aken hebt. Als je goed kijkt zie je dat er in het witte gebouwtje een
poort is geweest die dicht is gemetseld. Dat is een van de toegangspoorten
geweest. Kortom, qua bouw en afbraak is er wel het een en ander met dit kasteel
gebeurd.’ ‘Maar waar is Wittem, de huizen?’ wilde Louis weten. Opa
keek de andere kant op, wees op enkele huizen die rechts naast het grote gebouw
stonden. ‘Dat is Wittem-city’ zei hij en ging verder: ‘Maar het grondgebied
Wittem is veel groter geweest, bijna de grootste gemeente van het land. Vele
dorpjes als Partij, Epen, Eys, Slenaken, Nijswiller, Wahlwiller, Mechelen
behoorde bij deze gemeente. En omdat deze gemeente, of liever gezegd de heren
van het kasteel, zo belangrijk waren wordt de naam Wittem heden ten dage nog
steeds zo gebruikt in de naam van de gemeente.’ Vragend keek Louis naar opa die begreep dat er meer
toelichting werd verwacht: ‘Het kasteel heeft steeds machtige bewoners gehad,
die Wittem groter maakte en bewoners met speciale banden met andere machtige
personen en daarmee ook invloeden. Om dat nu helemaal uit te diepen lijkt me
voor nu wat overdreven. Maar om een voorbeeldje te noemen, de eerste stap in de
Tachtigjarige oorlog vond hier plaats. Toen Karel de Vijfde in Aken tot Keizer
werd gekroond heeft hij de nacht ervoor hier geslapen. Dat zou niet zijn
gebeurd als dit een simpele dorpsherberg zou zijn geweest. Ze kregen ook
Russische tsaren op bezoek en ook is er eens een paus op bezoek geweest. Willem
van Oranje heeft er ook nog geslapen. En je kunt er nog steeds slapen zodat we
vast over enkele jaren kunnen melden dat een zekere Louis hier geslapen heeft.’
Een lichte grijns verscheen op het gezicht van Louis. I Even kwam er een droog kuchje uit opa’s mond maar ging
daarna gestaag verder: ‘Met de Franse revolutie werden de Rijksheerlijkheden
opgeheven en was het gedaan met de heerlijkheden’ en keek opa nog ’s naar het
bierlogo. Hij vervolgde met: ‘Er heeft nog een tijdje een slanke freule gewoond
die de touwtjes over dit kasteelrijk met hoeve en landerijen stevig in de hand
hield, die mannen op spierkracht water naar boven liet pompen en andere mannen
voor het splitsen van het brandhout liet aanrukken, om zichzelf te kunnen
douchen. Maar ook deze tijden zijn voorbij. Er kwam een hotel en restaurant in,
wisselde nog van eigenaar waarmee hotels en restaurants sloten maar ook weer op
een net iets andere manier opende. Dat was en is nog steeds succesvol,
verschillende malen prijkte er een Michelinster in het kasteel. Het is jammer
dat de keurmeesters en meesteressen van zittend tafelen houden want anders had
de frituur die hier ruim vijfentwintig jaar in de ruimte links heeft gezeten er
vast op zijn minst één ster verdiend. Daar werden de frites met eigen gekweekte
aardappels van de kasteelhoeve gebakken. Echt superlekker. Helaas, net als de
freule is de frituur de Kasteelhoeve er niet meer. Freule is gestorven en de
frituur heeft de overstroming in het Geuldal van zomer 2021 niet overleefd.’ Zo werd het verhaal toch enigszins triestig afgesloten. Ze
stapte op de scooter, helmen gingen weer op en opa reed naar het grote klooster
aan de overkant, naast het terras en rechts van de weg. Daar werd weer
afgestapt en deze keer ging de scooter ook op slot. Louis keek nu bedenkelijk,
zouden we het klooster ingaan? Klooster van Wittem
Even kwam opa in beweging om naar binnen te lopen maar
bedacht wat hij nog wilde zeggen: ‘En, wat ook bewaard is gebleven is de
bibliotheek. Een hele grote mooie hout betimmerde ruimte, door de broeders zelf
met de hand gemaakt, waar geheel rondom tot hoog boven aan het plafond in
rekken tachtigduizend boeken stonden opgesteld. Op de begane grond en dan nog
twee galerijen verbonden met twee gietijzeren trappen. De boeken zijn in de
jaren zeventig in zijn geheel verkocht aan de Universiteit van Nijmegen. Omdat
het zo wel erg kaal was zijn er weer boeken verzameld en die staan nu op de
plek van de oude boeken. De ruimte wordt nog steeds gebruikt voor concerten,
symposia en andere bijeenkomsten.’ Louis knikte rustig, van opa kwam nu ook iets anders in
beweging dan zijn mond, hij liep niet naar de ingang maar even verder tot de
kapel die een eigen voordeur had. De zware houten deuren gingen open en daarna
een glazen schuifdeur. Ze kwamen uit aan de achterkant van de kapel. Vrij zwaar
bouwwerk, rijkelijk versierd. Achter elkaar liepen ze een stuk naar voren en
opa tuurde even om zich heen. Net voor opa begon te vertellen vroeg Louis:
‘Toch niet weer een lang verhaal he?’ Dat had opa niet verwacht maar begreep
zijn kleinzoon wel. Hij zei: ‘OK, over elke ruimte twee dingetjes.’ Louis
knikte instemmend en opa begon: ‘Eén, alles in deze kerk is op elkaar afgestemd
en heeft vaak symbolische waarden. Deze ruimte is geschilderd door Charles
Eyck, een bekende Limburgse schilder en twee, ik had je al verteld dat
Plettenberg dit kasteel en kapel heeft laten bouwen. Hij had hier ook een eigen
plekje en wel boven de ingang, waar normaal het koor zingt. Het wapen van hem
staat daar rechtsboven afgebeeld.’ Nu stak Louis een voorzichtig vingertje op en vroeg:
‘Vraagje, en wie is die man die geknield zit?’ Opa: ‘Aha, een bonusverhaal, dat
is Van Rossum. Die heeft aan de bakermat gestaan van dit Redemptoristenklooster
en de paus van destijds heeft hem kardinaal gemaakt en dat is dan na de paus de
belangrijkste rang.’ Een goedkeurend knikje van Louis volgde. Links in de kerk is een doorgang, daar liepen ze samen,
naast elkaar, door en kwamen in een ronde kapel. Een beeld van Maria met
allerlei kaarsen die mensen die dag hadden ontstoken. Met pin kon je een kaars
kopen. Bovenin was een blauwe koepel met sterren en er kwam bovenin daglicht
binnen. Opa nam weer het woord al was dat wel op een bijna fluisterende toon:
‘Deze kapel is ontworpen door een pater die hier woonde en voor hij hier intrad
professor in de bouwkunde was. En het tweede is dat deze vloer in 1848 is
aangelegd, met koperen ingelegde strippen erin verwerkt. Al die jaren hebben er
duizenden en duizenden mensen over gelopen. En ziet nog steeds als nieuw uit.
