Opa vertelt Louis over zijn omgeving

Gulpen-Wittem




De smaak van bier

Ter gelegenheid van de verjaardag van opa zat de hele familie bij elkaar aan tafel in een gezellig, iets sjiek restaurant in de binnenstad van Maastricht. Bij de bestelronde voor drank bestelde opa weer ’s een pilsje. Enige tijd later kwam de serveerster de drank brengen en zette als eerste bij de jarige zijn pilsje met het Brandsetiket naar hem gericht. Het was Louis inmiddels opgevallen dat opa nogal, maar niet overmatig, liefhebber was van bier. En als hij Brandbier bestelde zijn gelaat net iets opgewekter trok dan als hij een ander merk bestelde.

Omdat Louis van opa had geleerd dat als je vragen stelt je wijzer wordt, vroeg hij aan opa waarom hij, en chargeerde, hij toch steeds Brandbier wilde drinken. Net op dat moment dronk opa aan zijn vers getapt glas en benutte het smaakmoment dat daarop volgde op de eerste plaats om te genieten maar ook om te bedenken welk antwoord hij Louis kon geven.

Na een laatste likje over zijn lippen begon hij: ‘Kijk, het is dorstlessend, smaakvol. En zeker in combinatie met eten. Maar in Brandbier, maar ook in Gulpenbier, proef je daarnaast nog het Limburg. Het heuvellandschap, de mensen. De cultuur, schuttersleven, fanfares, feesten, processies, oude boerderijen, stenen, bijzondere natuur…  En dat proef ik allemaal in zo’n Zuid-Limburgs glas bier.

‘Maar’ zei Louis, ‘ik mag nog geen bier, hoe kan ik nou weten hoe het daar proeft?’ Opa begreep wat Louis bedoelde, hij wilde naar het land van Gulpen en Wittem waar Brand- en Gulpenbier gebrouwen wordt en zei dan ook: ‘dan gaan we daar toch een keer naar toe.’ Louis had zijn doel bereikt.

Mama luisterde geamuseerd mee, zij wist dat die twee zich prima samen vermaken. Maar ze vroeg zich wel af: ‘Pap, al die heuvels daar. Gaan jullie dan met de fiets?’ Daar had opa eigenlijk geen zin in. Hij had immers geen elektrische fiets. Louis liet het aan opa over. Na weer een hapje te hebben genomen zei opa toen: ‘We gaan met de scooter’.  Daarop werd er flink gelachen aan tafel, opa had nog nooit een scooter gereden.

 

Op weg

Enkele dagen later kwam opa aanrijden op de snorscooter met een helm op om Louis op te halen voor wie hij ook een helm had. Stiekem had hij wel van tevoren nog een beetje geoefend, met sturen, gasgeven en remmen. Samen stoven ze op weg naar de gemeente Gulpen-Wittem, moeder zwaaide hen nog na. Een lange weg die berg op ging en ook weer berg af. Op de plekken waar geen huizen stonden zag je ook de glooiing in het landschap.

Bij het gehucht “De Hut” slingerde opa een beetje, waar ze links richting Ingber reden. Bij een kapel met enkele bankjes naar links en bij de kruising weer naar rechts om het gehucht uit te rijden. Oude huisjes en nieuwe huisjes, allemaal verzorgd en hoogteverschillen. De weg was hier weer alsof ze over een vlakte reden. Bij de weg na de kruising aangekomen hield opa even vaart in en ging links. Daar verschenen weer enkele huizen en boerderijen. Opa hield even in, maar voorbij de boerderij met een camping gaf hij weer gas. Links was een mooi dal te zien. Dat vond Louis mooi en verrassend om dat in het echt te zien. Of viel het hem pas nu op? Bij de volgende boerderij, een grote carréboerderij met de naam Hoeve Blankenberg, kwamen allerlei wegen en paadjes samen. Opa koos voor de meest rechtse, langs de andere zijde van de boerderij. Een smalle weg, wel weer een weg met schitterend uitzicht. Waar links een bos begon stopte opa even en liet de motor van de scooter ronken. Daarbovenuit sprak opa: ‘Een zoon van die boerderij boven aan de berg is bij werkzaamheden op het land omgekomen. Daar hebben ze een kruisbeeld geplaatst en als er een begrafenisstoet voorbijkwam van iemand die hierboven op het plateau gestorven was, werd bij het kruisbeeld even stilgehouden.’

Er werd weer volop gas gegeven en de scooter schoot vooruit. Nu ging de weg weer omlaag en de scooter ging best wel hard. Dat vond Louis best eng. Het was een smalle, holle weg met de grond tot voorbij schouderhoogte. Al had de scooter een snelheidsbegrenzer, hij leek steeds harder te gaan. Hij maakte ook veel lawaai. Opa schreeuwde er bovenuit: ‘Dit is de Dodemanweg.’ Dat stelde Louis niet bepaald gerust.

 

Stokhem

Onderaan de berg, net voor het bord van “bebouwde kom Stokhem” remde opa fors zodat Louis zich tegen opa aandrukte. In een rustig tempo zag Louis links op de hoek een hoger gelegen kapel. Opa stopte nu helemaal en begon te vertellen: ‘Dat kapelletje is er uit dankbaarheid gekomen van de plaatselijke bewoners omdat Stokhem goed uit de oorlog is gekomen. Het plan ontstond in de oorlog maar is er pas in 1963 gekomen. Vandaar het ook redelijk modern uitziet.’ Louis knikte en vroeg: ‘Dus niet omdat er een dode man was die niet meer stil was gekomen onder aan de berg?’

Levendig schudde opa van nee en ging weer verder. Zowel links als even verder rechts een weg waaraan je al zag dat het dorp niet ver reikte. Het was een straatje met veel oude boerderijtjes. Klein stukje verder was rechts een weg met een pleintje. Een stukje verder kwam opa dan echt tot stilstand. Hij draaide zich op de scooter naar links en op een oud boerderijtje waren aan de zijkant twee hoofden afgebeeld, een man met baard en een vrouw. Opa ging er iets over vertellen: ‘Er wordt verteld dat dit Adam en Eva zijn maar ook dat het Willem III is en Emma. Het zou gemaakt zijn door oud bewoners van het boerderijtje. Het kan natuurlijk ook zijn dat het de oude bewoners zelf zijn.’

 

De molen van Otten

Even was opa stil, draaide zich weer goed op de scooter en zei wat de bedoeling was: ‘We rijden een stukje door om je wat moois te laten zien en komen dan weer hier terug.’ Ze reden het dorp uit en bij een bocht naar links met rechts een hekwerk stopte opa weer en wees rechts in de verte, over een groot grasland. Aan de wijzende vinger voegde hij toe: ‘Kijk dat zilverachtig breed gebouw is de bottelarij van de Brandbierbrouwerij. De gebouwen erachter is de rest van de brouwerij, zien we dadelijk van de andere kant. Links zie je een watermolen, de watermolen van Otten. Een dubbele watermolen, de enige dubbele in Limburg en het is ook eigenlijk een van de bekendere zo niet de bekendste watermolen van Limburg. Je ziet hem vaak op foto’s. Sinds ergens in de middeleeuwen was er al een molen. Eerst een houten en sinds 1776 wat je ziet al is daar tussentijds ook weer aan verbouwd. Zo was er bijvoorbeeld vroeger een leiendak. De molenaarsfamilie Otten woont er nog steeds. Het was ook een boerderij maar dat is het niet meer, nu zijn het vakantiewoningen. Het draaiende rad dat je ziet wekt al sinds de jaren tachtig elektriciteit op en levert dat aan het net. Straks vertel ik je er nog iets over.’ Louis nam het ter kennisgeving aan.’

Opa draaide de scooter de andere kant op, terug naar Stokhem en ging nu bij het pleintje naar links. Daar gaf hij flink gas. Mooi bosje links met een picknickplek en tennisbanen dacht Louis. Toen riep opa boven het geluid uit: ‘Tussen 1955 en 1971 was hier links een stortplaats van huishoudelijk vuil. Een laag van twee en een halve meter. En dat ligt er nog steeds, verstopt onder een laagje grond van twintig centimeter tot één meter.’

Dat is dan weer minder fraai dacht Louis en keek de andere kant op, zag een parkeerplaats en een weg naar rechts. Opa: ‘Ik kan je niet alles laten zien in Gulpen en Wittem en wat je ziet kan ik zelfs niet alles over vertellen, dan zou mama ons als vermist opgeven. Maar hier rechts heb je Beertsenhoven, een schitterend sfeervol buurtschap van zo’n vijf hele mooie oude Limburgse boerderijtjes met centraal in het buurtschap een kruisbeeld uit 1870 en omgeven door holle wegen.’

 

Kasteel Wijlré

De bocht draaide naar links en na enkele tientallen meters stopte opa, bij een kasteelpoort met bruggetje. De scooter werd uitgezet en er werd afgestapt en de helmen gingen af. Opa: 'We beginnen achter ons, daar heb je een bunker uit de Tweede Wereldoorlog. Die hebben ze gebouwd om de brug over de Geul te beschermen. Toen de Duitsers op tien mei 1940 Nederland binnenvielen wilde ze als eerste de Maas en de kanalen over en daarvoor moest eerst de Geul en Gulp overgestoken worden. Om dat te vertragen kregen de Nederlandse bunkerbewoners de opdracht de brug op te blazen wat ze ook gedaan hebben. Op de vlucht weg zijn ze krijgsgevangene gemaakt. De brug werd in de oorlog herbouwd en aan het einde van de oorlog weer opgeblazen. Nu door de Duitsers. Daarna nog een keer opgebouwd en dat is tot op de dag van vandaag nog intact.'

'Aan de andere kant' ging opa verder, 'heb je kasteel Wijlre. We weten zeker dat Wijlre in 1389 een Rijksheerlijkheid was. Dat weten we zeker omdat het als zodanig ergens in de archieven genoemd wordt maar het ligt voor de hand dat als iets in de archieven genoemd wordt dat het al veel langer bestaat. Zo werd de plaatsnaam Wijlré in 1040 voor het eerst genoemd. Maar voor dat een plaats wordt genoemd in documenten bestaat het al langer. Hoe verder terug in de tijd hoe minder schriftelijke bronnen er zijn.’

Louis wachtte netjes totdat opa uitverteld was en vroeg toen: ‘Maar wat is dan een Rijksheerlijkheid?’ Dat wilde opa net vertellen: ‘Eenvoudig enkele eeuwen samengevat, een Rijksheerlijkheid was een soort klein landje met eigen wetjes en regeltjes met een Heer die alles te vertellen had en alleen verantwoording hoefde af te leggen aan de Duitse Keizer die zich dan niet echt interesseerde voor zo’n kleine Rijksheerlijkheid, als het maar aan zijn verplichtingen voldeed als betalingen. Er waren meerdere Rijksheerlijkheden. Hier in de buurt bijvoorbeeld Cartils, Wittem en Wijlre dus. De heer, in dit geval van Wijlré, zorgde dat hij ook zijn inkomsten kreeg. Zo kwam er bijvoorbeeld een molen en een bierbrouwerij die het alleenrecht kregen waar de bewoners van de Rijksheerlijkheid verplicht werden daar te laten malen en bier te kopen. Een deel van die inkomsten waren voor de heer. Liet je als inwoner ergens ander malen of kocht je bier van ergens anders kreeg je een boete. Daar stond tegenover dat ook de molenaar en brouwer zijn kwaliteitsverplichtingen had en als hij daar niet aan voldeed op een bepaalde manier gehinderd werd in zijn werk. Zo’n molen met rechten werd dan banmolen genoemd en brouwerij een banbrouwerij. Tot de Franse Revolutie bestond dit systeem.’

Om te voorkomen dat opa het hele verhaal over de Franse Revolutie zou vertellen keek Louis naar het kasteel en vroeg: ‘Daar hebben dan de heren van Wijlre gewoond?’ Opa knikte en zei: ‘Ja, zover hier het kasteel stond. Dit is pas gebouwd in 1654. Er zijn nog twee plekken, hier achter en een aan de andere kant van het dorp, waar mogelijk ook een kasteel heeft gestaan maar daar zijn geen bewijzen voor. De werkruimtes rechts, de stallen, zijn van latere datum. Sommige straten in Wijlre zijn genoemd naar oud heren en oud bewoners van dit kasteel. Dus zo'n engerds waren het vast niet, straten zijn immers doorgaans genoemd naar iets positiefs. Na de Frans Revolutie is het kasteel nog een aantal keren doorverkocht. Meestal bleven er enkele generaties lang families wonen.’

Zou ik hier willen wonen vroeg Louis in zichzelf af, ruimte genoeg maar of al die lege koude muffe kamers nu zo gezellig zijn? Hij vroeg: ‘Woont er nu ook iemand van mijn leeftijd?’ Opa keek alsof hij de leeftijd van zijn kleinzoon moest inschatten maar begon langzaam nee te schudden. Hij zei: ‘In de jaren tachtig is hier Jo en Marlies van Eyck komen wonen, een ouder echtpaar waar de vrouw van uit Wijlre komt en hij uit Heerlen. Aardig geld verdient in de verfindustrie. Met het geld hebben ze dit kasteel gekocht en onderhouden. Ze hielden van de historische omgeving. Dat heb je wel als je zo’n kasteel hebt. Ze hielden van de levendigheid van de natuur. Dat kwam terug in het park met mooi aangelegde en onderhouden tuinen, kweken van planten in een kas, een stukje bos en het houden van kippen. Een grote passie hadden ze ook voor kunstwerken en met name schilderijen van hedendaagse kunstenaars. Daar legde ze een collectie van aan die ze soms tentoonstelden. Nu hadden ze een kippenhok en een kas om planten te kweken maar het leek hen mooi om daar ook een tentoonstellingsruimte bij te bouwen.  Om de samenhang tussen de kunst, natuur en historische omgeving te laten zien werd er in de tuin een gebouw neergezet, getekend door een gerenommeerde architect. Het kasteel moest in zijn omgeving tot zijn recht komen en er werd daarom andere materiaal gebruikt zoals beton en veel glas. Het kwam op enige afstand en deels onder de grond. Het lijnenspel van het gebouw en vele glas is gemaakt om de verbinding met de natuur te krijgen. Zelfs de hagen in de tuin en de lijnen van het gebouw zijn op elkaar afgestemd. Er is een kweekkas en…  de kippen hebben er een ruimte in gekregen waar menig kunstliefhebber in zou willen wonen.’

Louis keek even als een kip zonder kop maar opa kakelde rustig verder: ‘Er zijn verschillende ruimtes in verschillende vormen met elk een schitterende lichtinval dat bij kunst belangrijk is. Voor een groot deel onder de grond. En dat was vervelend toen de naastgelegen Geul overstroomde, toen is het hele gebouw onderwater gelopen waarbij de kunst gelukkig gered kon worden. Omdat het echtpaar ook niet het eeuwige leven heeft is alles ondergebracht in stichtingen. En dat is maar goed ook want de man is inmiddels gestorven. Maar door hun manier van weggeven blijven hun verdiensten nog lange tijd in leven. Eigenlijk een hele mooie manier om zo met je geld om te gaan, je wordt er zelf ook gelukkig door.’ Louis kon zich wel iets anders bedenken om zijn geld aan uit te geven.

De scooter werd weer gestart, het tweetal ging erop zitten, helmen op en kwamen weer in beweging. Ze reden over de brug met jaartal 1945 en opa wees links naar een kruisbeeld maar ging zonder iets te zeggen verder. Ze kwamen bij een voorrangweg die een bocht van links naar boven maakte. Links was de Brandbierbrouwerij te zien. Precies in de binnenbocht stopte opa met de blik de straat naar bovenin, de Holegracht. Meteen iets harde stem om boven het geluid van de scooter uit te komen zei hij: ‘Zo nu heb je al twee-derde van de centrumstraten van Wijlré al gezien. De eerste straat is met de brouwerij, deze met het voormalige patronaatsgebouw en waarachter een school was en dan heb je boven naar links de oude winkelstraat.'