Over de biechtstoel kan ik niets vertellen want dan zou dit het derden zijn.’ Nu keek Louis weer vragend. Opa kon het niet laten om er dan
toch iets over te vertellen: ‘De kerk geeft een richting aan hoe je kunt leven
met jezelf en anderen. Mocht daar ergens iets verkeerds gaan dan kan
vergiffenis gegeven worden. Vroeger ging je dan in de biechtstoel als deze
zitten en kon je bij de biechtvader, een priester, opbiechten wat je verkeerd
had gedaan. Die gaf je dan een straf om weesgegroetjes of zo te bidden en kon
je zonder zonde verder leven.’ Louis keek nu nog meer vragend dan aan het
begin. Ze gingen naar de volgende ruimte, een soort L, met banken
en in de hoek een klein podium. Met dezelfde gedempte stem als net ging opa
verder: ‘Dit is de kapel die in 1961 gebouwd is geworden, zestig jaar later
werd het nog steeds de nieuwe kapel genoemd omdat ervoor nog een houten kapel
heeft gestaan. Die hele ruimte was tot enkele jaren geleden een kapel. In de
binnenste hoek staat het beeld van Gerardus, verbonden met een dikke betonnen
balk als plafonddeel met het altaar. Gerardus tussen de mensen. Tegenwoordig is
de boekhandel naar deze ruimte verplaatst. Deze ruimte wordt nu gebruikt voor
bijeenkomsten die dikwijls een link met het geloof hebben, hoe je vandaag te
dag iets aan je geloof kunt hebben.’ Bij Louis zijn ogen kwamen steeds in een
grotere vragende stand te staan. Het leek er op dat opa een beetje haast begon te maken. Er
was een deur naar buiten die ze door gingen. Nu waren ze bij een tuin
aangekomen die zich op een hoger deel bevond. Enkele tientallen meters liepen
ze naar rechts en daar was een luik naar een kelder. Hier stopte opa en
vertelde: ‘Hier achter heb je een grafkelder waar broeders begraven werden en
nog steeds worden. Wat er ook ligt is het hart van Plettenberg. Die was erg aan
Wittem gehecht, maar stierf op grote afstand van Wittem. Voor dat het lijk met
paard en wagen in Wittem zou zijn zou het niet meer fris ruiken en werd daarom
beperkt tot het hart dat in een mooie pot is gestopt. Zo lag en ligt nog steeds
het hart van Plettenberg in Wittem.’ Van
een vragend gezicht veranderde het gezicht van Louis nu in een vies gezicht. Er werd een stukje verder gelopen, over smalle paadjes en zo
kwamen ze bij een beekje uit dat onder de grond stroomde. Opa: ‘Dit is de
molentak van de Selzerbeek om de molen van net aan te drijven. Maar… hier is
ook een klein molenrad en dat is of was in gebruik om water in het klooster in
op te pompen.’ Goh, een verborgen molentje dacht Louis. Wel leuk natuurlijk om naar een verborgen molentje te kijken
maar de tijd tikte bijna nog sneller dan het molenwiel. Dat realiseerde opa
zich ook, hij wilde nog meer laten zien die dag, lekker toeren door het
Limburgse heuvelland. En voor Louis begon het ook te lang te duren. Ze liepen
weer terug naar de deur waar ze door naar buiten waren gegaan. Opa zat in
dubio, snel verder gaan of toch nog een dingetje? Opa legde het aan Louis voor:
‘Nu heb ik al twee dingen buiten verteld en nu kan ik je niet meer vertellen
wat er in dit gebouwtje was, of wil je het toch weten?’ Louis knikte even en
zei: ‘oké, vertel dan maar’. Met een over gelukkig gezicht begon opa: ‘Erachter
was en zijn nog wat resten van een kweekkas, maar in het gebouw hiervoor was
een bierbrouwerij.’ En het geluk straalde van opa af en ging verder: ‘Hier werd
tot 1952 het Gerardusbier gebouwen. En hoewel in dit stoffig gebouwtje geen
bier meer gebrouwen wordt kun je het vandaag de dag nog wel drinken. Niet uit
een oude voorraad maar bij de Gulpener bierbrouwerij worden nu diverse
Gerardusbiersoorten gebouwen. En die zijn op tal van plaatsen te koop.’ Louis
zijn gezicht stond nu even uitdrukkingsloos Samen liepen ze naar binnen, door de nieuwe kapel, langs de
boekenwinkel van het klooster naar de volgende ruimte. Dat was een ruimte met
heel veel kaarsen en een beeld van Gerardus. Enkele mensen zaten er in stilte
te staren naar de brandende kaarsen. Ze kwamen weer buiten. Daar stapte ze op
de scooter en die reed verder, richting de verkeerslichten een stukje verderop.
Met het nodige wachten op het groene verkeerslicht reden naar links. Ongeveer
een kilometer verder kamen ze bij een voetgangersoversteekplaats. Daar hield
opa in, stak de weg over en reed een smalle weg in. Wahlwiller
Opa begon met een licht droog schrapende keel dan toch aan
zijn verhaaltje: ‘Deze weg is ook een oude weg naar Aken en hierlangs is dit
dorpje, Wahlwiller, ontstaan. En dat geldt ook voor Nijswiller een stukje
verder op maar daar gaan we nu niet naar toe. Net als de meeste Limburgse
dorpjes heeft ook dit dorpje al eeuwenlang een kerk die in de loop der jaren de
nodige bouwvakkers aan haar zijde zag staan. Maar daar ga ik het nu niet over
hebben. Wel over schilderijen die in deze kerk hangen, de Cunibertuskerk. Met
name de kruiswegstaties, het lijdensverhaal van Jezus. Tijdens de Tweede
Wereldoorlog was er een beginnend kunstenaar, Aad de Haas genaamd. Die zag
letterlijk zijn geliefde stad Totterdam platgebombardeerd worden door de
Duitsers. Dat heeft hem beïnvloed, dat kun je je wel voorstellen. Hij maakte
erna schilderijen die een niet al te rooskleurig beeld van de Duitsers gaven.
Die werden tentoongesteld en daar waren de Duitsers dan weer niet zo van
gecharmeerd en werd opgepakt. Hij had geluk met de mensen die toezicht op hem
hielden en kreeg de tip te vluchten. Hij trouwde nog net met zijn vrouw in
Rotterdam en namen samen de trein naar het diepe zuiden en kwamen terecht in
Ingber, het plaatsje waar we net als eerste waren. Hij is daarna nog enkele
malen verhuisd maar wel in deze hoek van Zuid-Limburg blijven wonen.’ Een Rotterdammer die hier op deze plek terecht komt. Louis
was benieuwd waar het verhaal naar toe ging, opa ging verder: ‘Aad kreeg na de
oorlog, in 1946 een opdracht, zijn eerste grote opdracht. Deze kerk verfraaien
met schilderingen en een nieuwe kruisweg. Veel eisen werden er niet gesteld en
nam de opdracht aan “voor het geld wat een kleine parochie kan missen.” Hij
ging een paar keer in het kerkje kijken om het gevoel van de ruimte te krijgen
en hoe de lichtinval was. Hij ging aan de slag. Nu was het niet een doorsnee
kunstenaar die klassieke voorstellingen maakte van de lijdensweg, het waren een
soort wazige figuren met embryoachtige hoofden, een figuratief
expressionistische vorm. Door het intensief meemaken van de oorlog was hij de
mening toegedaan dat de mens geen gezicht meer had. Aan zijn werken voegde hij
nog tal van symbolische betekenissen toe, ook om het verhaal actueel te maken.
In plaats van de gebruikelijke veertien kruiswegstaties maakte hij er zestien.
Er waren toen al mensen die het prachtige kunst vonden maar toch ook mensen die
het niet waardig genoeg vonden. De pastoor wisselde nog wel eens van mening
over het resultaat die sterk afhankelijk was met wie hij onlangs sprak en wat ervan
in de kranten en bladen stonden. Want het commentaar beperkte zich niet tot dit
schattig dorpje, er kwamen in tal van landelijke tijdschriften publicaties over
deze kruisweg. Ook het bisdom en zelfs Vaticaan liet van zich horen. Het
resultaat was dat in 1949, hetzelfde jaar waarin de opdracht klaar kwam, de
kruiswegstaties uit de kerk verwijderd moesten worden. In de hoop ze nog een
keer terug te kunnen plaatsen kocht een stichting de schilderijen waardoor ze
behouden bleven. In de loop der jaren was het tij gekeerd, de tijd had geleerd
dat men beter de waarde wist in te schatten en dat leidde er weer toe dat ze in
1981 teruggeplaatst konden worden. Met dit verhaal zijn de schilderingen nu erg
populair geworden, is het soms zo druk in de kerk dat de bewoners van
Wahlwiller geen plek meer hebben en is het zelfs zo dat een opa uit Maastricht
naar hier komt om dit verhaal aan zijn kleinzoon te vertellen.’ De ogen van Louis draaide naar boven en die van opa naar het
terras aan de overkant van de kerk en richtte zich daarna weer naar Louis en
vertelde hem: ‘En Wahlwiller heeft nog iets anders. Links op de helling waar we
net langs reden bevinden zich enkele wijngaarden. Nu wordt er verteld dat de
Romeinen hier ook al wijn verbouwde. Na de middeleeuwen en nadat Napoleon er
zich mee bemoeide en er een planteziekte uitgebroken was, was het in ieder
geval voorbij met het maken van wijn hier. In 1968 werd er in Maastricht op de
zuidhelling van Slavante weer begonnen een wijngaard aan te leggen. In 1971
begon een huisarts hier als hobby met een wijngaard. Dat werd de “Wittemer
wijngaard” want Wahlwiller is een onderdeel van Wittem. Zo’n wijngaard beginnen
is veel experimenteren hoe je het beste druiven kunt kweken om wijn te maken en
dat ging best succesvol.’ Beide keken gelijktijdig in de verte achter de kerk waarna
Louis dan toch met vraagje kwam: ‘Maar waarom is dat dan juist hier en niet ergens
anders een wijngaard?’ Dat vond opa een leuke vraag en gaf als antwoord: ‘Op de
plek van de wijngaard heb je een soort microklimaat, het ligt beschut op een
helling en wel helemaal op het zuiden gericht waar de meeste zon vandaan komt
en daarmee is het daar normaal altijd enkele graden warmer. Daarbij is hier een
kalkrijke bodem die goed voor de voeding is maar ook de warmte langer weet vast
te houden. Er liggen hier in de buurt meerdere wijngaarden. Hier heb je overal
heuvels op de dalen van de Geul die richting de Maas gaan.’ Louis knikte instemmend maar nu had opa een vraag: ‘Weet je
welke diertje daar in de wijngaard voorkomt?’ Dat kunnen er zoveel zijn…
konijnen, egels, eekhoorns… de korenwolf zal het vast niet zijn… Een vragend
gezicht was het antwoord. Opa: ‘De wijngaardslak.’ De ogen van Louis draaide
spontaan naar boven. Opa maakte een gebaar dat hij verder wilde, wees met zijn
vinger rechtdoor, en zei erbij: ‘rechtdoor heb je de oude weg naar Nijswiller.
Daar heb je een oud kasteel, al eeuwen een knus kerkje en ook oude huisjes.
Maar soortgelijks hebben we of gaan we nog zien dus dat slaan we nu even over’
en ze vertrokken rechts het straatje in. Staken de grote weg over en vervolgde
die weg tot aan het einde en gingen daar links totdat ze in Mechelen uitkwamen. Mechelen
Even om zich heen kijken en daar begon opa weer: ‘Dit
complex wordt de Heerenhof genoemd en maakte deel uit van een Commanderij. Een
Commanderij is de kloosterorde van de Johannieten die hier eeuwen gewoond
hebben. Kloosters zijn in principe zelfvoorzienend en dragen daarnaast hun
steentje bij aan de maatschappij. Bij deze Commanderij, die al in 1215 genoemd
wordt, behoorde grond, het woongebouw, de boerderij en een molen. Nu trokken
vroeger nog wel eens plunderende soldatentroepen langs die de boel in brand
staken. Zo gebeurde dat hier in 1588. De naastgelegen kerk is toen ook
afgebrand. De kerk is weer opgebouwd en de boerderij ook maar het woongebouw is
niet meer opgebouwd. De Johannieten vertrokken en de achtergebleven bezittingen
werden verpacht totdat de Franse Revolutie kwam. Alles kwam aan de staat toe en
werd particulier verkocht. Tussentijds zijn hier vaker branden geweest en
steeds weer opgebouwd en aangebouwd. Nu zijn er recreatiewoningen, woningen en
enkele maatschappelijke instellingen. Kortom, de paarden en tractoren zijn er
verdwenen.’ Er was ook niks meer te ruiken van koeien en broeiende mest.
De scooter werd gestart en reed rechtdoor verder over een pad. Dat kwam weer op
de doorgaande weg uit en stopte even. Opa keek nog eens aandachtig recht
vooruit waar een terras was en daarna keek hij naar links. Hij zei: ‘Louis,
kijk even naar dat grote hoekige witte pand daar in de bocht’ en Louis keek ook
even naar dat pand. De scooter begon weer te rijden en ging rechts op. Net waar
rechts ineens een beek was te zien stopte opa rechts en daar ging de scooter
weer uit. Aan de ene kant van de straat een vakwerkhuis en aan de andere kant
een pompeus gebouw met als naambord “De Oude Brouwerij”. Hier zal opa vast iets gaan vertellen dacht Louis, en ja
hoor: ‘Of het nu helemaal klopt wat ik je ga vertellen weet ik niet maar het
zit wel in die richting. Ruim tweehonderd jaar geleden werd het pand aan de
overkant gebouwd om er een bierbrouwerij in te vestigen. Die is er ook gekomen
en er is een tijd lang dan ook bier gebouwen. Maar voor deze brouwerij er kwam
was er een andere brouwerij, een banbrouwerij en die bevond zich in het witte
grote witte hoekige pand wat ik je net liet zien. Je had hier honderden jaren
de Commanderij die op hun eilandje alles voor het zeggen hadden en de heren van
Wittem, later Plettenberg, die daar buiten alles voor het zeggen hadden. En je
weet, de bewoners waren verplicht van een banbrouwerij hun bier af te nemen.
Dat was dus bij dat hoekige pand. Plettenberg heeft er ook ergens zijn
familiewapen in laten metselen. Ergens in het verre verleden zijn ze daar mee
gestopt, zou me niets verbazen als dat met de Frans revolutie was.’