Bij een patroon kon Louis zich nog wel een voorstelling maken, maar een patronaatsgebouw? ‘Wat is een patronaatsgebouw?’ vroeg Louis waarop opa antwoorde: ‘Een patronaatsgebouw is een door de katholieke kerk opgericht gebouw voor samenkomsten om ook weer het katholieke geloof bij te brengen. Dat kan ook met gezellige ontspanningsactiviteiten, maar dan wel op katholicisme gestoeld. In de jaren dertig is dat hier gebouwd toen veel van dit soort patronaten werden gebouwd. Toen dit gebouwd werd bestond het uit een grote zaal, een kleuterschool, een handwerkopleiding en nog enkele ruimtes. Veel plezier heeft zich daar afgespeeld maar na een tijd voldeed het gebouw niet meer. Toen is een gemeenschapshuis gebouwd dat we straks nog effe zien. Ondertussen zijn in dit gebouw en op de plek waar vroeger de school was allemaal kleinere woningen gekomen en ik ga er maar van uit dat de mensen daar nu met plezier in wonen. Oja, en tegenover die woningen naast het voormalige patronaat was vroeger een café en in de boerderij hieronder op de hoek was vroeger... een café.'

 

Brandbierbrouwerij

De scooter werd gedraaid, en reed de straat van de brouwerij in. Bij de trap naar boven en bushalte stopte opa en zette de scooter ook weer uit. Stapte af en aanschouwde de buitenzijde van de brouwerij. “Hier is het dan” zag je opa denken. Een aaneenschakeling van gebouwen uit verschillende tijden. Door een groot venster kon je binnen enkele koperen brouwketels zien. Het gebouw op de hoek had een schuine zijde zodat het niet te pompeus op de hoek staat. Daar kwam een grote vrachtwagen uit de poort gereden met de kenmerkende letters van Brandbier op de zijde. Langzaam en met grote kracht probeerde de vrachtwagen met veel lawaai op snelheid te komen, daar verdween hij links de Holegracht in en je hoorde met moeite de wagen de helling oprijden.’

Toen het lawaai wegebde kon opa aan zijn verhaal beginnen: ‘In 1871 kocht Frederik Edmond Brand de brouwerij, een herberg De Kroon zoals ook de brouwerij genoemd werd en de bijbehorende boerderij. De brouwerij was een bijverdienste maar langzaamaan groeide de brouwerij en werd de boerderij afgedankt. Er werden nieuwe installaties aangeschaft en kon een andere manier van bier gemaakt worden zoals we dat nu kennen. Maastricht had tientallen brouwerijen en kon prima in zichzelf voorzien. Toch probeerde Brand daar ook een afzetmarkt te veroveren. Ze kochten diverse cafépanden om daar Brandbier te tappen en daarmee gingen ook meer mensen thuis Brandbier drinken. Nu was transport vroeger lastiger dan tegenwoordig, al die flesjes transporteren tussen Maastricht en Wijlré was elke keer weer een gesjouw. In de binnenstad, een zijstraatje van de Brusselsestraat, kwam een bottelarij. Zo hoefde ze alleen de tonnen met bier te transporteren. Ze groeide ook verder het land in, reclamecampagnes hielpen daar goed bij. In het land kwamen steunpunten voor de distributie van het bier. Ook een klein stapje werd gezet in Amerika met witte flessen.’

Opa begon nu al dorst te krijgen, hij zag immers overal afbeeldingen van Brandbier maar hij vertelde verder: ‘De familie Brand kreeg ook kinderen en zo konden generaties achter elkaar leden van de familie in de directie zitten. Zo werd ook het aantal eigenaren steeds meer maar die werkte niet allemaal meer voor de brouwerij. Groei betekende ook meer ruimte. Hier recht voor ons stond het banpanhuis waar begonnen werd, dat rode pand links ging de familie Brands in wonen. Links, in dat oudere huis, woonde mijnheer pastoor. Heel vroeger woonde die om de hoek, achter het wegkruis waar ik naar wees. Dat wegkruis is trouwens een cadeautje van Brand. Die tuin werd verkocht aan Brand en later ook de pastorie zelf. In de oude pastorie kwam ook de directie zitten. Gebouwen werden ook afgebroken om plek te maken voor andere gebouwen waardoor er steeds meer bier gebouwen kon worden. Dat betekende natuurlijk ook veel voor de werkgelegenheid in het dorp. De brouwerij onderhield een goede band met het dorp en als er iets te sponsoren was waren ze erbij. Befaamd zijn de Upfeesten, het eerste deel van het programma was voor een selectief aantal gasten en voor het tweede deel kreeg elke bewoner van Wijlré boven zestien jaar enkele consumptiebonnen die tijdens het Upfeest in de plaatselijke horeca uitgegeven kon worden. Geweldig.'

Ondertussen stond opa toch maar met een droge keel te vertellen, maar hij hield vol: ‘Toen de familie Brand honderd jaar de brouwerij in de familie had werd deze straat als dank hernoemd van Dorpsstraat naar Brouwerijstraat. De groei ging steeds verder door en daar was geld voor nodig. Veel winst werd er niet gemakt. Besloten werd de brouwerij te verkopen aan een partij die ervoor kon zorgen dat de brouwerij verder kon groeien. In 1989 werd de brouwerij verkocht aan Heineken. Bij de Brandbierdrinkers, en daar reken ik mijzelf ook toe, was Heineken zo’n beetje het smerigste dat je kon drinken. Maar toegegeven, de brouwerij is wel verder kunnen groeien. Er werd vijftig miljoen geïnvesteerd in een nieuwe bottelarij en dat gaf vertrouwen dat Heineken de brouwerij op deze plek wilde laten. Van de grote verkooporganisatie van H.. hhh.. hhei.. krijg het niet meer uitgesproken, oud zeer, profiteerde Brandbier. De omzet steeg verder, steeg verder dan de brouwerij kon brouwen. Uitbreiding werd steeds lastiger, in Brabant en Zuid-Holland heeft Heineken grote brouwerijen, meer fabrieken, waar ze de meeste soorten zo maar ook kunnen brouwen. Commercieel veel interessanter dan ergens in een dorpje met kleine straatjes in het diepe zuiden. De productie werd voor een groot deel naar die fabrieken overgeheveld. Het gevoel voor Brand, Limburgs bier, Limburgs water, vaak gebrouwen door generaties medewerkers uit dezelfde familie uit het dorp Wijlre, verdween. De ziel was weg.’

Even hield opa op met praten. Het gevoel van de liefde voor Brand zat diep en er was heus nog wel een restje van overgebleven maar toch. Hij ging verder: ‘Fameus was het keldertje, een kelder in het complex gebouwd in 1937 waar diverse kunstenaars aan hebben bijgedragen dat dient als ontvangstruimte voor bijzondere gelegenheden. In de oorlog verbleven er vluchtelingen en Amerikanen, maar daar was het niet voor gebouwd. Het was om de gasten aan de brouwerij te verwelkomen. Bijzondere gasten bij bijzondere gelegenheden maar het is ook een tijd lang gebruikt voor mensen die een rondleiding in de brouwerij kregen. Een gouden regel was dat er geen elektronische muziek was en pas een nieuw glas geschonken werd als het vorige genuttigd was. En dat is precies dat gevoel waar een goed glas bier het beste bij smaakt. Gevoel ja. De trots van de betekenis van het wapen van Wijlre op de flesjes van Brandbier.’ De weemoed klonk een beetje in de toon waarop opa zijn verhaal vertelde.

Ondertussen had Louis wel genoeg gehoord over Brand, hij mocht het immers toch niet drinken maar begon nu wel een beetje te begrijpen wat opa proefde als hij een Brandpils bestelde. Louis keek eens naar de trap en vroeg: Is deze trap nu alleen aangelegd om naar de brouwerij te gaan? Opa: ‘De meeste medewerkers van de brouwerij woonde in Wijlré en gingen zelfs tussen de middag thuis warm eten. Het grootste deel van het dorp ligt aan de bovenkant van de trap, maar hier in de Brouwerijstraat was ook een tijdje het gemeentehuis, in het huis dat een beetje terug ligt, en daarachter was de Lagere Openbare school.’

School was geen geliefd onderwerp voor Louis maar opa vertelde verder: ‘Die Openbare school werd op een gegeven moment een katholieke school en toen moesten de jongens in het ene deel van het gebouw les volgen en de meisjes in een ander deel. Ze hadden ook een eigen directeur. Op een gegeven moment werd achter het patronaat de meisjesschool gebouwd. Vele jaren daarna kwamen de twee scholen weer samen in een ander nieuw gebouw. Beide schoolgebouwen werden uiteindelijk afgebroken. Weet je trouwens dat in Wijlré een van de eerste plekken in Nederland waar de leerplicht werd ingevoerd?’ Louis besloot per direct niet in Wijlré te willen wonen.

 

De Sint Gertrudiskerk

De scooter kwam weer in beweging en reed verder de Brouwerijstraat in. De weg begon te stijgen en draaide naar rechts. Net voorbij de bocht was rechts nog een kleine weg waar opa aan de kant stil ging staan. Hij liet het stuur los en wees naar een standbeeld van een bok op een sokkel aan de overkant van de weg. ‘Durft die niet van de sokkel te springen’ vroeg Louis. ‘Nee’ riep opa: ‘Precies op de plek waar dat beeld staat bevond zich het huis waar Antoon Coolen is geboren, een bekende Nederlandse schrijver van met name streekromans. En in één van zijn boekjes, "Kinderen van ons volk," komt die bok voor en die hebben ze gepakt om er een beeld van te maken. Een standbeeld kan heel lang stil staan voor hij van zijn sokkel springt.’ Louis knikte dat hij dat begreep maar vroeg ook: ‘Heeft die bok dan hier in Wijlré gelopen?’ Opa schudde van nee en zei erbij: ‘Veel inspiratie heeft hij in Wijlré niet opgedaan, hij vertrok al toen hij drie was. Maar ze waren toch zo vereerd dat hij hier geboren was dat ze hier een beeld voor hem hebben opgericht.’ Dat vond Louis een beetje ver gezocht. 'Oja' zei opa: 'zijn vader was brouwer, bij de Brand.'  Een standbeeld voor de Brandbiermedewerkers zou Louis eerder begrijpen.

Opa reed verder de kleinere weg in. Enkele tientallen meters verder stopte hij en tuurde naar de kerk, daar zal hij vast iets over zeggen dacht Louis, en jawel hoor, opa ging van start: ‘Sinds 1263 is Wijlré een zelfstandige parochie. Daarvoor was hier ook al een kerk maar als een onderdeel van Gulpen. Die kerk, die waarschijnlijk zo uitzag als de kerk van Oud-Valkenburg of Schin op Geul, was zo bouwvallig geworden dat ze liever twee kilometer verder naar Wittem gingen. Op dezelfde plek, alleen iets gedraaid, kwam in 1835 de huidige kerk. Sommige onderdelen uit deze oude kerk komen nog uit die vorige kerk. De bakstenen zijn ter plekke gebakken. Zo’n honderd jaar later was Wijlré groter geworden en werd de kerk te klein. Een deel waaronder de toren werd afgebroken en opnieuw, maar dan groter in 1925 opnieuw opgebouwd. Het nieuwe deel is het deel met natuursteen opgebouwd, Nievelsteiner zandsteen. Deze steen komt uit een groeve in Kerkrade. Twaalfmiljoen jaar geleden was hier zee. Toen deze langzaam verdween ontstonden kustmoerassen waarin zich fijn zand afzette. Die korrels groeide aan elkaar en toen had je deze steen.’

Dat verhaaltje ging Louis wat ver terug in de tijd maar opa ging verder: ‘Maar daarna kwam er de problemen, het dak ging scheuren en toen dat gemaakt was waren er weer lekkages in het dak. In de oorlog kwamen de Duitsers twee klokken uit de toren halen die ze nodig hadden om om te smelten tot wapens. Een klok uit 1827 en een klok uit 1873. De klok uit 1666 mocht gelukkig blijven. Na de oorlog kwamen er nieuwe klokken, zonder een mooie naam en zonder opschriften zoals je dat vaker ziet bij klokken. Deze hoor je nog geregeld, elk half uur slaat hier de klok, ook midden in de nacht. Om twaalf uur ’s middags dan gaan de klokken helemaal los, heavy metal. Het angelus in katholiek taalgebruik. Best wel mooi hoor, net als de lampen die er ’s avonds op schijnen.’ Maar daar kon Louis nu weinig van zien.

Opa ging nog even verder: ‘De kerk heeft een groot orgel en zijn er nieuwe glas in loodramen aangebracht gemaakt door Jan Dibbets. En daar wordt over geschreven dat het een van de meest toonaangevende internationale succesvolle kunstenaars is van de laatste decennia.’

 

Station Wijlré

Toen hield opa even zijn mond en reed verder over de parkeerplaats richting de weg. Hij begon met zijn armen te zwaaien en zei ter verduidelijking: ‘Dit is de N595 van Valkenburg naar Wittem. De doorgaande weg maar alleen al in Wijlré drie wegdelen met elke een andere straatnaam. Ondertussen is er wel het een en ander verdwenen maar hier waren de meeste winkels, bedrijven en vooral cafés. Wijlré bestond lange tijd uit deze weg met dat lusje Brouwerijstraat en Holegracht. Na de oorlog is het dorp aan de andere kant van de weg langzamerhand uitgebreid, tot aan het spoor.’

Opa zwaaide weer even met zijn hand dat hij verder ging, al deed hij dat niet, hij wilde nog iets vertellen: ‘Waar we zo direct rechts de bocht omgaan, aan de binnenkant was negentig jaar Hotel Heiligers gevestigd. Voor dit dorp een groot hotel met twintig kamers. Er wordt verteld dat dit het mooiste pand van het dorp was. Het hotel is nu afgebroken en zijn er appartementen voor ouderen in de plaats gekomen.’ Ook hier kon Louis niet veel mee, het hotel was er niet meer en hij was geen oudere.

Daar kwamen ze dan toch weer in beweging. Links en enkele tientallen meters verder, achter de woningen waarop op de gevel stond “Heiligershoek”, gingen ze met een scherpe bocht naar rechts. Daar begon de weg te stijgen en de scooter ging iets langzamer rijden. Met de spoorwegovergang in zicht, gingen ze voor het grasveld weer naar rechts. Links hogerop was een rij loodsen met daarin bedrijfjes gevestigd. Waar links een frituur was en rechts een café ging opa weer stoppen, de scooter ging uit en stapte even af.

Met een schuin oog keek opa even naar het Brandscafé “a gen baan” en daarna naar de overkant waar in een plat gebouwtje de frituur was gevestigd, met een Brandbier-lichtbak. Het vingertje van opa wees naar de frituur en begon te vertellen: ‘Die frituur is gevestigd in het oude stationsgebouw uit 1959 waar je toen kaartjes kon kopen en droog op de trein kon wachten. Tot die tijd stond er een houten exemplaar. Voor een oude Brandsbiercommercial hebben ze een houten station nagebouwd. Er stopt nog wel eens een stoomlocomotief van de ZLSM, van de Zuid-Limburgse Stoomweg Maatschappij, een toeristische attractie om de oude tijden van weleer te doen herleven. Wat waren nu die oude tijden? Veel uit deze streek komt uit Duitsland, de heren van Wijlré, de heren Brand, de stenen van de kerk en ook de treinbaan. Er was al een traject van Keulen naar Aken en het zou handig zijn als de spoorbaan van Aken doorgetrokken kon worden tot aan het Albertkanaal bij Maastricht. Toestemming werd nog niet direct gegeven omdat toen de Belgische revolutie speelde. Dit gebied was toen Belgisch. Maar toen het Nederland werd en zou blijven kwam er toestemming maar nog geen geld. Te ver weg van de Nederlanden, geen nationaal belang.  Wel kreeg men het vruchtgebruik van de Domaniale mijn Kerkrade voor negenennegentig jaar. Zo’n mijn zou ook baadt bij hebben als er een goede spoorverbinding was. De spoorbaan kwam er en werd in 1853 in gebruik genomen. Niet tot aan het Albertkanaal, dan zou het nog langer hebben geduurd. Het werd een van de eerste spoorbaan in Nederland en de eerste internationale. Niet veel later kwam er een spoorbaan vanuit Luik en Hasselt naar Maastricht bij en als laatste een spoorbaan naar Venlo en de rest van Nederland en dat was in 1865. De spoorbreedte is dezelfde als in Duitsland en België maar smaller dan die in Nederland gebruikt werd. Later is men in heel Nederland de breedte gaan gebruiken zoals hier aangelegd was, ongeveer anderhalve meter. Zo werden al die stukjes spoorlijn aan elkaar gekoppeld. De Staat heeft op een gegeven moment al die particulieren spoorlijnen met stapjes overgenomen.’