Het vingertje draaide nu naar het grote gebouw aan de
overkant, boven de Kleine Geul. Bij het wegdraaien van het vingertje begon het
praatje van opa: ‘Daar heb je de Commandeursmolen, als onderdeel van de
Commanderij waar de Heerenhof ook een onderdeel van is. De molen is een schenking
geweest maar dat zag er toen niet zo uit als nu. Ook deze was ooit van hout, is
herbouwd, in brand gestaan, opgebouwd en verbouwd. Een molen is de fabriek van
vroeger. Enkele tientallen jaren geleden waren hier zo’n vijftig mensen
werkzaam. Het is een papiermolen geweest, graanmolen en mengmolen van
dierenvoeding. Vandaag de dag is het een moderne molen geworden met oude
elementen die je kunt bezoeken.’ Louis schudde van nee, daar had hij geen zin
in. Langzaamaan had hij weer genoeg gezien. De scooter kwam weer in beweging. Na enkele honderden meters was rechts de Schweibergenweg en
even verder reed opa links een klein straatje in wat bleek weer een molen te
zijn. Er werd gestopt. Opa begon weer: ‘Dit is de Bovenste molen, net waren we
bij de Onderste molen. Deze ligt boven de stroming van de Geul, de onderste
ligt onder aan de stroming van de Geul. Vroeger werd deze molen de Wolvenmolen genoemd
maar dat wordt niet meer gebruikt. Waar de Commandeursmolen voor de Commanderij
was bedoeld, was deze voor de inwoners van de heerlijkheid van Wittem de
banmolen. Ook hier liet Plettenberg zijn wapen inmetselen. Na de Franse
Revolutie zijn beide molens een tijdje van dezelfde eigenaar geweest. Ook hier
werd papier gemaakt, graan gemalen en voeders gemengd.’ Molens had Louis ondertussen nu wel weer genoeg gezien. Hij
begon zich ondertussen wel iets anders af te vragen en vroeg aan zijn opa:
‘Proeft u die molen nu in een Brandspils? Opa moest even nadenken: ‘Ja,
eigenlijk wel. Ook zo’n molen aan zo’n kronkelend riviertje tussen de groene
heuvels is voor mij het Limburgse Heuvelland. Net als ik ook die
vakwerkboerderijen hier overal zie en weet dat in ’t Höfke, een buurtschap aan
de overkant van de weg, en al die andere buurtschappen, nog veel meer van die
schilderachtige huisjes zijn. Dat proef ik in een Brandpils.’ Louis probeerde
dat gevoel te begrijpen en knikte voorzichtig. Hij voegde daaraantoe: ‘Dus ook
die holle weg, kastelen en Rijksheerlijkheden, brouwerijen, kerken, kalkovens,
veldkruisen, strategische heuvels, Mariabeelden, sages, Romeinse wegen,
kloosters.’ Nu knikte opa en zei erbij:
‘En dat heb ik ook bij toeristen, de natuur hier, geologie, het leven zoals het
vroeger was. Dan laat ik je straks nog zien.’ Nu knikte Louis vrolijk, hij had
nog wat te verwachten. De scooter kwam weer in beweging. Epen
Louis keek om zich heen. Hij zag een verdwaald koppel lopen
op sportieve wandelschoenen met grijs haar en enkele dames met overwegend
geverfd haar die op een terrasje zaten. Beetje saai, beetje kneuterig. Hier
voelde opa zich nog te jong voor. Veel meer was er niet te zien in het dorpje
en opa kon weer de scooter in beweging zetten om toch nog iets levendigs in het
dorpje te krijgen. De bocht in de weg werd gevolgd en achter Hotel de Kroon
gingen ze rechts op. Dat was een aardig stijl bergje waar de scooter wel enige
moeite mee had. Opa, met grijs haar, en Louis zaten stijfjes op de scooter voor
zich uit te staren.
Het was er best stil maar dat moest toch weer door opa
onderbroken worden: ‘Ik had het over het boek “Uit ons Krijtland”. Toen in de jaren dertig van de vorige eeuw achterliggend
hotel gebouwd werd is het naar dat boekje genoemd. Het eerste gebouw verder aan
deze kant van de weg wordt Gerardushoeve genoemd. Tijdens de oorlog moest de
man des huizes, een boer dus, soldaat zijn. Maar bij zijn eerste daad werd hij
al krijgsgevangene. Zijn vrouw was in verwachting en zij bad tot Gerardus van
Majella. De Gerardus van het klooster in Wittem waar we eerder waren. Ze bad dat
hij maar snel en gezond weer thuis zou komen. Toen dat inderdaad na een tijdje
gebeurde hebben ze hun hoeve naar Gerardus genoemd en heet het huidige
restaurant ook zo.’ Louis glimlachte voorzichtig. Opa ging door: ‘Heimans wandelde door dit gebied.
Oorspronkelijk was hier zee die elke keer steeds een laagje kalk achterliet en
zo tientallen meters groeide. Dat werd het plateau, hier staan we op het
Plateau van Crapoel, niet te verwarren met krapuul. Aan de overkant hebben we
te maken met het Plateau van Vijlen. Er
verscheen een waterstroompje dat later de Geul werd genoemd en die holde het
hele gebied voor je uit tot het huidige Geuldal. Toen werden ook lagen in de
grond zichtbaar, hier komt op enkele plekken de zogenaamde Formatie van Gulpen
aan het licht. Die formatie bestaat ook weer uit verschillende lagen. Toen
Heimans hier beneden wandelde ontdekte hij op verschillende plekken gesteente,
delen van die lagen, aan de oppervlakte komen. Voor de bewoners was het gewoon
maar hij wist het bijzonder te maken. In zijn boek schreef Heimans ook over
zo’n plek hier beneden. Dat is ondertussen een geologisch monument geworden,
ook naar hem genoemd, de Heimansgroeve. Deze wordt nu ook speciaal onderhouden
om deze in stand en goed zichtbaar te houden. Bij deze groeve is een zeven
meter diepe kelder gemaakt, te betreden via een deksel op de grond Daar staat een
seismoloog in opgesteld die diep in het gesteente aardbevingen meet. De
samenstelling van de grond en andere invloeden zorgt er voor dat hier zeldzame
planten voorkomen. Hier zijn ook eeuwenoude houtwallen, holle wegen,
rivierbedding die ook weer voor een zeldzame plantengroei zorgen. Hier over de
grens werd zink gedolven en deels ervan kwam in het Geulriviertje terecht die het
zink in dit gebied wist te verspreiden. Het gevolg was dat er plantjes niet
meer voorkwamen maar andere er juist wel gingen groeien. Het Zinkviooltje is
dus een uniek plantje dat hier nog groeit. Maar in de tijd dat Heimans hier rondliep
waren het er nog veel meer omdat de mijn toen nog in productie was.’ Dat was
een pittig verhaaltje, besefte ook opa. Louis stond wat stijfjes te staren
nadat hij binnen korte tijd een verhaal over miljoenen jaren te horen had
gekregen. Om het luchtig af te sluiten zei opa: ‘Hier precies naar het zuiden
heb je het zuidelijkste puntje van Nederland.’ Géén reactie van Louis. Tijd om
een stuk te gaan rijden. Ze verlieten de parkeerplaats en reden verder. Eerst kwamen
ze langs de Gerardushoeve en daarna reden ze het buurtschap Eperheide binnen.