Louis was aandachtig aan het luisteren en kreeg het vermoeden dat opa het had over een spoorbaan die langs Wijlré kwam. De vinger van opa kwam weer in beweging en wees in volle breedte achter het stationsgebouw en zei erbij: ‘Daar is die spoorlijn gekomen, vanuit Maastricht, Meerssen, Valkenburg met het huidige station dat uit die tijd stamt en is het oudste in gebruik zijnde station van Nederland. Dan ging de spoorlijn verder langs Schin op Geul waar later een splitsing kwam naar Heerlen, Wijlré, Eys en dat werd met name gebruik voor pelgrims naar Wittem en daar kom ik straks nog op terug, dan Simpelveld en via Bocholtz de grens over naar Aken. In Simpelveld kwam een splitsing naar de mijn en Schaesberg dat het Miljoenenlijntje is gaan heten omdat elke kilometer een miljoen heeft gekost, in die tijd een gigantisch bedrag. Bedoeld was de spoorlijn op de eerste plaats voor goederen maar dat werd langzaamaan vervangen door personen. Mijnwerkers maar zeker ook toeristen voor Valkenburg en Wijlré en haar achterland. De loodsen die je hier ziet stammen nog uit de tijd toen er aan goederenoverslag was.’

Er werd even geslikt door opa maar hij ging erna gewoon verder: ‘het station in Wijlré kreeg meer betekenis toen in 1922 een tramlijn werd aangelegd van Vaals via Gulpen naar Wijlré. Drie jaar later kwam er een tramverbinding tussen Gulpen en Maastricht. Hiermee konden reizigers overstappen van de trein in Wijlré naar de tram in Wijlré waarmee het bereik veel groter werd. Niet alles ging van een leien dakje en de ene na de andere verbinding werd opgeheven en vervangen door de bus. Sinds 1995 houdt de ZLSM de historie in ere.’

Het drinken van een pilsje wilde opa ook in ere houden, hij koos om verder te rijden. Louis had ook niet veel meer te vragen. Even verder gingen ze rechts in en aan het einde van het straatje, bij een plein, stopte opa weer. In 1965 is hier links een nieuw gemeentehuis gebouwd dat tot 1982 in gebruik was totdat Wijlré een onderdeel van Gulpen werd. Niet al te groot maar groot genoeg om er gelukkig van te worden. In die tijd kwamen er vele woningen bij en het is de bedoeling geweest dat dit plein het nieuwe centrum van het dorp werd. Aan de andere kant van het plein is het gemeenschapshuis dat ter vervanging van het patronaat is gekomen. Daar is nu ook de huisarts van het dorp.’ Met aan de ene kant het gemeentehuis en de andere kant het gemeenschapshuis heb ik nog geen gezellig kern dacht Louis maar had wel een prachtig uitzicht over de kerk en de achterliggende groene heuvels. De scooter was weer in beweging gekomen, links de straat in, aan het uiteinde naar links, bovenaan weer naar links en daar rechts het spoor over, de Dikkebuiksweg.

 

Dikkebuiksweg

De scooter schudde hevig toen hij het spoor over ging. De weg draaide naar rechts en even verder ging opa links op. Daar was een stijgende weg en dat was te merken aan de scooter. En dan was de scooter nog niet eens voorzien van dikke buiken. Na zo’n honderd meter was aan de linkerkant een gemetseld bouwwerk dat leek op een poort om ondergronds te gaan. ‘Wat is dat?’ wilde Louis weten. Opa stopte even en antwoordde: ‘Een kalkoven, die maakte van Kunrader-kalksteen kalk dat gebruikt werd voor de landbouw en voor in de bouw om huizen wit te schilderen. De oven werd opgestookt tot negenhonderd graden en de steen werd dan langzaam kalk. De familie Heiligers van het hotel had deze oven laten bouwen, tegenover een vindplaats van de benodigde stenen. Dat was in de tijd van de Eerste Wereldoorlog toen de aanvoer van kalk uit het buitenland stil kwam te liggen. Toen de handel uit het buitenland weer op gang kwam zijn ze gestopt omdat de kalk uit het buitenland van betere kwaliteit was. Deze oven is een aantal keren als industrieel monument opgeknapt en zou zo weer gebruikt kunnen worden.’

Louis keek naar de andere kant van de weg en zag een kruisbeeld en vroeg: ‘Was dit gevaarlijk werk en is er iemand bij omgekomen.’  Er werd nee geschud door opa en zei: ‘Een stelletje Padvinders hadden hier een apenbrug gemaakt, een brug bestaande uit een touw. Dat ging mis, een jongen kwam ten val. Enkele dagen daarna is hij overleden.’ Louis keek een beetje geschrokken, dat spelen gevaarlijk kan zijn.

De scooter ging puffend weer een stukje verder tot bij een kruising. Daar ging de scooter weer uit, al was het maar uit respect voor de Amerikaanse bevrijders. Links was een steen te zien met een bordje erop, een Amerikaanse vlag in de boom en allerlei kleine steentjes die wandelaars hadden uitgelaten.

Er was een stilte te horen totdat opa weer begon te vertellen: ‘Het verhaal van de Amerikaan Robert S Haws. Wat er gebeurd is weet niemand precies. Waarschijnlijk is hij in de nabijheid van de kalkoven vermoord door Duitser bij een één op één gevecht door een kogel recht door zijn hoofd. Er zijn hier in de buurt ook zes Duitsers gestorven, ook mensen uit een gezin, maar voor de Duitsers is veel minder aandacht voor. Ongeveer vijftien Duitsers zijn in Wijlré en omgeving om het leven gekomen. Nadat Robert gestorven was is hij pas later gevonden en stond al genoteerd als vermist. Toen hij gevonden werd heeft de timmerman in Wijlré een kist gemaakt en is op de begraafplaats in Wijlré begraven. Uiteindelijk is hij herbegraven en ligt nu op het Amerikaans kerkhof in Margraten. De Duitsers zijn bij de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn begraven.’ Hierna bleef het weer even stil. Was natuurlijk ook geen vrolijk verhaal voor een jongen als Louis.

Het waaide er een beetje, het was boven aan een heuvel met een vergezicht. Opa wees met zijn vingertje schuin-links voor zich. Op een afstand tussen de bomen waren de contouren van een oude boerderij te zien. Je hoorde opa ademhalen en hij zei: ‘Daarachter heb je Elkenrade. Oorspronkelijk een buurtschap met veelal boerderijen, tegenwoordig zorgen de toeristen voor de bedrijvigheid, maar dan wel de stille rustzoekende toerist.’

Louis keek een beetje nietszeggend. Opa startte weer de scooter en ging rechts op. Een weg met ook weer schitterende vergezichten. ‘Gulpen’ riep opa toen hij naar rechts wees. Links was ook een vergezicht maar platter. Even verder was rechts bos. Opa bleef doorrijden. In een bocht was een picknickplek en toen kwamen ze bij een kruising met een bol geknipte boom met daarin verzonken een wegkruis en naast de boom een bank. Even voor de kruising verminderde de scooter weer vaart totdat hij stilstond.

 

Eyserbos

Met nee schudden begon opa te vertellen: ‘Nee, ik ga het niet hebben over dit wegkruis’. Nu was het Louis die met zijn vinger naar een hoge zendmast wees. Opa knikte van ja en begon te vertellen: ‘De reus van Eys wordt deze toren wel eens genoemd. Nederland heeft een netwerk van dit soort zendmasten die elk een stukje voor hun rekening nemen. In Maastricht heb je zo’n toren bij Daalhof staan, in Roermond staat er een, in Neeritter en zo verder het land in. Het Heuvelland wordt door deze mast voorzien van radiosignalen, DAB, televisiedoeleinden, internet en GSM. In een klein hokje naast de toren staan alle zenders opgesteld, broederlijk naast de concurrent. De signalen komen via de satelliet of glasvezelkabel binnen. Deze metalen toren staat er sinds 1972, is vierennegentig meter hoog en vanaf NAP zelfs tweehonderdvierentachtig meter en is daarmee de een na hoogste toren van het land.’ Even was het weer stil en zei Louis: ‘Ja maar je hoort niks’. Opa knikte.

Toen hij gestopt was met knikken ging opa verder: ‘Wat je niet hoort en ook niet meer ziet is dat op het stuk grond hier voor je een geheime en zeer belangrijk coördinatiepunt is geweest. Met goed weer kun je hier vijftig kilometer ver Duitsland inkijken en uitlopers zien van de Eifel. Op dit punt was een radarinstallatie opgesteld waar niemand in de buurt mocht komen en dan hebben we het over oktober 1944 tot en met februari 1945. De vrij onbekende Slag om Hürtgenwald waar zestigduizend Amerikanen en vijftienduizend Duitsers het leven lieten werd van hieruit gecoördineerd. Toen de Amerikanen bij de Slag om de Ardennen in Bastogne waren ingeklemd en geen aanvoer van voedsel en materieel kregen, konden van hieruit Duitse vliegtuigen onderschept worden. Ook werd van hieruit de luchtaanvallen op Keulen en Berlijn gecoördineerd.’ Dat had Louis nu ook weer niet verwacht dat dit vredig stukje Limburg voor de aanvallen en verdedigingen gebruikt werd. Het bleef weer stil.

 

Eys

Liever keek Louis naar de weidsheid van het punt waar ze nu stonden. Ze gingen weer verder, bij de kruising naar links. Na een tijdje ging de weg naar beneden en daar kwamen ze in de bebouwde kom van Eys. Vele huizen in natuursteen dat de sfeer direct terugbracht naar lang geleden toen de wegen nog modderig waren. Beneden voor de kerk ging opa weer naar links en achter de kerk naar rechts waar hij stopte en de scooter draaide voor een mooier uitzicht. De scooter ging uit en stapte af.

Opa keek verleidelijk naar het terrasje op de hoek maar daarna toch weer met volle aandacht naar Louis om het volgende te vertellen: ‘Hier staan we in het oude centrum van Eys. Eys werd in 1193 voor het eerst ergens genoemd, al veranderde de schrijfwijze wel eens. Lange tijd ook een Rijksheerlijkheid geweest maar minder lang dan Wijlré. In 1732 werd het bij Wittem gevoegd. Aan de gebruikte natuurstenen aan de huizen zie je dat het al oud is. Komt alleen in deze hoek van Limburg voor. Enkele tientallen meters zuidelijk heb je de Eyserbeek waarna Eys genoemd is. Na de oorlog is Eys en het iets verder gelegen Overeys aan elkaar gegroeid. Tot zover het basisverhaal over Eys. Welk verhaal wil je nu eerst horen, over de Schepenen van Eys of de schuilkelder.’ Louis was zich even aan het bedenken. Dat van de Schepenen, waarvan hij wist dat dit een soort wethouders zijn, leek hem maar saai en zei dan ook: ‘de schuilkelder’. Dat leek alweer een stuk spannender.

Het vingertje van opa wees de straat in waar ze net vandaan kwamen en begon te vertellen: ‘Dit is de Grachtstraat en rechts heb je een helling die uit een stenen massa bestaat. Toen de oorlog bijna ten einde liep en Duitsers overal loopgraven begonnen te graven, leek het de bevolking van het dorp verstandig om een schuilkelder te maken.’ Het vingertje dat inmiddels gezakt was steeg weer even, wijzend in dezelfde richting. Daar in de helling hebben ze op veertig meter van elkaar een gang recht de berg in gegraven. Na vijftien meter zijn deze met ook weer met een gang aan elkaar verbonden. De gangen werden in ploegendienst gegraven door mijnwerkers. Andere mensen uit het dorp hielpen ook mee. De massa waar ze doorheen moesten graven was niet echt stevig en moest gestut worden net zoals in de kolenmijnen. Voor de veiligheid was in het begin van de gang een knik en een stukje extra gegraven waar de druk van een eventuele bom naar toe zou kunnen. Om te kunnen vluchten als er iets bij de ingangen in de Grachtstraat was en dat mensen uit het andere deel van het dorp ook snel naar binnen konden vluchten, is er een andere gang gegraven. Zo’n honderdtwintig meter. Bij de ingang werd in een nis een Mariabeeld geplaatst zodat ze ook een Lourdesgrot hadden. Die gang bestaat nog steeds al is de staat ervan niet geweldig. De ingangen aan de Grachtstraat zijn dicht gemaakt behalve het eerste stukje dat een garage is. Toen de schuilkelder klaar was werd deze ingezegend. Net op tijd was de schuilkelder klaar want al snel moest er gevlucht worden. Twee weken achter elkaar hebben er mensen in geschuild, wat niet wil zeggen dat er niemand meer buiten kwam. Voor de privacy hing er een gordijn waarachter een ton stond voor de scheidende behoeften waar ik de nadruk toch wil zetten op de bijna middelste letter “d”. Ook hebben er angstige Duitse soldaten geschuild. Zonder wapens, pas na overtuigd te zijn door de plaatselijke kapelaan. Toen de Amerikanen Eys hadden bevrijd zijn de Duitsers als krijgsgevangene overgedragen aan de Amerikanen. Ze waren de oorlog in ieder geval levend doorgekomen.’ Dat was wel een spannend verhaal vond Louis en was benieuwd naar het andere verhaal: ‘En nu het verhaal over de Schepenen’ zei Louis. Opa liep een meter verder en ging toen echt in de vertelstand staan, met zijn handen gevouwen.

 

De schepenen van Eys

Hij haalde diep adem en zei: ‘De Schepenen van Eys. Lang geleden kwamen de zeven schepenen van Eys bij elkaar in een kring onder de Lindeboom. Alvorens ze het gesprek begonnen telde ze de aanwezigen. En hoewel ze altijd met zijn zevenen waren kwamen ze nooit op het getal zeven uit. Het was altijd zes of acht, de scholtis, zeg maar de voorzitter, vergat zichzelf te tellen of telde zichzelf twee keer. Daarop besloten ze een vuistafdruk in de grond te maken en gingen pas verder met spreken als er zeven vuisten stonden. De scholtis vond dat de kerk te hoog op de berg stond, veel te veel klauteren om ernaartoe te komen, en dat vonden de meeste andere schepenen ook. Er kwam een discussie op gang hoe de kerk dichter bij de mensen kon komen. Het ging er op het ene moment heftig aan toe en op andere momenten werd er verder gekeuveld. Na lang beraad was besloten om de kerk naar beneden te schuiven. Maar toen ze op wilde staan voelde ze geen benen meer, ze hadden te lang gezeten. Een herder die het tafereel aanschouwd had en geërgerd had aan de sloomheid sloeg met zijn wandelstok op de kuiten van de schepenen en die begonnen te springen. Ze konden weer lopen. Liepen naar boven en begonnen met volle kracht tegen de kerk te duwen. En hop, en hop, en hop. De een dacht dat de kerk geen enkel stuk opgeschoven was, de ander dacht van wel. Ze besloten hun jas voor de kerk te leggen en als de jas door de kerk verschoven was wisten ze dat het lukte. Ze gingen weer verder duwen, en hop, en hop, en hop. In de tussentijd kwam een handelaar langs, zag die jassen zo maar onbeheerd liggen en nam ze mee. Toen de Schepenen weer een tijdje bezig waren geweest met hop, en hop, en hop, liepen ze naar de voorkant van de kerk. De jassen waren weg, en blij dat ze waren! De kerk is al helemaal over de jassen heen geschoven. Ze gingen weer lustig verder met hop, en hop, en hop. Maar het werd avond en stopte er mee voor vandaag. Aan de heldere hemel was een felle volle maan te zien zodat de grond goed verlicht werd. Op weg naar huis, langs de Eyserbeek, zagen ze een mooie ronde kaas in de beek liggen. Het was toch zonde als die door de vissen opgegeten zou worden en besloten de kaas uit het water te halen. Maar hoe? Precies boven die kaas hing een tak van een wilgenboom. De sterkste schepen, de smid, hield zich aan de tak vast, aan zijn enkels hield de een na sterkste zich vast en zo verder. Helemaal onderaan de scholtis en die probeerde de kaas uit het water te halen. De smid was gewend om bij krachtinspanning even in zijn handen te spuwen. Dat deed hij nu ook en alle zeven schepenen vielen en zonken in het water. Bij een heldere hemel en volle maan kun je ze nog steeds zijn spartelen, grijpend naar de kaas die maar steeds hun hun handen glipt.’