Hier herkende Louis hier en daar de vakwerkhuizen. Eperheide uitgereden waren
er links weer vakwerkhuizen met een bord erbij met “Schaapskooi”. De plek waar
opa met stemverheffing van zich liet horen: ‘Hier is de thuisbasis van honderden
schapen, het Mergellandschaap. Een Mergellandschaap is te herkennen aan zijn
zachte gele vacht, hihi. In diverse kuddes gaan ze op pad voor begrazing. In
tegenstelling tot een machinemaaier weten die schapen een goed onderscheid te
maken tussen wat wel en niet weg kan en komen op plekken waar de machine niet
kan komen. Het gaat hier om landschapsbeheer. Er is ook een winkeltje en er
zijn schapige activiteiten te doen, groepsblèhèhèhère en zohóhóhó.’ Was maar beter als opa zijn mond hield
bedacht Louis zich. Bij een kruising in het bos ging opa links, een stukje
onverharde weg. Echt in het bos, bij een zwarte bank draaide opa en stopte. Na
even aan de stilte gewend te zijn begon opa: ‘Hier onder heb je het
Onderstebosch. Daaronder heb je het…’ Opa hield even in, Louis wist daar geen
antwoord op te geven waarna opa verder ging: ‘Daaronder, zuidelijk, heb je het
Bovenstebosch. Het Onderstebosch is laag, het Bovenstebosch hoog. Aan de andere
kant van de weg heb je ook een bos. Dat zijn aan elkaar geschakelde delen van
hele oude bossen. Heimans schreef over dit bos dat dit het mooiste bos was van
het land, en die heeft toch heel wat bos gezien in Nederland zou je zeggen.’
Geen reactie van zijn medekompaan. Ze reden weer terug naar de weg en gingen
links naar Slenaken. In het buurtschap Heijenrath volgde ze de weg naar links.
Even verder draaide de weg naar rechts, met een ruime boog om een groot hotel
links, de weg naar beneden toe. Een stuk verder kwamen ze langs een huis met
een bordje Loorberg. Weer draaide de weg, eerst naar rechts en links en toen
verschenen er terrasjes. Opa reed toch nog een stukje verder. Slenaken Aan het einde van de weg niet links naar de kerk maar
rechts. Na enkele huizen rechts was er een parkeerplaatsje. Aan het uiteinde
van die parkeerplaats was een groene heuvel te zien. Nadat de scooter stil was
komen te staan, de heren de omgeving in zich hadden opgenomen, de terrasjes aan
de overkant van de weg hadden gezien, kon opa beginnen: ‘Ongeveer honderd jaar
geleden was er in Slenaken een tijd een grote konijnenplaag. Die plaag was toen
zo groot dat een derde van alle uitgaven van de gemeente bestemd waren om de
konijnen te bestrijden. Dan kun je je voorstellen dat het met Kerst geen feest
was als er konijn op het menu stond, dat aten ze bijna elke dag al.’
Reijmerstok Zonder een bezoekje aan de bakker of terras ging het tweetal
de weg vervolgen. Een rechte weg met bomen langs de kant tussen de weilanden
door. Het gebied rechts bevond zich iets lager. Halverwege was rechts een groot
molencomplex te zien. Bij enkele huizen een weg naar rechts, rechtdoor berg op
en tussen de splitsing een elektriciteitshuisje. Hier stopte opa. Louis was
benieuwd wat opa te vertellen had over het elektriciteitshuisje en nam een
luisterende houding aan waarna opa van start kon gaan: ‘Over deze plek heb ik
eigenlijk niks te vertellen. Maar als je nu links de weg naar boven neemt, kom
je bij het oude klooster Hoogcruts. Ga je daar rechts op, kom je vanzelf in
Reijmerstok. Daar wilde ik nog met je naar toe maar het wordt te laat en de weg
rechts door het Gulpdal is eigenlijk veel mooier.’ Er bleef door Louis geluisterd worden, opa ging door: ‘Zoals
vaak dorpen zijn ontstaan doordat er een hoeve was, zo is ook Reijmerstok
ontstaan. Als je vanuit Hoogcruts Reijmerstok inrijdt, is de eerste boerderij
links de Puthof waarbij de rest van het dorp is ontstaan. Op het pleintje
ervoor stond vroeger een dorpsput. Reijmer was in de middeleeuwen toen
Reijmerstok ontstond al een voornaam, stok is een vaste verblijfplaats en zo
kwam ook de naam Reijmerstok aan zijn naam. En als je bij de Puthof links de
weg vervolgt kom je bij een parkeerplek en daar ligt, onder een bronzen
monument een steen. Die steen is hebben ze ooit gevonden, hadden deze in Gulpen
willen neerleggen maar de Jonkheid, de club ongetrouwde mannen van het dorp,
wist dat te verhinderen en nu ligt deze in het dorp. De steen is één a twee
miljoen jaar oud en is heel langzaam vanuit de Ardennen of Vogezen, deze kant
op geschoven.‘ Louis: ‘Dan hoop ik maar dat ze de steen goed vast gelegd hebben
zodat deze straks niet is verdwenen.’ Zo’n grote steen zal niet zo snel van
zijn plek komen. Opa wees even naar de rechterweg en ging verder: ‘Deze weg
door het Gulpdal gaan we nu in. Dit dal is ook uitgesleten door het riviertje
de Gulp. Deze is dieper uitgesleten dan het Geuldal maar dat is weer veel
breder is uitgesleten. Aan de zijkanten ook weer bijzondere planten. We komen
straks door Beutenaken, Waterval en Euverem. Euverem herken je aan de huisjes
van het vakantiepark. In Euverem was ook ooit de tramlijn van Maastricht naar
Aken. Op een hoogte van zeventien meter boven de grond rolde de tram over een
ruim zeshonderd meter lange ijzeren constructie op staanders. Als je in de tram
zat had je zowel links als rechts een afgrond en zweefde je als het ware door
het land. Daarna zijn dergelijke railbanen alleen nog in attractieparken
aangelegd. We gaan nu echt een stukje doorrijden.’ Ze gingen weer zitten, de scooter veerde als een
vreugdesprongetje. Langzaam maakte ze snelheid. Langs de kant van de weg waren
veel weilanden te zien en de hellingen van het dal. Hier en daar was een oud
huisje te zien, soms zelfs vakwerk. Waar de huizen dichter bij elkaar stonden
was een plaatsnaambord te zien. Ze kwamen door Beutenaken, Waterop,
Billinghuizen en Euverem met links het vakantiepark. Een weg zoals je
Zuid-Limburg in gedachte hebt van de vakantiefolders. De weg ging stijgen en
het was te zien dat er een einde aan deze weg kwam. De laatste bochten en daar
was een drukke rijksweg weer te zien. Maar net voor ze bij de weg kwamen dook
opa naar links waar een klein opritje was naar een kleine picknickplek. Daar
stopte ze. Kasteel Neubourg
Louis bleef aandachtig luisteren, opa ging verder: ‘Tijdens
de oorlog was een deel van het kasteel een internaat van de Broeders uit
Katwijk aan Zee. Op Gymnasiumniveau werd er lesgegeven. Daarna gebruikte de
Amerikanen het als hoofdkwartier en werd het enkele jaren daarna een
hotel-restaurant. Maar aan goede tijden kan wel eens een einde komen. De man
die het kasteel had gekocht er iets moois van wilde maken stierf door een
ongeluk en zo erfde zijn zoon het kasteel. Ook hij had er mooie plannen mee
maar dat lukte niet helemaal. Voor dat het helemaal gaat vervallen zullen er
nog wel miljoenen aan uitgegeven worden. En weet je wat nu echt leuk is aan dit
kasteel?’ Louis knikte van nee want hij wist dat wat opa bedoelde toch nooit
zou raden. Opa: ‘Bij de Gulpen bierbrouwerij hebben ze een pils bedacht met de
naam “Château Neubourg pilsner” en dat zit in hele mooie blauwe flesjes.’ Nu
had Louis weer even genoeg gehoord. De scooter werd weer gestart en reed tot de Rijksweg. Bij de
Rijksweg gingen ze rechts naar beneden waar het dorp Gulpen aan hun voeten lag.