Tijdens het vertellen zwaaide opa weer met zijn handen om het verhaal kracht bij te zetten. Maar wat moest Louis nu van dat verhaal denken? Een vragende blik was overduidelijk in zijn gezicht te zien. Opa bracht duidelijkheid: ‘Al dat gepraat en gezemel van die schepenen bracht ideeën voort die onuitvoerbaar waren of nieuwe problemen opleverde. Daar tegenover heb je de herder en handelaar met zijn boerenverstand die direct resultaat opleverde. Kortom, kritiek op het ambtelijk gezag is van allen tijden.' De vragende blik verdween uit het gezicht en werd verruild door een lach. Maar of Louis nu al zoveel ervaringen heeft met het ambtelijk gezag blijft nog even vaag.

De scooter kreeg weer de dubbele bezetting en vertrok het kleine straatje langs de kerk in. Bij links een boom en ouderwetse lantaarnpaal wees opa, richting een pad naar boven en stopte weer even. Hij zei: ‘Hier heb je het pad naar de motte die ze hier Boerenberg noemen. Hier kom je uit bij het Lourdesgrotje plus vluchtgang schuilkelder en op de plek waar het gebouwtje van IVN staat, een natuurclub, had je het oude kerkje staan dat in 1745 afgebroken werd. Van Plettenberg, de Graaf van Wittem, had toen al voor een nieuwe kerk gezorgd, die je onder ziet staan.’ Even dacht Louis na en vroeg toen met een kleine glimlach: ‘Dan is het dus niet gelukt de kerk naar beneden te schuiven?’ Opa schudde van nee, en zei erop: ‘Nee, die schepenen liggen nog steeds in de Eyserbeek.’

De scooter ging verder en even verder sloot de straat aan op de doorgaande weg.  Daar was verder geen verkeer en maakte ze een scherpe bocht naar rechts. Verder langs de kerk, langs het terrasje op de hoek, de vele huizen van natuursteen, verlieten ze het dorp. Links midden in een weide was een kapel te zien. Boven het geluid van de scooter uit riep hij: ‘Tegenover dit kapelletje stond er sinds 1696 al een kapel maar die was zo slecht dat ze die in 1920 hebben afgebroken. Later is deze gemaakt.’

Het geluid en de trillingen van de scooter ging voort. Voor hen was een tunneltje en bochtje te zien. ‘Daar gaan we onder de tramlijn Maastricht-Aken door en dat kleine gebouwtje daarboven is het station van Eys’ riep opa. Net voor het tunneltje reed opa weer langzaam. Er kon ongeveer één vervoermiddel tegelijk in het tunneltje. Ondanks dat er achter de tunnel een bocht was gaf opa toch weer flink gas toen ze het tunneltje verlieten. Daar waren ook enkele grote gebouwen die vroeger een loods waren en bij het station hoorde.

 

Eyserlinde

Twee, driehonderd meter verder verminderde opa weer vaart en reed langzaam rechts een picknickplek op en stopte eigenlijk vrij snel. Hij draaide zich en vroeg: ‘Zie je de smalle hoge bomen op een rij staan aan de overkant?’ Louis knikte, opa ging verder: ‘Als je vanaf de andere kant komt of aan de andere kant van het dal, zie je deze rij bomen, populieren. Met de glooiing in het landschap, het groen en deze bomen wordt het wel eens het Toscane van Nederland genoemd. In 1938 liet Tom Brand, een zoon van het merk met het bronsgroene logo, hier fruitbomen planten. Dat groeien ging nog niet zo goed. Daarom liet hij in 1943 hier Italiaanse populieren planten om de plantage te beschermen. Maar met slechte grond kun je niet veel en in 1969 werd de boomgaard gerooid. Er kwam graan voor in de plaats. De populieren werden getopt en enkele jaren later is de helft uitgedund, onder andere omdat er duizenden mussen in zaten die het graan ook wel konden waarderen. Door ouderdom en droogte verdwenen er een aantal populieren. Maar omdat het ondertussen een zogenaamd beeldbepalend landschapselement was geworden, krijgt het qua onderhoud weer de volle aandacht.’ Louis knikte goedkeurend en zei: ‘Gelukkig dan hoef ik voorlopig niet urenlang in een auto te zitten om naar Toscane te gaan.’

De gezichten draaide weer naar voren en de scooter kwam weer in beweging. Opa wees naar rechts en riep boven de optrekkende scooter uit: ‘Hier staat een herdenkingsmonument voor de oorlog, op vier mei is hier ’s avonds de herdenking van de gemeente Gulpen-Wittem en ze noemen het hier Eyserlinde omdat hier vroeger zeker een eeuw een lindeboom heeft gestaan.’ Links waren de Limburgse glooiingen te zien over meerdere kilometers, met dorpjes en alleenstaande boerderijen, kastelen en kloosters. En veel groen. De verharding van de picknickplek bestond uit witte kiezel. Aan de andere kant was een gewone landweg. Met een bocht liep de weg naar beneden. Met al die losse stenen en kleine bandjes reed opa voorzichtig. Omdat hij graag beide handen aan het stuur wilde houden wees hij nu niet maar riep gewoon had: ‘Hier links een oorlogsmonument ter ere van enkele Canadezen die hier in de oorlog met hun vliegruig zijn neergestort.’ Bah, al dat oorlogsgeweld dacht Louis.

 

Cartils

Ze kwamen weer bij huizen en de weg was nu ook weer fatsoenlijk verhard. Opa, die zijn adem enigszins had ingehouden om niet met zijn scooter op de landweg te vallen, kon bij de eerste boerderij links nu roepen: ‘dit is Hoeve Rode Cartils’ en reed verder zonder iets te zeggen tot een driesprong. Daar stopte hij en draaide zich naar Louis.

Opa begon weer te vertellen: ‘Dit buurtschapje van zes, zeven woningen noemen ze Cartils maar eigenlijk is het Rode Cartils. Dat rode is niet omdat ze hier rode dakpannen hebben maar rode is een verbastering van rade, ontgonnen gebied. Net als rade bij Eckelrade, Herkenrade, Kerkrade etc. Vroeger was hier bos en dat is allemaal ontgint om er landbouwgebied van te maken. Dat is gebeurd zo tussen de elfde en dertiende eeuw. Eind vijftiende eeuw komt het in de geschriften voor. De weg voor ons, van links naar rechts is de oude, uit de Romeinse tijd, weg van Maastricht naar Aken, via Gulpen, Cartils, Eyserlinde, Baneheide, Orsbach en Melaten tot Aken. Langs deze weg is dit buurtschap ontstaan. Door aanleg van andere wegen is deze weg minder belangrijk geworden.’ Louis knikte instemmend. Ze gingen naar links.

Er kwam een brugje in zicht maar zo’n honderd meter ervoor stopte opa. De scooter ging uit en opa begon: ‘Rechts zie je een kasteel, dat is kasteel Cartils. Op de kruising van verschillende waterwegen en de oude weg is naar alle waarschijnlijkheid een boerderij ontstaan die later is uitgegroeid tot het kasteel dat je ziet. Vijfhonderdhonderd meter verder heb je de Motte van Burggraaf. Dat is het bomenbosje in het dal, recht voor je. Normaal is een motte een berg grond die ze ergens hebben neergelegd, het bijzondere van deze is dat het een uitloper is van de achterliggende berg en daarvan een deel hebben weggegraven zodat de hoop, de motte, overbleef. Het is een van de grootste van Nederland. Hier stond een kasteel op. In de dertiende eeuw kwam deze voor in de geschriften maar waarschijnlijk in het jaar 600 was deze er al. Waarom vertel ik dit? Als men vroeger van Maastricht naar Aken wilde, werd hier het water overgestoken, precies tussen de Burggraaf en Cartils. Dat kon men dus zo goed in de gaten houden en wellicht dat er ook tol geheven werd. De eerste delen van het kasteel bestond uit een stevige toren. We hebben het dan over de dertiende eeuw. Het is steeds uitgebreid. Ook met een hoeve die samen met het kasteel over een omsloten binnenplein beschikte.  Er is ook weer afgebroken. Zo is in 1883 een gracht om het kasteel gedempt. De hoeve erbij is ook al oud en is later gesplitst waardoor er een hofstede ontstond. Er is ook eens mooie goed onderhouden tuin gekomen. De bedrijvigheid op de boerderijen is grotendeels ten einde gekomen. De landerijen van toen zijn omgevormd tot "Landgoed Kasteelhoeve Cartils" en deze zijn merendeels opengesteld voor publiek. De oude stallen van toen worden nu gebruikt als caravanstalling.'

Ondertussen keek opa nog eens naar de motte, draaide zijn hoofd naar het kasteel en vertelde weer verder: 'Cartils was een piepklein Rijksheerlijkheid. Vele generaties "Hoen van Cartils" hebben er gewoond. Het kasteel, de boerderij ernaast, een stuk grond erachter en aan de overkant van de weg waar we straks bij komen was het rijkje groot. Hoeve Rode Cartils was van de kasteelheer maar hoorde niet tot de Heerlijkheid Cartils. Die kasteelheer werkte natuurlijk niet zelf op de twee boerderijen. Hij verpachte deze aan een boer met allerlei voorwaarden.  Armzalig waren deze pachters overigens ook niet. Sterker nog, later is boerderij plus kasteel verkocht aan zo’n pachtboer. Door de Frans Revolutie werd de Rijksheerlijkheid opgeheven. Het gebied werd bij Wijlre gevoegd, het buurtschap Cartils bij Eys.’

Louis: 'En is dit stroompje, waar je met gemak kunt overspringen, hier langs de weg de waterafvoer van het kasteel en boerderij?' Opa: 'Dit is de Eyserbeek, berucht dat dat hier de Zeven Schepenen van Eys in verdwenen....' Louis maakte aanstalten om verder te gaan, nu voelde hij zich toch echt bij de neus genomen.

 

Kasteel Wittem

Er werd verder gereden. Aan het einde van het pad riep opa: ‘Hier aan de overkant komen de Geul, de Kleine Geul, Selzerbeek, molentak Selzerbeek en Eyserbeek bij elkaar.’ Er werd goed uitgekeken, toen er geen verkeer aankwam gingen ze naar links. Halverwege riep opa: ‘Hier links is de molen van Wittem die het molenrad binnenhuis heeft om te voorkomen dat het water op het rad bevriest. Met het water van de Selzerbeek is een speciale molentak van ruim twee kilometer gegraven. De molen werkt nog steeds en op de bovenste verdieping is nu een grote vakantiewoning. Aan de overkant van de weg zijn de voormalige schuren die inmiddels zijn omgebouwd tot woningen.’

Het hoofd van Louis keek naar links totdat opa begon met: ‘Rechts heb je’, toen draaide het hoofd weer naar rechts, en opa riep boven het geluid uit van de scooter die nu hard reed: ‘het kasteel van Wittem en haar tuinen.’ Ze reden langs de ingang en een stukje verder weg in de tuin was het kasteel ook te zien. Gebouwd in een L-vorm waarbij aan de binnenkant van de hoek een trap en ingang was te zien. Het gladde gazon, de uitgekiende bomen maakte het allemaal stijlvol. Er volgde nog een ingang richting een boerderijpoort en tien meter daarachter was de ingang van een parkeerplaats waar opa op stoof. Bij een wit gebouw aan de rechterkant stopte opa, zette de scooter uit en maakte aanstalten om af te stappen. Maar eerst stapte Louis af, en daarna opa die de scooter op de staander zette. De helmen konden af.

En dat leek op een teken dat opa iets van plan was te gaan zeggen. En inderdaad, hij begon: ‘Het kasteel van Wittem, of Witheim, huis bij de eik, zag er honderden jaren geleden wel anders uit dan je nu ziet. We weten dat de grond in 1125 werd geschonken. Eerst kwam er een toren, daar werd iets aangebouwd, werd groter totdat er wel vijf of zeven torens stonden. Ook stond het kasteel te trillen totdat de stenen afbrokkelde toen het plat gebombardeerd werd. Het werd weer opgebouwd, het verviel een paar keer maar werd ook weer steeds opgeknapt. Al die gebouwen die je hier ziet behoorde als een eenheid bij het kasteel. Ooit was er een dubbele slotgracht maar nu is het een mooi park geworden met vijvers. Die vijvers worden gevoed met bronnen en in de winter bevriezen ze niet. En dat komt omdat het warmwaterbronnen zijn, net zoals ze je ze in Aken hebt. Als je goed kijkt zie je dat er in het witte gebouwtje een poort is geweest die dicht is gemetseld. Dat is een van de toegangspoorten geweest. Kortom, qua bouw en afbraak is er wel het een en ander met dit kasteel gebeurd.’

‘Maar waar is Wittem, de huizen?’ wilde Louis weten. Opa keek de andere kant op, wees op enkele huizen die rechts naast het grote gebouw stonden. ‘Dat is Wittem-city’ zei hij en ging verder: ‘Maar het grondgebied Wittem is veel groter geweest, bijna de grootste gemeente van het land. Vele dorpjes als Partij, Epen, Eys, Slenaken, Nijswiller, Wahlwiller, Mechelen behoorde bij deze gemeente. En omdat deze gemeente, of liever gezegd de heren van het kasteel, zo belangrijk waren wordt de naam Wittem heden ten dage nog steeds zo gebruikt in de naam van de gemeente.’

Vragend keek Louis naar opa die begreep dat er meer toelichting werd verwacht: ‘Het kasteel heeft steeds machtige bewoners gehad, die Wittem groter maakte en bewoners met speciale banden met andere machtige personen en daarmee ook invloeden. Om dat nu helemaal uit te diepen lijkt me voor nu wat overdreven. Maar om een voorbeeldje te noemen, de eerste stap in de Tachtigjarige oorlog vond hier plaats. Toen Karel de Vijfde in Aken tot Keizer werd gekroond heeft hij de nacht ervoor hier geslapen. Dat zou niet zijn gebeurd als dit een simpele dorpsherberg zou zijn geweest. Ze kregen ook Russische tsaren op bezoek en ook is er eens een paus op bezoek geweest. Willem van Oranje heeft er ook nog geslapen. En je kunt er nog steeds slapen zodat we vast over enkele jaren kunnen melden dat een zekere Louis hier geslapen heeft.’ Een lichte grijns verscheen op het gezicht van Louis.

In de tussentijd keek opa met een schuin oog naar de bierlogo’s op de gevelverlichting van de horecagelegenheid aan de overkant. Maar hij vertelde verder: ‘Ook hier hebben generaties lang dezelfde familie gewoond. De familie Plettenberg wil ik even apart benoemen. De eerste telg was rijk geworden met diplomatie en was een kei in de bemiddeling met hooggeplaatsten in de maatschappij die hooggeplaatste conflicten hadden met andere hooggeplaatsten. Hij wist met de aankoop van Wittem fors uit te breiden en kocht zelfs Heerlijkheden als Gulpen en Margraten op. Het was ook de man die de huidige kerk van Eys liet bouwen. Het was de Schepenen inderdaad nog niet gelukt de kerk naar beneden te schuiven. Hij liet de eerste versie van het klooster van de overkant bouwen. En het Wijnhuis in Partij, het Panhuis en Bovenste Molen in Mechelen verbouwen. Toen zijn zoon hem opvolgde en alle bezittingen erfde ging het mis. De hypotheeklasten van al die aankopen van zijn vader waren erg zwaar. En hij had nog een probleem, hij was getrouwd met een vrouw die van mooie kleding en sierraden hield. Die liet ze dan ook met plezier aanrukken en dan had Plettenberg junior nog het geluk dat internet nog niet was uitgevonden. Om die rekeningen te kunnen betalen moest hij weer vele bezittingen verkopen. Wittem heeft hij nog weten te behouden. En of hij nog zijn vrouw heeft behouden weet ik niet.’ Voor Louis was het nu wel duidelijk waarom hij alleen maar liefdevolle verhalen over zijn oma had gehoord.

Even kwam er een droog kuchje uit opa’s mond maar ging daarna gestaag verder: ‘Met de Franse revolutie werden de Rijksheerlijkheden opgeheven en was het gedaan met de heerlijkheden’ en keek opa nog ’s naar het bierlogo. Hij vervolgde met: ‘Er heeft nog een tijdje een slanke freule gewoond die de touwtjes over dit kasteelrijk met hoeve en landerijen stevig in de hand hield, die mannen op spierkracht water naar boven liet pompen en andere mannen voor het splitsen van het brandhout liet aanrukken, om zichzelf te kunnen douchen. Maar ook deze tijden zijn voorbij. Er kwam een hotel en restaurant in, wisselde nog van eigenaar waarmee hotels en restaurants sloten maar ook weer op een net iets andere manier opende. Dat was en is nog steeds succesvol, verschillende malen prijkte er een Michelinster in het kasteel. Het is jammer dat de keurmeesters en meesteressen van zittend tafelen houden want anders had de frituur die hier ruim vijfentwintig jaar in de ruimte links heeft gezeten er vast op zijn minst één ster verdiend. Daar werden de frites met eigen gekweekte aardappels van de kasteelhoeve gebakken. Echt superlekker. Helaas, net als de freule is de frituur de Kasteelhoeve er niet meer. Freule is gestorven en de frituur heeft de overstroming in het Geuldal van zomer 2021 niet overleefd.’

Zo werd het verhaal toch enigszins triestig afgesloten. Ze stapte op de scooter, helmen gingen weer op en opa reed naar het grote klooster aan de overkant, naast het terras en rechts van de weg. Daar werd weer afgestapt en deze keer ging de scooter ook op slot. Louis keek nu bedenkelijk, zouden we het klooster ingaan?

 

Klooster van Wittem

Het oog van opa gleed ook langs het naastgelegen terras. Maar hij hield vol en ging verder: ‘Van Plettenberg was gelovig en deed veel, op hoog niveau, voor de katholieke kerk. Om de opkomst van de Staatse in die tijd, het protestantisme, dat in de omgeving van hier opkwam tegen te gaan liet hij hier een klooster bouwen als een soort tegengeluid. De eerste versie van dit klooster kwam in 1733 klaar. De Capucijnen waren de eerste bewoners en bleven dat totdat de Franse Revolutie langs kwam en ze moesten vertrekken. Veertig jaar later organiseerde Redemptoristen hier een zogenaamde missie dat een daverend succes werd. Straks kom ik daar nog op terug als we op de Gulpenerberg zijn. Het succes van die missie plus ruimtegebrek in het klooster van de Redemptoristen in Antwerpen plus hier al veertig jaar een klooster nagenoeg leeg stond, was een reden dat ze zich hier in 1834 vestigde. Maar dat ruimtegebrek kwam ook hier. Behalve de kapel werd het kloostergebouw in 1892 afgebroken en vervangen in het gebouw dat je nu ziet. Later werd het nog eens met een vleugel uitgebreid. Het was niet een klooster voor een select groepje paters maar ook een opleidingsinstituut voor Redemptoristen. Uit vele landen kwamen ze hier hun opleiding doen om elders in de wereld voor de Redemptoristen aan de slag gingen. De Italiaan van eenvoudige komaf. Redemptorist Gerardus Majella was erg braaf en werd tot Heilige verklaard. Het werd de patroonheilige van het klooster in Wittem en dat groeide langzaam uit tot een pelgrimsoord voor mensen uit de gehele regio en ver daarbuiten. Jaarlijks kwamen duizenden mensen hier met bussen naar toe of via lange pelgrimsroutes. Om die pelgrims plek te geven werd in 1961 de linker kapel gebouwd. Zo druk als vroeger is het niet meer maar nog steeds komen er de gehele dag door even mensen naar het klooster toe. Sinds de jaren zestig liep het aantal kloosterlingen terug. Op dit moment wonen er nog maar enkele. Daarom is het grootste gedeelte van het kloostergebouw weer afgestoten. Een klein deel voor enkele bewoners, de kapel, een activiteitenruimte en boekwinkel waar de pelgrims en bezoekers komen is overgebleven. ‘

Even kwam opa in beweging om naar binnen te lopen maar bedacht wat hij nog wilde zeggen: ‘En, wat ook bewaard is gebleven is de bibliotheek. Een hele grote mooie hout betimmerde ruimte, door de broeders zelf met de hand gemaakt, waar geheel rondom tot hoog boven aan het plafond in rekken tachtigduizend boeken stonden opgesteld. Op de begane grond en dan nog twee galerijen verbonden met twee gietijzeren trappen. De boeken zijn in de jaren zeventig in zijn geheel verkocht aan de Universiteit van Nijmegen. Omdat het zo wel erg kaal was zijn er weer boeken verzameld en die staan nu op de plek van de oude boeken. De ruimte wordt nog steeds gebruikt voor concerten, symposia en andere bijeenkomsten.’

Louis knikte rustig, van opa kwam nu ook iets anders in beweging dan zijn mond, hij liep niet naar de ingang maar even verder tot de kapel die een eigen voordeur had. De zware houten deuren gingen open en daarna een glazen schuifdeur. Ze kwamen uit aan de achterkant van de kapel. Vrij zwaar bouwwerk, rijkelijk versierd. Achter elkaar liepen ze een stuk naar voren en opa tuurde even om zich heen. Net voor opa begon te vertellen vroeg Louis: ‘Toch niet weer een lang verhaal he?’ Dat had opa niet verwacht maar begreep zijn kleinzoon wel. Hij zei: ‘OK, over elke ruimte twee dingetjes.’ Louis knikte instemmend en opa begon: ‘Eén, alles in deze kerk is op elkaar afgestemd en heeft vaak symbolische waarden. Deze ruimte is geschilderd door Charles Eyck, een bekende Limburgse schilder en twee, ik had je al verteld dat Plettenberg dit kasteel en kapel heeft laten bouwen. Hij had hier ook een eigen plekje en wel boven de ingang, waar normaal het koor zingt. Het wapen van hem staat daar rechtsboven afgebeeld.’

Nu stak Louis een voorzichtig vingertje op en vroeg: ‘Vraagje, en wie is die man die geknield zit?’ Opa: ‘Aha, een bonusverhaal, dat is Van Rossum. Die heeft aan de bakermat gestaan van dit Redemptoristenklooster en de paus van destijds heeft hem kardinaal gemaakt en dat is dan na de paus de belangrijkste rang.’ Een goedkeurend knikje van Louis volgde.

Links in de kerk is een doorgang, daar liepen ze samen, naast elkaar, door en kwamen in een ronde kapel. Een beeld van Maria met allerlei kaarsen die mensen die dag hadden ontstoken. Met pin kon je een kaars kopen. Bovenin was een blauwe koepel met sterren en er kwam bovenin daglicht binnen. Opa nam weer het woord al was dat wel op een bijna fluisterende toon: ‘Deze kapel is ontworpen door een pater die hier woonde en voor hij hier intrad professor in de bouwkunde was. En het tweede is dat deze vloer in 1848 is aangelegd, met koperen ingelegde strippen erin verwerkt. Al die jaren hebben er duizenden en duizenden mensen over gelopen. En ziet nog steeds als nieuw uit. Over de biechtstoel kan ik niets vertellen want dan zou dit het derden zijn.’

Nu keek Louis weer vragend. Opa kon het niet laten om er dan toch iets over te vertellen: ‘De kerk geeft een richting aan hoe je kunt leven met jezelf en anderen. Mocht daar ergens iets verkeerds gaan dan kan vergiffenis gegeven worden. Vroeger ging je dan in de biechtstoel als deze zitten en kon je bij de biechtvader, een priester, opbiechten wat je verkeerd had gedaan. Die gaf je dan een straf om weesgegroetjes of zo te bidden en kon je zonder zonde verder leven.’ Louis keek nu nog meer vragend dan aan het begin.

Ze gingen naar de volgende ruimte, een soort L, met banken en in de hoek een klein podium. Met dezelfde gedempte stem als net ging opa verder: ‘Dit is de kapel die in 1961 gebouwd is geworden, zestig jaar later werd het nog steeds de nieuwe kapel genoemd omdat ervoor nog een houten kapel heeft gestaan. Die hele ruimte was tot enkele jaren geleden een kapel. In de binnenste hoek staat het beeld van Gerardus, verbonden met een dikke betonnen balk als plafonddeel met het altaar. Gerardus tussen de mensen. Tegenwoordig is de boekhandel naar deze ruimte verplaatst. Deze ruimte wordt nu gebruikt voor bijeenkomsten die dikwijls een link met het geloof hebben, hoe je vandaag te dag iets aan je geloof kunt hebben.’ Bij Louis zijn ogen kwamen steeds in een grotere vragende stand te staan.

Het leek er op dat opa een beetje haast begon te maken. Er was een deur naar buiten die ze door gingen. Nu waren ze bij een tuin aangekomen die zich op een hoger deel bevond. Enkele tientallen meters liepen ze naar rechts en daar was een luik naar een kelder. Hier stopte opa en vertelde: ‘Hier achter heb je een grafkelder waar broeders begraven werden en nog steeds worden. Wat er ook ligt is het hart van Plettenberg. Die was erg aan Wittem gehecht, maar stierf op grote afstand van Wittem. Voor dat het lijk met paard en wagen in Wittem zou zijn zou het niet meer fris ruiken en werd daarom beperkt tot het hart dat in een mooie pot is gestopt. Zo lag en ligt nog steeds het hart van Plettenberg in Wittem.’  Van een vragend gezicht veranderde het gezicht van Louis nu in een vies gezicht.

Er werd een stukje verder gelopen, over smalle paadjes en zo kwamen ze bij een beekje uit dat onder de grond stroomde. Opa: ‘Dit is de molentak van de Selzerbeek om de molen van net aan te drijven. Maar… hier is ook een klein molenrad en dat is of was in gebruik om water in het klooster in op te pompen.’ Goh, een verborgen molentje dacht Louis.

Wel leuk natuurlijk om naar een verborgen molentje te kijken maar de tijd tikte bijna nog sneller dan het molenwiel. Dat realiseerde opa zich ook, hij wilde nog meer laten zien die dag, lekker toeren door het Limburgse heuvelland. En voor Louis begon het ook te lang te duren. Ze liepen weer terug naar de deur waar ze door naar buiten waren gegaan. Opa zat in dubio, snel verder gaan of toch nog een dingetje? Opa legde het aan Louis voor: ‘Nu heb ik al twee dingen buiten verteld en nu kan ik je niet meer vertellen wat er in dit gebouwtje was, of wil je het toch weten?’ Louis knikte even en zei: ‘oké, vertel dan maar’. Met een over gelukkig gezicht begon opa: ‘Erachter was en zijn nog wat resten van een kweekkas, maar in het gebouw hiervoor was een bierbrouwerij.’ En het geluk straalde van opa af en ging verder: ‘Hier werd tot 1952 het Gerardusbier gebouwen. En hoewel in dit stoffig gebouwtje geen bier meer gebrouwen wordt kun je het vandaag de dag nog wel drinken. Niet uit een oude voorraad maar bij de Gulpener bierbrouwerij worden nu diverse Gerardusbiersoorten gebouwen. En die zijn op tal van plaatsen te koop.’ Louis zijn gezicht stond nu even uitdrukkingsloos

Samen liepen ze naar binnen, door de nieuwe kapel, langs de boekenwinkel van het klooster naar de volgende ruimte. Dat was een ruimte met heel veel kaarsen en een beeld van Gerardus. Enkele mensen zaten er in stilte te staren naar de brandende kaarsen. Ze kwamen weer buiten. Daar stapte ze op de scooter en die reed verder, richting de verkeerslichten een stukje verderop. Met het nodige wachten op het groene verkeerslicht reden naar links. Ongeveer een kilometer verder kamen ze bij een voetgangersoversteekplaats. Daar hield opa in, stak de weg over en reed een smalle weg in.

 

Wahlwiller

Een smalle weg, links een mooie glooiing in het landschap, kwamen ze bij de bebouwde kom. Bij de T-splitsing en kerkje links stopte opa even, deed de scooter uit. Dat was een teken dat opa nog niet naar het café wilde dat aan de overkant van de weg was.

Opa begon met een licht droog schrapende keel dan toch aan zijn verhaaltje: ‘Deze weg is ook een oude weg naar Aken en hierlangs is dit dorpje, Wahlwiller, ontstaan. En dat geldt ook voor Nijswiller een stukje verder op maar daar gaan we nu niet naar toe. Net als de meeste Limburgse dorpjes heeft ook dit dorpje al eeuwenlang een kerk die in de loop der jaren de nodige bouwvakkers aan haar zijde zag staan. Maar daar ga ik het nu niet over hebben. Wel over schilderijen die in deze kerk hangen, de Cunibertuskerk. Met name de kruiswegstaties, het lijdensverhaal van Jezus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er een beginnend kunstenaar, Aad de Haas genaamd. Die zag letterlijk zijn geliefde stad Totterdam platgebombardeerd worden door de Duitsers. Dat heeft hem beïnvloed, dat kun je je wel voorstellen. Hij maakte erna schilderijen die een niet al te rooskleurig beeld van de Duitsers gaven. Die werden tentoongesteld en daar waren de Duitsers dan weer niet zo van gecharmeerd en werd opgepakt. Hij had geluk met de mensen die toezicht op hem hielden en kreeg de tip te vluchten. Hij trouwde nog net met zijn vrouw in Rotterdam en namen samen de trein naar het diepe zuiden en kwamen terecht in Ingber, het plaatsje waar we net als eerste waren. Hij is daarna nog enkele malen verhuisd maar wel in deze hoek van Zuid-Limburg blijven wonen.’

Een Rotterdammer die hier op deze plek terecht komt. Louis was benieuwd waar het verhaal naar toe ging, opa ging verder: ‘Aad kreeg na de oorlog, in 1946 een opdracht, zijn eerste grote opdracht. Deze kerk verfraaien met schilderingen en een nieuwe kruisweg. Veel eisen werden er niet gesteld en nam de opdracht aan “voor het geld wat een kleine parochie kan missen.” Hij ging een paar keer in het kerkje kijken om het gevoel van de ruimte te krijgen en hoe de lichtinval was. Hij ging aan de slag. Nu was het niet een doorsnee kunstenaar die klassieke voorstellingen maakte van de lijdensweg, het waren een soort wazige figuren met embryoachtige hoofden, een figuratief expressionistische vorm. Door het intensief meemaken van de oorlog was hij de mening toegedaan dat de mens geen gezicht meer had. Aan zijn werken voegde hij nog tal van symbolische betekenissen toe, ook om het verhaal actueel te maken. In plaats van de gebruikelijke veertien kruiswegstaties maakte hij er zestien. Er waren toen al mensen die het prachtige kunst vonden maar toch ook mensen die het niet waardig genoeg vonden. De pastoor wisselde nog wel eens van mening over het resultaat die sterk afhankelijk was met wie hij onlangs sprak en wat ervan in de kranten en bladen stonden. Want het commentaar beperkte zich niet tot dit schattig dorpje, er kwamen in tal van landelijke tijdschriften publicaties over deze kruisweg. Ook het bisdom en zelfs Vaticaan liet van zich horen. Het resultaat was dat in 1949, hetzelfde jaar waarin de opdracht klaar kwam, de kruiswegstaties uit de kerk verwijderd moesten worden. In de hoop ze nog een keer terug te kunnen plaatsen kocht een stichting de schilderijen waardoor ze behouden bleven. In de loop der jaren was het tij gekeerd, de tijd had geleerd dat men beter de waarde wist in te schatten en dat leidde er weer toe dat ze in 1981 teruggeplaatst konden worden. Met dit verhaal zijn de schilderingen nu erg populair geworden, is het soms zo druk in de kerk dat de bewoners van Wahlwiller geen plek meer hebben en is het zelfs zo dat een opa uit Maastricht naar hier komt om dit verhaal aan zijn kleinzoon te vertellen.’