Direct onder aan de weg gingen ze naar rechts. In de binnenbocht een mooie
grote vijver met mooie fonteinen. Best wel groots voor zo’n dorp, je zou het
eerder in een park in de stad verwachten. Na een brugje weer rechts een smal
straatje in. Opa, stak zijn vinger uit naar links naar een jaren dertig gebouw
en riep: ‘Hier was ooit de Landbouwschool van Gulpen’ en wisselde zijn handen
aan het stuur en wees rechts naar een watermolen en riep daarbij: ‘De Neubourgermolen
met het grootste waterrad van Nederland.’ Gulperberg
Ze waren rechts opgegaan, langs het zwembad en reden daarna
op een Limburgse weg. Kronkelend, hier en daar een holle weg en vooral
stijgend. De scooter was duidelijk niet gemaakt voor een helling met twee
personen. Boven aan de weg naar links en waren er mooie vergezichten. Rechts
was even verder een camping met links een parkeerplaats en rechts een
zijweggetje. De weg volgend ging de smalle weg gewoon verder. Ook weer met een
prachtig uitzicht op Gulpen dat in het Gulpdal lag. Bij een bocht was weer een
horecagelegenheid en daar stopte opa, bij een groot houten kruisbeeld. Opa kwam weer in de vertelstand: ‘In 1834 kwamen twee
Redemptoristen, een kloosterorde, met de pastoor van Gulpen in contact en
besloten een volksmissie te houden, enkele dagen intensief prediken en
biechtafname. Het was een succes, elke dag duizenden en duizenden bezoekers uit
de verre omtrek. Om meer ruimte te hebben weken ze uit naar Wittem en daar
moest zelfs buiten de kapel een podium opgebouwd worden omdat er zoveel
bezoekers op af kwamen. Ter herinnering werd de laatste dag een kruis tegenover
de kapel geplaatst maar de inwoners van Gulpen wilde ter herinnering aan deze
volksmissie ook een zogenaamd missiekruis op deze plek hebben. Onder
belangstelling van vele duizenden is toen dit missiekruis geplaatst. Naar
aanleiding van die volksmissie besloten de Redemptoristen zich blijvend te
vestigen in Wittem, in het klooster waar we net waren. En je weet wat dit voor
deze regio betekend heeft.’ Louis probeerde zich voor te stellen wat hij er nu
mee bedoelde, hij wist het wel maar wilde het weer bevestigd hebben en vroeg:
‘Het Gerardusbier?’ Opa knikte bevestigend. Hij ging verder: ‘Honderd jaar
later, in 1934, had het missiekruis een opknapbeurt gehad en de terugplaatsing
werd groots gevierd. Wel tienduizend mensen waren er toen op afgekomen. Maar er
kwamen altijd wel veel bezoekers naar dit missiekruis. Een paar jaar geleden is
het weer opgeknapt maar ondertussen was het niet meer bekend wie nu de eigenaar
is van het missiekruis. ‘ Ze keken naar het gezicht van Jezus dat bovenaan het vier
meter hoge kruisbeeld stilletjes hing.
Opa was niet stil: ‘En Jezus zag meer in die honderd jaar langskomen. In
1969 was op deze plek veel te zien. De camping waar we net langskwamen was net
een jaar ervoor geopend en kon wel wat naamsbekendheid gebruiken. De uitbater
bedacht om een talentenjacht te organiseren maar daar had de gevraagde
organisator, een journalist, niet zo veel zin in. Die hield liever een
popfestival. Het was de tijd van Woodstock waar het ging om liefde en vrijheid
en alles mogelijk was. Op pinkstermaandag van dat jaar kwamen de toen bekende
groep Brainbox en Armand plus een aantal Limburgse bands voor een kleine
onkostenvergoeding naar de camping toe. Op een door een plaatselijke aannemer met
steigerbuizen gemaakt podium werd muziek gemaakt en werd het relaxte publiek
vermaakt. Het was gratis toegankelijk, uit liefde en vrijheid. En ze zouden
gratis appels krijgen en een stuk van het varken aan het spit. Ze hoopte op
duizend bezoekers, misschien tweeduizend. Het werden bijna tienduizend
bezoekers die picknickmanden mee namen. Pinkster-picknick, Pinknick genoemd.
Het werd een succes. Er gebeurde tenminste wat in een brave tijd. Het was de
voorloper van Pinkpop, Jan Smeets was hier toen ook al bij betrokken. Het
vervolg was niet meer op deze plek maar in Geleen.’ Louis luisterde naar de
stilte, maar die werd verbroken omdat opa verder reed, een smal pad links in de
bocht richting een beeld op een dertien meter hoge sokkel.
Toen opa uitverteld was keek Louis naar het dal waar Gulpen
in lag en het vele groen en heuvels eromheen. In de verte herkende hij de
antennemast van Eys waar ze eerder naast stonden. Achter het Mariabeeld was een
recreatieweide met enkele bankjes en tafels. Ze gingen weer rijden, langs de
weide richting een bosje dat een parkeerplaats bleek te zijn. Daar reden ze
overheen en kwamen op de normale weg uit. Daar gingen ze links en hielden links
aan. ‘Wat is dat voor iets grappigs?’ vroeg Louis en wees naar een
rechtopstaande uitgezaagde metalen plaat op een steen te midden van een
grasperkje, precies op de splitsing. Bovenop was een wielrenner te zien, een
grote microfoon en rechts een silhouet met een kuif, wijnglas en sigaar. Opa
kon weer iets vertellen en kneep in de rem bij het grasperkje waar ze snel tot
stilstand kwamen.
Even gaf opa gas maar wilde nog iets zeggen en stopte weer:
‘De weg tussen Gulpen en hierboven was een smal stijl pad. Toen hier dat grote
Mariabeeld kwam te staan is ook besloten om een nieuwe brede weg aan te leggen,
deze dus, zodat men er inderdaad ook fatsoenlijk boven kon komen. In die tijd
was er de werkverschaffing. Bij de werkverschaffing moesten werkelozen min of
meer verplicht door de overheid met pikhouweel, schop en kruiwagen aan de slag.