De ogen van Louis draaide naar boven en die van opa naar het terras aan de overkant van de kerk en richtte zich daarna weer naar Louis en vertelde hem: ‘En Wahlwiller heeft nog iets anders. Links op de helling waar we net langs reden bevinden zich enkele wijngaarden. Nu wordt er verteld dat de Romeinen hier ook al wijn verbouwde. Na de middeleeuwen en nadat Napoleon er zich mee bemoeide en er een planteziekte uitgebroken was, was het in ieder geval voorbij met het maken van wijn hier. In 1968 werd er in Maastricht op de zuidhelling van Slavante weer begonnen een wijngaard aan te leggen. In 1971 begon een huisarts hier als hobby met een wijngaard. Dat werd de “Wittemer wijngaard” want Wahlwiller is een onderdeel van Wittem. Zo’n wijngaard beginnen is veel experimenteren hoe je het beste druiven kunt kweken om wijn te maken en dat ging best succesvol.’

Beide keken gelijktijdig in de verte achter de kerk waarna Louis dan toch met vraagje kwam: ‘Maar waarom is dat dan juist hier en niet ergens anders een wijngaard?’ Dat vond opa een leuke vraag en gaf als antwoord: ‘Op de plek van de wijngaard heb je een soort microklimaat, het ligt beschut op een helling en wel helemaal op het zuiden gericht waar de meeste zon vandaan komt en daarmee is het daar normaal altijd enkele graden warmer. Daarbij is hier een kalkrijke bodem die goed voor de voeding is maar ook de warmte langer weet vast te houden. Er liggen hier in de buurt meerdere wijngaarden. Hier heb je overal heuvels op de dalen van de Geul die richting de Maas gaan.’

Louis knikte instemmend maar nu had opa een vraag: ‘Weet je welke diertje daar in de wijngaard voorkomt?’ Dat kunnen er zoveel zijn… konijnen, egels, eekhoorns… de korenwolf zal het vast niet zijn… Een vragend gezicht was het antwoord. Opa: ‘De wijngaardslak.’ De ogen van Louis draaide spontaan naar boven.

Opa maakte een gebaar dat hij verder wilde, wees met zijn vinger rechtdoor, en zei erbij: ‘rechtdoor heb je de oude weg naar Nijswiller. Daar heb je een oud kasteel, al eeuwen een knus kerkje en ook oude huisjes. Maar soortgelijks hebben we of gaan we nog zien dus dat slaan we nu even over’ en ze vertrokken rechts het straatje in. Staken de grote weg over en vervolgde die weg tot aan het einde en gingen daar links totdat ze in Mechelen uitkwamen.

 

Mechelen

De doorgaande weg draaide naar rechts. Recht vooruit waren vakwerkhuizen te zien. Opa volgde de bocht en draaide voor de kerk rechts een klein straatje in. Daar hield hij links aan. Een smalle kronkelweg leidde naar een open veld met redelijk nieuwe gebouwen aan de zijkanten. Links was een oud gebouw maar wel goed opgeknapt. Daar was een doorgang maar opa ging enkele meters verder en draaide, voor een nieuw gebouw naar links. Ze kwamen nu bij een oude binnenplaats van, het leek wel, een voormalige boerderij. Daar stopten ze dan toch, de motor ging uit.

Even om zich heen kijken en daar begon opa weer: ‘Dit complex wordt de Heerenhof genoemd en maakte deel uit van een Commanderij. Een Commanderij is de kloosterorde van de Johannieten die hier eeuwen gewoond hebben. Kloosters zijn in principe zelfvoorzienend en dragen daarnaast hun steentje bij aan de maatschappij. Bij deze Commanderij, die al in 1215 genoemd wordt, behoorde grond, het woongebouw, de boerderij en een molen. Nu trokken vroeger nog wel eens plunderende soldatentroepen langs die de boel in brand staken. Zo gebeurde dat hier in 1588. De naastgelegen kerk is toen ook afgebrand. De kerk is weer opgebouwd en de boerderij ook maar het woongebouw is niet meer opgebouwd. De Johannieten vertrokken en de achtergebleven bezittingen werden verpacht totdat de Franse Revolutie kwam. Alles kwam aan de staat toe en werd particulier verkocht. Tussentijds zijn hier vaker branden geweest en steeds weer opgebouwd en aangebouwd. Nu zijn er recreatiewoningen, woningen en enkele maatschappelijke instellingen. Kortom, de paarden en tractoren zijn er verdwenen.’

Er was ook niks meer te ruiken van koeien en broeiende mest. De scooter werd gestart en reed rechtdoor verder over een pad. Dat kwam weer op de doorgaande weg uit en stopte even. Opa keek nog eens aandachtig recht vooruit waar een terras was en daarna keek hij naar links. Hij zei: ‘Louis, kijk even naar dat grote hoekige witte pand daar in de bocht’ en Louis keek ook even naar dat pand. De scooter begon weer te rijden en ging rechts op. Net waar rechts ineens een beek was te zien stopte opa rechts en daar ging de scooter weer uit. Aan de ene kant van de straat een vakwerkhuis en aan de andere kant een pompeus gebouw met als naambord “De Oude Brouwerij”.

Hier zal opa vast iets gaan vertellen dacht Louis, en ja hoor: ‘Of het nu helemaal klopt wat ik je ga vertellen weet ik niet maar het zit wel in die richting. Ruim tweehonderd jaar geleden werd het pand aan de overkant gebouwd om er een bierbrouwerij in te vestigen. Die is er ook gekomen en er is een tijd lang dan ook bier gebouwen. Maar voor deze brouwerij er kwam was er een andere brouwerij, een banbrouwerij en die bevond zich in het witte grote witte hoekige pand wat ik je net liet zien. Je had hier honderden jaren de Commanderij die op hun eilandje alles voor het zeggen hadden en de heren van Wittem, later Plettenberg, die daar buiten alles voor het zeggen hadden. En je weet, de bewoners waren verplicht van een banbrouwerij hun bier af te nemen. Dat was dus bij dat hoekige pand. Plettenberg heeft er ook ergens zijn familiewapen in laten metselen. Ergens in het verre verleden zijn ze daar mee gestopt, zou me niets verbazen als dat met de Frans revolutie was.’

De hoofden draaide de andere kant op, naar de witte vakwerkboerderij. Grijze balken met witte vlakken en aan de zijkant van het pand dakpannen. Ook hier wist opa iets over te vertellen: ‘Je zag het net al toen we Mechelen binnenkwamen en met name hier in de buurt heb je meerdere van dit soort vakwerkboerderijen. Overal op de wereld wordt gebouwd met materialen die in de omgeving te vinden zijn. In Kunrade, een dorpje richting Heerlen, is volgebouwd met de Kunradersteen. Mergelwoningen in de nabijheid van een groeve. Hoe minder transportmogelijkheden hoe dichterbij de materialen gevonden moesten worden. De balken mochten destijds uit het bos gehaald worden. Daar werd een skelet van gemaakt, zo’n skelet kon later ook nog verplaatst worden, maar dat terzijde. In die vakken werden takken gevlochten en dichtgesmeerd met een mengsel van voornamelijk stro, beetje leem om het aan elkaar te laten plakken, beetje water om het te bewerken en een beetje urine zodat er een klein beschermlaagje op kwam. Dit huis is ergens in de achttiende eeuw gebouwd en dat moest ook onderhouden worden. Het verven, werd gedaan met mengsels die ze zelf maakte. Een verfwinkel had je immers nog niet. Later zijn ze die vakken gaan vullen met mergel of bakstenen. Natuurlijk had je vakmanschap nodig om zo’n boerderij te bouwen maar het genoemde vakwerk slaat op de vakken. Op meerdere plekken op de wereld heb je dergelijke skeletbouw maar dan toch overal net weer iets anders. Zelfs hier in Zuid-Limburg heb je in de regio’s kleine verschillen. Hier in het heuvelland zijn er nog vele blijven staan, vaak uit armoede. In vroegere tijden waren dit de woningen voor de lagere klassen. Soms werden ze ook wit geschilderd om het duurder uit te laten zien of verdween veel onder een dikke stuclaag. In Wijlre vind ik dat je dat erg ziet, prachtige gebouwd met natuurlijke materialen en dan een laag er overheen, doodzonde. En soms dan ramen die niet bij de stijl van het huis passen, vreselijk. De zoveel mogelijk, aan de huidige maatstaven, in originele staat gebleven woningen en boerderijen zijn nu toeristische trekpleisters.’ Louis keek nog eens naar de rode dakpannen aan de zijwand en vroeg: ‘En die pannen?’ Nu keek opa ook naar die rode pannen en gaf als antwoord: ‘Puur ter bescherming van de gevel’ waarop Louise begrijpend knikte.’

Ze reden weer verder. Enkele honderden meters, waar links een watermolen stond en rechts een zijstraat met zo’n vakwerkboerderij op de ene hoek en een bunker uit de Tweede Wereldoorlog op de andere hoek werd weer gestopt. Het vingertje van opa wees naar de vakwerkboerderij en zei hierbij: ‘Hoeve de Plei ofwel Hoeve de binnenplaats. Weer een vakwerkboerderij. Meestal werd eerst de woning gebouwd met in het verlengde een stal, kwam er een stal bij was het handiger als die haaks op de woning kwam, werd er nog een ruimte bij gebouwd kwam die daar weer haaks op, tegenover het woonhuis en bij de volgende uitbreiding weer haaks, met een poort en zo ontstond er dan een gesloten hoeve. Links heb je hier het woonhuis waar nog een kelder is.’

Het vingertje draaide nu naar het grote gebouw aan de overkant, boven de Kleine Geul. Bij het wegdraaien van het vingertje begon het praatje van opa: ‘Daar heb je de Commandeursmolen, als onderdeel van de Commanderij waar de Heerenhof ook een onderdeel van is. De molen is een schenking geweest maar dat zag er toen niet zo uit als nu. Ook deze was ooit van hout, is herbouwd, in brand gestaan, opgebouwd en verbouwd. Een molen is de fabriek van vroeger. Enkele tientallen jaren geleden waren hier zo’n vijftig mensen werkzaam. Het is een papiermolen geweest, graanmolen en mengmolen van dierenvoeding. Vandaag de dag is het een moderne molen geworden met oude elementen die je kunt bezoeken.’ Louis schudde van nee, daar had hij geen zin in. Langzaamaan had hij weer genoeg gezien. De scooter kwam weer in beweging.

Na enkele honderden meters was rechts de Schweibergenweg en even verder reed opa links een klein straatje in wat bleek weer een molen te zijn. Er werd gestopt. Opa begon weer: ‘Dit is de Bovenste molen, net waren we bij de Onderste molen. Deze ligt boven de stroming van de Geul, de onderste ligt onder aan de stroming van de Geul. Vroeger werd deze molen de Wolvenmolen genoemd maar dat wordt niet meer gebruikt. Waar de Commandeursmolen voor de Commanderij was bedoeld, was deze voor de inwoners van de heerlijkheid van Wittem de banmolen. Ook hier liet Plettenberg zijn wapen inmetselen. Na de Franse Revolutie zijn beide molens een tijdje van dezelfde eigenaar geweest. Ook hier werd papier gemaakt, graan gemalen en voeders gemengd.’

Molens had Louis ondertussen nu wel weer genoeg gezien. Hij begon zich ondertussen wel iets anders af te vragen en vroeg aan zijn opa: ‘Proeft u die molen nu in een Brandspils? Opa moest even nadenken: ‘Ja, eigenlijk wel. Ook zo’n molen aan zo’n kronkelend riviertje tussen de groene heuvels is voor mij het Limburgse Heuvelland. Net als ik ook die vakwerkboerderijen hier overal zie en weet dat in ’t Höfke, een buurtschap aan de overkant van de weg, en al die andere buurtschappen, nog veel meer van die schilderachtige huisjes zijn. Dat proef ik in een Brandpils.’ Louis probeerde dat gevoel te begrijpen en knikte voorzichtig. Hij voegde daaraantoe: ‘Dus ook die holle weg, kastelen en Rijksheerlijkheden, brouwerijen, kerken, kalkovens, veldkruisen, strategische heuvels, Mariabeelden, sages, Romeinse wegen, kloosters.’  Nu knikte opa en zei erbij: ‘En dat heb ik ook bij toeristen, de natuur hier, geologie, het leven zoals het vroeger was. Dan laat ik je straks nog zien.’ Nu knikte Louis vrolijk, hij had nog wat te verwachten. De scooter kwam weer in beweging.

 

Epen

Via een mooie groene weg kwamen ze Epen binnen. Eerst gewone huizen maar toen de bochten in de weg toenamen verschenen hotels en oudere woningen. In de buitenbocht bij Hotel Berg en Dal vlakbij de kerk werd de scooter weer tot stilstand gebracht. Nadat opa eerst even de terrasjes inspecteerde wist hij het toch op te brengen te beginnen met zijn verhaal: ‘Aan het begin van de vorige eeuw was dit een dorpje met boerderijen en een plek waar je kon overnachten. Meester Bernink vanuit Denekamp in Twente kwam hier als vijfde toerist van dat jaar op bezoek. Vanuit station Wijlre-Gulpen, mee gereden tot Mechelen met een koetsier en de rest gelopen kwam hij na anderhalf uur in Epen aan. Op verzoek van Zwollenaar Eli Heimans schreef Denekamp een verslag van zijn ervaringen dat in een tijdschrift terecht kwam. Daarmee nam de interesse van “Holland” voor dit deel van het land toe. Heimans was, samen met de in Maastricht geboren Jac P Thijsse, oprichter geweest van Natuurmonumenten. Ook hij kwam als toerist naar Epen en is er zelfs een aantal keren terug geweest omdat de natuur hier zo bijzonder was. Heimans ontdekte bijzondere planten, bijzondere dieren, bijzondere bodem en gesteente die aan de oppervlakte kwamen en de verbintenis tussen deze. Hij schreef er een boekje over, “Uit ons Krijtland” voor de toerist met tal van nieuwigheden die nog niet algemeen bekend waren. Dat boekje, met dubbele foto’s waarmee je met een speciale bril de zogenaamde stereofoto’s met diepte kon bekijken, ook bijzonder natuurlijk. Het trok steeds meer mensen naar Epen die hier meer troffen dan alleen bijzondere natuur. Het leek een stukje buitenland in eigen land. Ook de bewoners waren anders, spraken een andere taal en waren erg gastvrij. Boerderijen en woonhuizen werden omgebouwd tot pension of hotel. Er zijn ook hotels gebouwd. De kinderen groeide op met de gasten en namen de pensions en hotels over van hun ouders. In 1929 werd er een plaatselijk VVV opgericht. In de jaren vijftig kwam het toerisme echt goed op gang.’

Louis keek om zich heen. Hij zag een verdwaald koppel lopen op sportieve wandelschoenen met grijs haar en enkele dames met overwegend geverfd haar die op een terrasje zaten. Beetje saai, beetje kneuterig. Hier voelde opa zich nog te jong voor. Veel meer was er niet te zien in het dorpje en opa kon weer de scooter in beweging zetten om toch nog iets levendigs in het dorpje te krijgen. De bocht in de weg werd gevolgd en achter Hotel de Kroon gingen ze rechts op. Dat was een aardig stijl bergje waar de scooter wel enige moeite mee had. Opa, met grijs haar, en Louis zaten stijfjes op de scooter voor zich uit te staren.

Boven aan de heuvel was weer meer groen te zien al was nog niet ver te kijken. Totdat links een parkeerplaats tevoorschijn kwam. Heer reed opa op om van het uitzicht te genieten. Hier kon je echt ver kijken. Heuvels, kleine huisjes beneden, bomen en bos en veel gras. Dit was pas echt gaaf dacht Louis. Ze bleven even staan kijken om alles in zich op te nemen.

Het was er best stil maar dat moest toch weer door opa onderbroken worden: ‘Ik had het over het boek “Uit ons Krijtland”.  Toen in de jaren dertig van de vorige eeuw achterliggend hotel gebouwd werd is het naar dat boekje genoemd. Het eerste gebouw verder aan deze kant van de weg wordt Gerardushoeve genoemd. Tijdens de oorlog moest de man des huizes, een boer dus, soldaat zijn. Maar bij zijn eerste daad werd hij al krijgsgevangene. Zijn vrouw was in verwachting en zij bad tot Gerardus van Majella. De Gerardus van het klooster in Wittem waar we eerder waren. Ze bad dat hij maar snel en gezond weer thuis zou komen. Toen dat inderdaad na een tijdje gebeurde hebben ze hun hoeve naar Gerardus genoemd en heet het huidige restaurant ook zo.’ Louis glimlachte voorzichtig.

Opa ging door: ‘Heimans wandelde door dit gebied. Oorspronkelijk was hier zee die elke keer steeds een laagje kalk achterliet en zo tientallen meters groeide. Dat werd het plateau, hier staan we op het Plateau van Crapoel, niet te verwarren met krapuul. Aan de overkant hebben we te maken met het Plateau van Vijlen.  Er verscheen een waterstroompje dat later de Geul werd genoemd en die holde het hele gebied voor je uit tot het huidige Geuldal. Toen werden ook lagen in de grond zichtbaar, hier komt op enkele plekken de zogenaamde Formatie van Gulpen aan het licht. Die formatie bestaat ook weer uit verschillende lagen. Toen Heimans hier beneden wandelde ontdekte hij op verschillende plekken gesteente, delen van die lagen, aan de oppervlakte komen. Voor de bewoners was het gewoon maar hij wist het bijzonder te maken. In zijn boek schreef Heimans ook over zo’n plek hier beneden. Dat is ondertussen een geologisch monument geworden, ook naar hem genoemd, de Heimansgroeve. Deze wordt nu ook speciaal onderhouden om deze in stand en goed zichtbaar te houden. Bij deze groeve is een zeven meter diepe kelder gemaakt, te betreden via een deksel op de grond Daar staat een seismoloog in opgesteld die diep in het gesteente aardbevingen meet. De samenstelling van de grond en andere invloeden zorgt er voor dat hier zeldzame planten voorkomen. Hier zijn ook eeuwenoude houtwallen, holle wegen, rivierbedding die ook weer voor een zeldzame plantengroei zorgen. Hier over de grens werd zink gedolven en deels ervan kwam in het Geulriviertje terecht die het zink in dit gebied wist te verspreiden. Het gevolg was dat er plantjes niet meer voorkwamen maar andere er juist wel gingen groeien. Het Zinkviooltje is dus een uniek plantje dat hier nog groeit. Maar in de tijd dat Heimans hier rondliep waren het er nog veel meer omdat de mijn toen nog in productie was.’ Dat was een pittig verhaaltje, besefte ook opa. Louis stond wat stijfjes te staren nadat hij binnen korte tijd een verhaal over miljoenen jaren te horen had gekregen. Om het luchtig af te sluiten zei opa: ‘Hier precies naar het zuiden heb je het zuidelijkste puntje van Nederland.’ Géén reactie van Louis. Tijd om een stuk te gaan rijden.

Ze verlieten de parkeerplaats en reden verder. Eerst kwamen ze langs de Gerardushoeve en daarna reden ze het buurtschap Eperheide binnen. Hier herkende Louis hier en daar de vakwerkhuizen. Eperheide uitgereden waren er links weer vakwerkhuizen met een bord erbij met “Schaapskooi”. De plek waar opa met stemverheffing van zich liet horen: ‘Hier is de thuisbasis van honderden schapen, het Mergellandschaap. Een Mergellandschaap is te herkennen aan zijn zachte gele vacht, hihi. In diverse kuddes gaan ze op pad voor begrazing. In tegenstelling tot een machinemaaier weten die schapen een goed onderscheid te maken tussen wat wel en niet weg kan en komen op plekken waar de machine niet kan komen. Het gaat hier om landschapsbeheer. Er is ook een winkeltje en er zijn schapige activiteiten te doen, groepsblèhèhèhère en zohóhóhó.’  Was maar beter als opa zijn mond hield bedacht Louis zich.

Bij een kruising in het bos ging opa links, een stukje onverharde weg. Echt in het bos, bij een zwarte bank draaide opa en stopte. Na even aan de stilte gewend te zijn begon opa: ‘Hier onder heb je het Onderstebosch. Daaronder heb je het…’ Opa hield even in, Louis wist daar geen antwoord op te geven waarna opa verder ging: ‘Daaronder, zuidelijk, heb je het Bovenstebosch. Het Onderstebosch is laag, het Bovenstebosch hoog. Aan de andere kant van de weg heb je ook een bos. Dat zijn aan elkaar geschakelde delen van hele oude bossen. Heimans schreef over dit bos dat dit het mooiste bos was van het land, en die heeft toch heel wat bos gezien in Nederland zou je zeggen.’ Geen reactie van zijn medekompaan. Ze reden weer terug naar de weg en gingen links naar Slenaken. In het buurtschap Heijenrath volgde ze de weg naar links. Even verder draaide de weg naar rechts, met een ruime boog om een groot hotel links, de weg naar beneden toe. Een stuk verder kwamen ze langs een huis met een bordje Loorberg. Weer draaide de weg, eerst naar rechts en links en toen verschenen er terrasjes. Opa reed toch nog een stukje verder.

 

Slenaken

Aan het einde van de weg niet links naar de kerk maar rechts. Na enkele huizen rechts was er een parkeerplaatsje. Aan het uiteinde van die parkeerplaats was een groene heuvel te zien. Nadat de scooter stil was komen te staan, de heren de omgeving in zich hadden opgenomen, de terrasjes aan de overkant van de weg hadden gezien, kon opa beginnen: ‘Ongeveer honderd jaar geleden was er in Slenaken een tijd een grote konijnenplaag. Die plaag was toen zo groot dat een derde van alle uitgaven van de gemeente bestemd waren om de konijnen te bestrijden. Dan kun je je voorstellen dat het met Kerst geen feest was als er konijn op het menu stond, dat aten ze bijna elke dag al.’

Louis begon honger te krijgen, hij keek met een schuin oog naar de bakkerij op de hoek van het parkeerplaatsje, maar hij bleef aandachtig luisteren naar opa: ‘Hier op de hoek heb je het oude gemeentehuis. Tot 1982 was dit een van de kleinste gemeentes van het land maar is toen bij Wittem gekomen dat later weer Gulpen-Wittem werd. Historisch was het mooi dat het bij Wittem kwam, Slenaken was ooit van die Wittemse Plettenberg geweest. Aan de zijkant van de het oude gemeentehuis staan op een plaquette nog de namen van de laatste bestuurders gebeiteld. En die bestuurders, meer hun voorgangers waren ook betrokken bij de kruisbeeldaffaire. Begin vorige eeuw waren alle inwoners katholiek. Nu heb je katholieke scholen en die vielen vroeger onder het gezag van het kerkbestuur en je hebt openbare scholen die onder het gezag van het gemeentebestuur vielen. Nu was er in Slenaken een openbare school die dus ook door de gemeente gefinancierd werd. Vanuit de landelijke overheid waren er ook controles en die controleur had gezien dat er een katholiek kruisbeeldje aan de muur hing van de openbare school. In overleg met de onderwijzer, de scholen bestonden toen nog vaak maar uit één onderwijzer, werd dat verwijderd. Daar kreeg het gemeentebestuur lucht van en die geboden dat het terug kwam te hangen. Dat kon de inspecteur natuurlijk niet laten gebeuren en zo werd er tot zelfs in de landelijke politiek over gesproken. Het zegt maar hoe zeer het katholieke geloof er toen ingebakken zat. En als je het nu hebt over de Limburger heb je het eigenlijk over het een uitvloeisel van dat katholieke geloof.’ Even was het stil waarop Louis vroeg: ‘Ook dat bier?’ Opa knikte bevestigend.’

Ze keken om zich heen waarna opa verder ging: ‘We blijven even ruim honderd jaar terug in de tijd van de konijnenplaag en de kruisbeeldaffaire. Een tijd waarin geklaagd werd over de erbarmelijke slechte wegen om überhaupt in Slenaken te komen. Verharde wegen waren er toen niet. Maar heel langzaam werd het beter. Er kwam zelfs een fanfare, Berg en dal genaamd. Eén initiatief van burgemeester Melsen zodat ze voor de processie en andere gelegenheden een eigen muziekkorps hadden en niet afhankelijk waren van de fanfare uit het buurdorp. De burgemeester was in de beginperiode ook de dirigent en probeerde de leden enige muzikale kennis bij te brengen. Je ziet de fanfarezaal vanuit hier liggen, fanfare Berg en Dal bestaat nog steeds. Aan de overkant Hotel-restaurant Berg en dal. Een populaire naam met het opkomende toerisme in deze streek. Het hotel heeft twee bekende vaste gasten, de gebroeders Hans en Wim Anker. Twee landelijk bekende advocaten uit het Friese Akkrum. Als kind kwamen ze hier met hun ouders en daarna kwamen de ouders met de broers mee. Ze maken echt deel uit van Slenaker gemeenschap en helpen het dorp levendig te houden met de organisatie van de kermis bijvoorbeeld en lopen mee in de fanfare. Activiteiten organiseren doen de gebroeders ook in Akkrum. En wat ze ook doen is uitwisselingen organiseren tussen de twee dorpen, van de fanfares bijvoorbeeld of laten de Mestreechter Staar naar Akkrum komen. Een amusant duo. Toen ze hier voor het vijftigste jaar kwamen hebben ze dit pleintje naar hen genoemd, Ankerplaats.’ De ietwat ingedutte Louis keek weer fris.

 

Reijmerstok

Zonder een bezoekje aan de bakker of terras ging het tweetal de weg vervolgen. Een rechte weg met bomen langs de kant tussen de weilanden door. Het gebied rechts bevond zich iets lager. Halverwege was rechts een groot molencomplex te zien. Bij enkele huizen een weg naar rechts, rechtdoor berg op en tussen de splitsing een elektriciteitshuisje. Hier stopte opa. Louis was benieuwd wat opa te vertellen had over het elektriciteitshuisje en nam een luisterende houding aan waarna opa van start kon gaan: ‘Over deze plek heb ik eigenlijk niks te vertellen. Maar als je nu links de weg naar boven neemt, kom je bij het oude klooster Hoogcruts. Ga je daar rechts op, kom je vanzelf in Reijmerstok. Daar wilde ik nog met je naar toe maar het wordt te laat en de weg rechts door het Gulpdal is eigenlijk veel mooier.’

Er bleef door Louis geluisterd worden, opa ging door: ‘Zoals vaak dorpen zijn ontstaan doordat er een hoeve was, zo is ook Reijmerstok ontstaan. Als je vanuit Hoogcruts Reijmerstok inrijdt, is de eerste boerderij links de Puthof waarbij de rest van het dorp is ontstaan. Op het pleintje ervoor stond vroeger een dorpsput. Reijmer was in de middeleeuwen toen Reijmerstok ontstond al een voornaam, stok is een vaste verblijfplaats en zo kwam ook de naam Reijmerstok aan zijn naam. En als je bij de Puthof links de weg vervolgt kom je bij een parkeerplek en daar ligt, onder een bronzen monument een steen. Die steen is hebben ze ooit gevonden, hadden deze in Gulpen willen neerleggen maar de Jonkheid, de club ongetrouwde mannen van het dorp, wist dat te verhinderen en nu ligt deze in het dorp. De steen is één a twee miljoen jaar oud en is heel langzaam vanuit de Ardennen of Vogezen, deze kant op geschoven.‘ Louis: ‘Dan hoop ik maar dat ze de steen goed vast gelegd hebben zodat deze straks niet is verdwenen.’ Zo’n grote steen zal niet zo snel van zijn plek komen.

Opa wees even naar de rechterweg en ging verder: ‘Deze weg door het Gulpdal gaan we nu in. Dit dal is ook uitgesleten door het riviertje de Gulp. Deze is dieper uitgesleten dan het Geuldal maar dat is weer veel breder is uitgesleten. Aan de zijkanten ook weer bijzondere planten. We komen straks door Beutenaken, Waterval en Euverem. Euverem herken je aan de huisjes van het vakantiepark. In Euverem was ook ooit de tramlijn van Maastricht naar Aken. Op een hoogte van zeventien meter boven de grond rolde de tram over een ruim zeshonderd meter lange ijzeren constructie op staanders. Als je in de tram zat had je zowel links als rechts een afgrond en zweefde je als het ware door het land. Daarna zijn dergelijke railbanen alleen nog in attractieparken aangelegd. We gaan nu echt een stukje doorrijden.’

Ze gingen weer zitten, de scooter veerde als een vreugdesprongetje. Langzaam maakte ze snelheid. Langs de kant van de weg waren veel weilanden te zien en de hellingen van het dal. Hier en daar was een oud huisje te zien, soms zelfs vakwerk. Waar de huizen dichter bij elkaar stonden was een plaatsnaambord te zien. Ze kwamen door Beutenaken, Waterop, Billinghuizen en Euverem met links het vakantiepark. Een weg zoals je Zuid-Limburg in gedachte hebt van de vakantiefolders. De weg ging stijgen en het was te zien dat er een einde aan deze weg kwam. De laatste bochten en daar was een drukke rijksweg weer te zien. Maar net voor ze bij de weg kwamen dook opa naar links waar een klein opritje was naar een kleine picknickplek. Daar stopte ze.

 

Kasteel Neubourg

‘Wow wat een mooi kasteel daar in het dal’ riep Louis toen hij om zich heen keek. Opa voorzag Louis weer van toelichting van wat hij zag: ‘Dat is kasteel Neubourg. Neu komt uit het Duits als nieuw en bourg uit het Frans als burcht. Nieuwe burght dus en dat wil zeggen dat er ook een oude burght is geweest. De eerste burght is geweest op die motte, langs de weg van Gulpen naar Wijlré.’ In het korte stiltemoment van opa vroeg Louis tussendoor: ‘Bij Cartils?’ Opa knikte en ging verder: ‘En daarna is er naast het huidige kasteel ook een burght geweest, Nuwenberghe werd dat genoemd. Het kasteel dat je nu ziet zijn ze ergens in de dertiende eeuw gaan bouwen maar natuurlijk is daarna nog volop aangebouwd en onderhoud gepleegd. In de zeventien eeuw kreeg het zijn huidige vorm. Vroeger waren de bewoners van een kasteel doorgaans bezig met hun vermogen te beheren en nog verder uit te breiden. Dat ging vaak door van generatie op generatie. In Neubourg hebben een aantal families gewoond. Clermont, onze bekende lakenwever uit Vaals, van Wittem, en jawel weer die Plettenberg en de Marchant et d’Asembourg. Je begrijpt dat je met zo’n naam niet in een flodder joggingpak op Mickeymouse pantoffels het krantje uit de brievenbus gaat halen. Ze hadden soms tientallen personeelsleden in dienst en ze nodigde geregeld bezoekers uit van adel om over hun bezittingen te praten. En dan mochten ze ook blijven slapen. De laatste barones die er woonde, in een relatief klein deel van het kasteel, was katholiek en liet wekelijks een Heilige Mis in haar eigen kapel houden en had daarnaast ook nog een eigen kerkbank in de kerk van Gulpen waar niemand anders mocht plaatsnemen. Poepsjiek natuurlijk. Voor ze stierf had ze het kasteel verkocht op voorwaarde dat ze er mocht blijven wonen.’