Zo is deze weg aangelegd.’ Louis was weer helemaal stil geworden. Ze gingen
weer rijden, naar beneden. Genieten van het mooie uitzicht. Beneden aangekomen
waren de remmen voldoende getest en goed bevonden. Onder reden ze naar rechts
en kwamen bij het busstation uit. Gulpen Aan de zijkant van de bushalte stopte opa. Het was er een
drukte met die bussen en mensen die er rondliepen. Daar begon opa weer: ‘In
1825 werd op deze plek de weg tussen Maastricht en Vaals aangelegd. Dat zorgde
dat er een veel betere verbinding kwam met de dorpen in de buurt en steden
verder weg. Dat trok ook mensen en handel aan. Langs de weg kwamen huizen te
staan. Gulpen werd nog meer een centrale plek in Zuid-Limburg, een knooppunt.
De aanleg van de tram begin vorige eeuw zorgde ook voor meer bedrijvigheid.
Hier kwam toen een station. Daarna kwamen de bussen bij die naar de dorpen in
de omtrek reden. De tram verdween, de bussen rijden vandaag de dag nog steeds.
Naar Vaals, Heerlen, Geleen en Maastricht.’ Louis keek naar de bussen en winkels
en de drukke Rijksweg. Het tweetal kwam weer in beweging. Opa reed naar de
Rijksweg, ging rechts op en daarna snel links een straatje in dat iets naar
beneden liep. Na ruim honderd meter stopte opa voorbij een brug. Links was een
brede straat waar links ervan een riviertje in een met natuurstenen gemetselde
bedding stroomde. ‘Is dit de Gulp’ vroeg Louis waarop opa kon antwoorden: ‘Dit
is de Gulp in Gulpen. En hier links is de Looiersstraat waar vroeger looiers
actief waren. Dierenhuiden kregen in grote tonnen eerst een behandeling dat ze
onthaard werden en daarna in een andere ton een behandeling om het
verrottingsproces van de huiden te stoppen. Daar was veel water voor nodig en
dat kwam uit de Gulp en de Gulp werd ook gebruikt om de afvalstoffen kwijt te
komen. Vier bedrijfjes waren hier actief.’ Een stukje verder waren brede
trappen gemaakt waardoor je dicht bij de stromende rivier kon zitten. Aan beide
kanten stonden vrij nieuwe woningen en verder allerlei winkels. Ze gingen weer verder, de berg op en daar had de scooter weer
het meeste last van. Links een groot appartementencomplex, rechts vrij staande
huizen. Waar de weg naar rechts afboog was rechtdoor een soort woonerf waar je
met de auto niet door kon maar met de scooter wel. Bij het oprijden van de
stoep zei opa: ‘Deze boom links in het perkje is geplant toen de toenmalige
Koningen Beatrix vijftig werd. En dan zie je toch dat meningen kunnen
veranderen. Toen dit gebied bij Nederland kwam en Nederlanders, Hollanders
genoemd, hiernaartoe kwamen om de dienst uit te maken, Nederlanders protestant
waren terwijl hier de bevolking katholiek was, botste dat wel eens. Dat speelde
in de zeventiende eeuw dus eigenlijk ook beetje flauw nu nog Beatrix hierin te
betrekken. Protestanten zijn wel altijd gebleven en hebben hier in Gulpen ook
een eigen kerkje gehad. Het is dus allemaal goed gekomen, Beatrix kreeg haar
boom in het dorp. Van oudsher wonen hier ook Joden en ook zij hebben een eigen
kerkje gehad. Zo had je in een straal van tweehonderd meter drie kerken van een
ander geloof. De toeristen, veelal uit Nederland, zijn ook vaak protestants en
in de vakantieperiode willen ook zij graag naar de kerk. De kerk was dan te
klein. Daar is toen de toeristenkerk voor gekomen, tegenover de katholieke
kerk. Als er minder bezoekers waren kon die kerk kleiner gemaakt worden.
Inmiddels is het gebouw verbouwd tot gemeenschapshuis waar de toeristenkerk nu
een onderdeel van is geworden.’
Beetje sprakeloos reed het tweetal verder, links de berg af.
Halverwege wees opa naar rechts en daar stond “Gemeentehuis” op de rode gevel
ingemetseld. Toen ze voor zich naar beneden keken was er een gezellig knus
plein te zien met terrasjes en een riviertje in een bedding. Niets was er
recht. Precies in het midden boven het riviertje een monument met twee bogen en
daarnaast een grote boom. Rechts ervan ging de weg alweer iets naar boven. Opa
begon te remmen. Niet alleen omdat hij de berg afging maar ook om te stoppen om
de scooter te parkeren. Zoveel terrasjesconcentratie kon opa niet weerstaan,
dat wist Louis wel. Ondertussen hadden ze ook lang genoeg gezeten en hadden ze genoeg
gezien. Aan de kant van de weg werd de scooter neergezet en netjes
afgesloten. Louis dacht wel dat opa wilde gaan zitten bij “Imperator”. Een
biersoort van Brandbier dat hij opa wel eens zag drinken. Maar opa stelde voor
om er tegenover te gaan. Louis maakte het niets uit. Ze staken de weg over en
liepen achter het monument met de twee boogjes als de letter M om en ging daar
zitten op het terras, Grand café Neubourg. Al hadden ze de hele tijd al op het
zadel van de scooter zitten draaien, dat deden ze ook toen ze op de stoelen
gingen zitten met fijnere kussens. Ja, dat zitten wel goed dachten beiden. Ze
zaten eigenlijk aan een soort steegje. Ze hadden zicht op het monument met de
boogjes boven de Gulp, rechts allemaal terrasjes, aan de overkant van de weg
ook terrasjes. Achter hen was de grote Rijksweg. Daar kwam de serveerster aan
en vroeg op een bijna zangerige toon met een Duitse tongval maar dan luchtiger
wat ze wilde drinken. Voor Louis een cola en opa een Chateau Neubourg. Heel
vragend vroeg Louis aan opa of er ook iets lekkers bij kon, hij had een beetje
trek. Opa keek snel op de kaart en bestelde er op gearticuleerde toon:
‘bittergarnituur met mosterd en mayonaise’ bij. Even later kwam ze terug met de
drank en even later serveerde ze de bitterballen. Een apart maar vriendelijk dialect werd er
gesproken dat de vakantiestemming alleen maar deed toenemen. Het leven is hier
goed.
Over het plaatsje Gulpen wilde Louis wel meer weten en wist
ondertussen dat eigenlijk nooit bekend is wanneer de eerste huizen in een
eeuwenoud plaatsje zijn ontstaan maar dat gekeken wordt wanneer ergens in een
officieel stuk het voor het eerst benoemd werd en vroeg: ‘Maar wanneer werd
Gulpen dan voor het eerst benoemd?’ Opa: ‘Gulpen in de huidige schrijfstijl,
tja, dat weet ik niet maar in een oorkonde uit 1226 die er nog bestaat is
hebben ze het over Galopia. En in die oorkonde wordt verwezen naar een handvest
en die moet zijn ergens uit het begin van de elfde eeuw.' Opa keuvelde verder: ‘Sinds 1544 is hier, met enkele
uitzonderingen, jaarlijks de Hubertusmarkt. Nog steeds erg populair, wordt
bezocht door vijfendertigduizend bezoekers uit de regio. Dan heb je ook nog de
wekelijkse markt die nog uitgeroepen is tot de beste weekmarkt van het land. Zo
is hier altijd wel iets te doen geweest. In de horecazaak hiernaast, De Kroon werd
honderd jaar geleden een zaal gebouwd waar allerlei feesten werden gehouden,
waar werd gedanst, het carnaval werd gevierd, de duivenvereniging zetelde, de
turnclub, koren en er zelfs een bioscoop was. Om de films te projecteren had je
toen nog een brandvrije ruimte voor nodig omdat de films erg brandbaar waren.
Aan de overkant van het steegje achter ons stonden vroeger huizen, een deel de Gats
en een deel Löfke genaamd. Die zijn afgebroken en is er een ruim plein
ontstaan.’ Opa bleef doorgaan: ‘Aan het einde van de oude Gats komt uit
de Gulpenerberg soms water die via een beeld van een vroedmeesterpad water
spuwt op vissen. Dat water komt via een mooi bovengronds stroompje terecht in
de Gulp. Halverwege staat een groot beeld gemaakt van steen speciaal voor deze
plek terplekke in China uitgehakt en laten overkomen. Daarin een kunstwerkje
van de evolutie, van miljoenen jaren die hier plaatsvond van zee naar krijt,
die overgaat van vissen in, in vissen met vleugels naar vogels. Dan had je
vroeger aan de overkant waar nu Zeeman is, dat vroeger echt aan de rand van het
dorp het Gasthuis’.
‘En dat Gulpenerbier wordt hier in Gulpen dus gebouwen?’
wilde Louis weten. Opa knikte stevig van ja en wees even naar links achter de
huizen van de Markt, nam een slokje en vertelde verder: ‘Zekers, de in Amby
geboren Laurens Smeets was een ondernemend mannetje. Zo had hij bijvoorbeeld in
Valkenburg al een brouwerij. Toen de Rijksweg Maastricht – Vaals in 1825 werd
aangelegd kwam Gulpen een stuk centraler te liggen en besloot Laurens ook hier
een brouwerij te beginnen. Hij kocht grond en liet er de brouwerij op bouwen,
langs de nieuwe weg. De nieuwe brouwerij kwam er zo een stuk centraler te
liggen voor aanvoer van grondstoffen en distributie van het bier. Goed en
voldoende water was een andere vereiste. Dat kwam uit het Gulpens kalk langs de
heldere Gulp met zijn zuurstofrijk water was dat ook in orde. De brouwerij
groeide, het klooster in Wittem was in de beginjaren de grootste klant. Er
werden diverse soorten bier ontwikkelt, waaronder Chateau Neubourg en ook
andere producten zijn er gemaakt en dan denk ik even aan azijn en mosterd. Ook had
de brouwerij een soort dorpswinkeltje. Tegenwoordig proberen ze zoveel mogelijk
grondstoffen uit de regio te halen. Zo zijn er ook dagen dat op de landerijen
in de buurt de hop geplukt wordt en dit alles om het milieu zo weinig mogelijk
te belasten. Er is ook een nieuwe brouwerij gekomen waarmee veel energie bespaard
wordt. En al die tijd is het een familiebedrijf gebleven. Via de schoonzoon
werd de naam Rutten aan de brouwerij verbonden en dat is, op een korte onderbreking
na, na vele generaties nog steeds zo. Even werd het stil. De blik van Louis dwaalde naar het glas
Chateau Neubourg van opa. Opa zag de blik van Louis en volgde deze naar zijn
glas bier dat halfvol voor hem stond. ‘En alles wat we vandaag gezien hebben
zit in dit glas bier?’ vroeg Louis twijfelend. Opa knikte langzaam van ja en dan
hebben we het nog niet gehad over de fanfares, schutterijen, jonkheden,
processies en al die mensen die op hun manier iets bijdragen aan dit gebied.’
Louis droogjes: ‘Oké, na vandaag zie ik meer als ik door het Heuvelland ga,
maar als ik naar het glas kijk zie ik toch alleen de afbeelding van Kasteel
Neubourg op het glas uit deze streek.’ Louis nam nog een zwarte slok van de
Amerikaanse cola, opa aan de Gulpense Chateau Neubourg Bronnen:
BOEKEN Wielder, Wylré, Wijlre, 1983; Wielder kerkdorp 1982-2016,
2016; Honderd jaar Brand, 1871-1971, 1971; Traditie en vernieuwing, 125 jaar
Brand, 1996; Omgaan met kunst en natuur, Jo en Marlies Eyck in Wijlre, 2005;
Kinderen van ons volk, -; Een stoomtrein
voor de miljoenenlijn, 1995; Monumentaal Wijlre, 2019; Kastelen in
Zuid-Limburg, 2005; Kruis, weg en teken, 2006; Kroniek van Wijlré, 2022; De
Bevrijding van Wijlre, 2019; 100 Jaar Wijlre in oude en nieuwe foto's, 2022;
Historische Studies in het rond het Geuldal, 1995; 150 Jaar Aken-Maastricht,
een spookgeschiedenis, 2003; Limburgse Tijdreis met bus en tram, 2010; Sporen
van de tram Maastricht-Vaals, 1997; Op pad langs oude verhalen, 2017; SOK mededelingen
48, 2008; De geschiedenis van kasteel Cartils, 2018; Kasteel Wittem en zijn
Heerlijkheid, 2011; Het Kastelenrijk Oostelijk Zuid Limburg, 1996; Wittem van
rijk verleden naar levend heden, 1990; De monumenten van geschiedenis en kunst.
Zuid-Limburg, Vaals, Wittem en Slenaken, 1983; Kloosters in Limburg, 2017;
Kasteelhoeve De Heerenhof te Mechelen, 1986; Opmerkelijke gebouwen in Mechelen,
2010; Vakwerkgebouw in Limburg, 1989; Aad de Haas, De schilderingen en
kruiswegstaties in de Cunibertuskerk te Wahlwiller, 1996; De molens van
Limburg, 1991; Ieëpe en het toerisme, 2021; Oude bossen, houtwallen en heggen
in het hoogste Zuid-Limburg, 2015; Krijt van Zuid-Limburg, 2000; Uit ons
Krijtland, 1977; Strijd in Slenaken, 2019; Reijmerstok de geschiedenis en mensen,
2012; Kasteel Neubourg, 2012; Als de hengst glimlacht, 2006; De wereld van
Pinkpop 50, 2019; Maria monument van Gulpen, 2010; Geschiedenis van Gulpen tot
1850, 2021; Beeldig wandelen in Gulpen-Wittem, 2015; Geschiedenis van Gulpen
tot 1850, 2021; Het beeld belicht, Appie Drielsma, plastisch versus
constructief, 1994; Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal,
1996; Monumenten in Nederland, Limburg, 2002
PERIODIEKEN Limburger 23-04-2019; 5-11-2019; 16-06-2021;28-10-2020;
17-08-2018; Galopia 24, 25, 26, 28; Maasgouw 1895p23; Trouw 06-08-1992
INTERNET Ryckheyt.nl; akademievankunsten.nl; liberationroute.com;
eyser-plantage.nl; Ikl-limburg.nl;
openmonumentendag.nl; cellnex.nl; akademievankunsten.nl; liberationroute.com;
museumw.nl; zoutmagazine.eu; eyser-plantage.nl; museumw.nl; zoutmagazine.eu;
nederlandsebiercultuur.nl; nos.nl; nachtvangulpen.nl |
|
|
|
klik hier voor routekaart
Klik hier om terug te keren naar 'Opa vertelt' |