Louis bleef aandachtig luisteren, opa ging verder: ‘Tijdens de oorlog was een deel van het kasteel een internaat van de Broeders uit Katwijk aan Zee. Op Gymnasiumniveau werd er lesgegeven. Daarna gebruikte de Amerikanen het als hoofdkwartier en werd het enkele jaren daarna een hotel-restaurant. Maar aan goede tijden kan wel eens een einde komen. De man die het kasteel had gekocht er iets moois van wilde maken stierf door een ongeluk en zo erfde zijn zoon het kasteel. Ook hij had er mooie plannen mee maar dat lukte niet helemaal. Voor dat het helemaal gaat vervallen zullen er nog wel miljoenen aan uitgegeven worden. En weet je wat nu echt leuk is aan dit kasteel?’ Louis knikte van nee want hij wist dat wat opa bedoelde toch nooit zou raden. Opa: ‘Bij de Gulpen bierbrouwerij hebben ze een pils bedacht met de naam “Château Neubourg pilsner” en dat zit in hele mooie blauwe flesjes.’ Nu had Louis weer even genoeg gehoord.

De scooter werd weer gestart en reed tot de Rijksweg. Bij de Rijksweg gingen ze rechts naar beneden waar het dorp Gulpen aan hun voeten lag. Direct onder aan de weg gingen ze naar rechts. In de binnenbocht een mooie grote vijver met mooie fonteinen. Best wel groots voor zo’n dorp, je zou het eerder in een park in de stad verwachten. Na een brugje weer rechts een smal straatje in. Opa, stak zijn vinger uit naar links naar een jaren dertig gebouw en riep: ‘Hier was ooit de Landbouwschool van Gulpen’ en wisselde zijn handen aan het stuur en wees rechts naar een watermolen en riep daarbij: ‘De Neubourgermolen met het grootste waterrad van Nederland.’

 

Gulperberg

Aan het einde van de weg zagen ze voor zich een grote glazen piramide. Daar hoefde opa niet naar te wijzen, Louis begreep precies waarover opa het had toen hij riep: ‘Gebouwd als Primosa voor negen en een half miljoen gulden. Een groot bezoekerscentrum waar de gasten van alles te weten kwamen over Zuid-Limburg vanaf de Krijtzee vijfenzestig miljoen jaar geleden tot het bourgondische leven anno nu en alles ertussenin. Het was een prachtig gebeuren maar veel te weinig bezoekers en was snel weer dicht.’

Ze waren rechts opgegaan, langs het zwembad en reden daarna op een Limburgse weg. Kronkelend, hier en daar een holle weg en vooral stijgend. De scooter was duidelijk niet gemaakt voor een helling met twee personen. Boven aan de weg naar links en waren er mooie vergezichten. Rechts was even verder een camping met links een parkeerplaats en rechts een zijweggetje. De weg volgend ging de smalle weg gewoon verder. Ook weer met een prachtig uitzicht op Gulpen dat in het Gulpdal lag. Bij een bocht was weer een horecagelegenheid en daar stopte opa, bij een groot houten kruisbeeld.

Opa kwam weer in de vertelstand: ‘In 1834 kwamen twee Redemptoristen, een kloosterorde, met de pastoor van Gulpen in contact en besloten een volksmissie te houden, enkele dagen intensief prediken en biechtafname. Het was een succes, elke dag duizenden en duizenden bezoekers uit de verre omtrek. Om meer ruimte te hebben weken ze uit naar Wittem en daar moest zelfs buiten de kapel een podium opgebouwd worden omdat er zoveel bezoekers op af kwamen. Ter herinnering werd de laatste dag een kruis tegenover de kapel geplaatst maar de inwoners van Gulpen wilde ter herinnering aan deze volksmissie ook een zogenaamd missiekruis op deze plek hebben. Onder belangstelling van vele duizenden is toen dit missiekruis geplaatst. Naar aanleiding van die volksmissie besloten de Redemptoristen zich blijvend te vestigen in Wittem, in het klooster waar we net waren. En je weet wat dit voor deze regio betekend heeft.’ Louis probeerde zich voor te stellen wat hij er nu mee bedoelde, hij wist het wel maar wilde het weer bevestigd hebben en vroeg: ‘Het Gerardusbier?’ Opa knikte bevestigend. Hij ging verder: ‘Honderd jaar later, in 1934, had het missiekruis een opknapbeurt gehad en de terugplaatsing werd groots gevierd. Wel tienduizend mensen waren er toen op afgekomen. Maar er kwamen altijd wel veel bezoekers naar dit missiekruis. Een paar jaar geleden is het weer opgeknapt maar ondertussen was het niet meer bekend wie nu de eigenaar is van het missiekruis. ‘

Ze keken naar het gezicht van Jezus dat bovenaan het vier meter hoge kruisbeeld stilletjes hing.  Opa was niet stil: ‘En Jezus zag meer in die honderd jaar langskomen. In 1969 was op deze plek veel te zien. De camping waar we net langskwamen was net een jaar ervoor geopend en kon wel wat naamsbekendheid gebruiken. De uitbater bedacht om een talentenjacht te organiseren maar daar had de gevraagde organisator, een journalist, niet zo veel zin in. Die hield liever een popfestival. Het was de tijd van Woodstock waar het ging om liefde en vrijheid en alles mogelijk was. Op pinkstermaandag van dat jaar kwamen de toen bekende groep Brainbox en Armand plus een aantal Limburgse bands voor een kleine onkostenvergoeding naar de camping toe. Op een door een plaatselijke aannemer met steigerbuizen gemaakt podium werd muziek gemaakt en werd het relaxte publiek vermaakt. Het was gratis toegankelijk, uit liefde en vrijheid. En ze zouden gratis appels krijgen en een stuk van het varken aan het spit. Ze hoopte op duizend bezoekers, misschien tweeduizend. Het werden bijna tienduizend bezoekers die picknickmanden mee namen. Pinkster-picknick, Pinknick genoemd. Het werd een succes. Er gebeurde tenminste wat in een brave tijd. Het was de voorloper van Pinkpop, Jan Smeets was hier toen ook al bij betrokken. Het vervolg was niet meer op deze plek maar in Geleen.’ Louis luisterde naar de stilte, maar die werd verbroken omdat opa verder reed, een smal pad links in de bocht richting een beeld op een dertien meter hoge sokkel.

Zeker als je ervoor stond was het een behoorlijke sokkel met daarboven een wit beeld. Er waren ook grote schijnwerpers op gericht die ervoor zorgde dat in het donker tot kilometers ver in de omtrek het beeld was te zien. Opa begon weer: ‘In de eerste helft van de vorige eeuw was Maria nogal populair te noemen. Er was toen ook een bisschop, Lemmens heette hij, die wel een fan te noemen was van Maria. Hij wilde een groot beeld van haar ergens plaatsen. Er kwamen al veel bezoekers naar het kruisbeeld waar we net stonden en op deze plek zou Maria mooi kunnen uitkijken over het heuvelland. En het heuvelland kon naar haar kijken. De dorpen hier in de buurt zamelde geld en zo kon er op tweeëntwintig maart 1935 begonnen worden om dit beeld hier te plaatsen. Het moest klaar zijn voor Hemelvaartsdag dertig mei 1935 want toen werd het onthuld. Met een grote processie bestaande uit groepen uit alle dorpen uit de omgeving werd het hier drukker en drukker. Er waren maar liefst dertigduizend mensen bij de onthulling. Na de onthulling bleven vele mensen op bedevaart komen naar deze plek. Er kwam zelfs een klein attractiepark, Eurofauna, met apen in een kooi en vogels in een volière en speeltuin.’

Toen opa uitverteld was keek Louis naar het dal waar Gulpen in lag en het vele groen en heuvels eromheen. In de verte herkende hij de antennemast van Eys waar ze eerder naast stonden. Achter het Mariabeeld was een recreatieweide met enkele bankjes en tafels. Ze gingen weer rijden, langs de weide richting een bosje dat een parkeerplaats bleek te zijn. Daar reden ze overheen en kwamen op de normale weg uit. Daar gingen ze links en hielden links aan. ‘Wat is dat voor iets grappigs?’ vroeg Louis en wees naar een rechtopstaande uitgezaagde metalen plaat op een steen te midden van een grasperkje, precies op de splitsing. Bovenop was een wielrenner te zien, een grote microfoon en rechts een silhouet met een kuif, wijnglas en sigaar. Opa kon weer iets vertellen en kneep in de rem bij het grasperkje waar ze snel tot stilstand kwamen.

Nadat ze weer rechtop op de scooter zaten begon opa te vertellen: ‘Dat is een herdenkingsmonument van de in 2010 gestorven Jean Nelissen, Neel zoals Mart Smeets hem noemde. Jean Nelissen was een van de bekendste radio- en televisie wielrencommentatoren van het land en wist een schat aan wielrengegevens uit zijn hoofd te toveren. Het was een Zuid-Limburger die de genoegens van het leven kende, vandaar die sigaar met glas wijn. Langs deze plek, de berg waar we zo meteen naar beneden gaan, kwam en komt vaak de wielerwedstrijd Amstelcoldrace langs maar ook andere wielerwedstrijden. Als dat op televisie wordt uitgezonden is dit een van de prachtige plekken die het Zuid-Limburgse land in beeld brengen. Dat zorgt er ook voor dat er veel wielrenners uit het land hier een weekendje komen wielrennen. En dat zorgt weer voor aanwas van toeristen.’

Even gaf opa gas maar wilde nog iets zeggen en stopte weer: ‘De weg tussen Gulpen en hierboven was een smal stijl pad. Toen hier dat grote Mariabeeld kwam te staan is ook besloten om een nieuwe brede weg aan te leggen, deze dus, zodat men er inderdaad ook fatsoenlijk boven kon komen. In die tijd was er de werkverschaffing. Bij de werkverschaffing moesten werkelozen min of meer verplicht door de overheid met pikhouweel, schop en kruiwagen aan de slag. Zo is deze weg aangelegd.’ Louis was weer helemaal stil geworden. Ze gingen weer rijden, naar beneden. Genieten van het mooie uitzicht. Beneden aangekomen waren de remmen voldoende getest en goed bevonden. Onder reden ze naar rechts en kwamen bij het busstation uit.

 

Gulpen

Aan de zijkant van de bushalte stopte opa. Het was er een drukte met die bussen en mensen die er rondliepen. Daar begon opa weer: ‘In 1825 werd op deze plek de weg tussen Maastricht en Vaals aangelegd. Dat zorgde dat er een veel betere verbinding kwam met de dorpen in de buurt en steden verder weg. Dat trok ook mensen en handel aan. Langs de weg kwamen huizen te staan. Gulpen werd nog meer een centrale plek in Zuid-Limburg, een knooppunt. De aanleg van de tram begin vorige eeuw zorgde ook voor meer bedrijvigheid. Hier kwam toen een station. Daarna kwamen de bussen bij die naar de dorpen in de omtrek reden. De tram verdween, de bussen rijden vandaag de dag nog steeds. Naar Vaals, Heerlen, Geleen en Maastricht.’ Louis keek naar de bussen en winkels en de drukke Rijksweg.

Het tweetal kwam weer in beweging. Opa reed naar de Rijksweg, ging rechts op en daarna snel links een straatje in dat iets naar beneden liep. Na ruim honderd meter stopte opa voorbij een brug. Links was een brede straat waar links ervan een riviertje in een met natuurstenen gemetselde bedding stroomde. ‘Is dit de Gulp’ vroeg Louis waarop opa kon antwoorden: ‘Dit is de Gulp in Gulpen. En hier links is de Looiersstraat waar vroeger looiers actief waren. Dierenhuiden kregen in grote tonnen eerst een behandeling dat ze onthaard werden en daarna in een andere ton een behandeling om het verrottingsproces van de huiden te stoppen. Daar was veel water voor nodig en dat kwam uit de Gulp en de Gulp werd ook gebruikt om de afvalstoffen kwijt te komen. Vier bedrijfjes waren hier actief.’ Een stukje verder waren brede trappen gemaakt waardoor je dicht bij de stromende rivier kon zitten. Aan beide kanten stonden vrij nieuwe woningen en verder allerlei winkels.

Ze gingen weer verder, de berg op en daar had de scooter weer het meeste last van. Links een groot appartementencomplex, rechts vrij staande huizen. Waar de weg naar rechts afboog was rechtdoor een soort woonerf waar je met de auto niet door kon maar met de scooter wel. Bij het oprijden van de stoep zei opa: ‘Deze boom links in het perkje is geplant toen de toenmalige Koningen Beatrix vijftig werd. En dan zie je toch dat meningen kunnen veranderen. Toen dit gebied bij Nederland kwam en Nederlanders, Hollanders genoemd, hiernaartoe kwamen om de dienst uit te maken, Nederlanders protestant waren terwijl hier de bevolking katholiek was, botste dat wel eens. Dat speelde in de zeventiende eeuw dus eigenlijk ook beetje flauw nu nog Beatrix hierin te betrekken. Protestanten zijn wel altijd gebleven en hebben hier in Gulpen ook een eigen kerkje gehad. Het is dus allemaal goed gekomen, Beatrix kreeg haar boom in het dorp. Van oudsher wonen hier ook Joden en ook zij hebben een eigen kerkje gehad. Zo had je in een straal van tweehonderd meter drie kerken van een ander geloof. De toeristen, veelal uit Nederland, zijn ook vaak protestants en in de vakantieperiode willen ook zij graag naar de kerk. De kerk was dan te klein. Daar is toen de toeristenkerk voor gekomen, tegenover de katholieke kerk. Als er minder bezoekers waren kon die kerk kleiner gemaakt worden. Inmiddels is het gebouw verbouwd tot gemeenschapshuis waar de toeristenkerk nu een onderdeel van is geworden.’

In het straatje waren links oudere huisjes te zien, rechts een muur met in het midden er van een brede trap. Daar stopte opa en beiden stapten weer af. De trappen werden opgelopen en kwamen op een kerkhof terecht. Links een toren die, zo te zien, van oudere datum was. Hier kwam weer het vingertje van opa tevoorschijn dat naar boven wees en ook weer snel verdween waarna hij begon te spreken: ‘Dit is de oude toren van de Petrus en Hubertuskerk en pastorie. In 1924 werd de kerk afgebroken omdat deze te klein werd.’ Ondertussen wees het vingertje weer even naar een kerktoren tweehonderdvijftig meter verder, nu leek opa wel een echte gids, waarna het verhaal doorging: ‘Die toren die ik aanwees is van de nieuwe kerk, de Petruskerk. Hubertus wilde niet mee naar het dal verhuizen en zocht elders zijn heil. De oude toren werd al in 1262 gebouwd waarna er nog diverse verbouwingen hebben plaatsgevonden. In 1602 kwam er als een van de eerste plaatsen in Zuid-Limburg een heus uurwerk op de kerk. Die tijd tikte lekker verder totdat in 1631 de bliksem in de toren sloeg en de luidklok met luidkeels naar beneden kwam. Dat werd weer hersteld. Rond 1895 was het uurwerk duizelig geworden en stopte ermee en werd na eeuwen trouwe dienst afgevoerd als oud ijzer.’ Met al die precieze jaartallen ergens in de afgelopen honderden jaren was opa een echte gids geworden. En gidsen vertellen graag: ‘Op sommige plekken is de muur één meterzeventig dik en dat duidt erop dat de toren ook als schuilruimte gebruik is geworden. Mogelijk is het ook een lichttoren geweest waar vuur op werd gestookt waarmee signalen kon worden gegeven op grote afstanden.’ Langzaamaan begonnen al die verhalen wat saai te worden.

Terug op de scooter reden ze verder het straatje door tot de grote weg. Daar werd weer gestopt. Voor hen was een kunstwerk te zien, vier grote betonnen zuilen in omgedraaide U-vorm naast elkaar met in het midden een betonnen paal met Israëlische tekens. Opa begon vanzelf weer: ‘Een kunstwerk gemaakt door de Maastrichtenaar Appie Drielsma, een Jood van huis uit. Geboren net voor de oorlog. In de oorlog moest het gezin maandenlang onderduiken om niet afgevoerd te worden naar de kampen. Ze waren ondergedoken tegenover hun eigen huis. De twee jongste kinderen, waarvan Appie er één was, vormde een gevaar voor het gezin en moesten elders in Limburg ondergebracht worden. Door bemiddeling van kapelaan Penders, waar hier in Gulpen een straat naar genoemd is, kon hij hier in Gulpen bij een gezin terecht voor de laatste periode van de oorlog. Bij het bevrijdingsfeest werd Appie herkent en zo kon hij weer herenigd worden met zijn ouders en broers en zussen. Het hele gezin was de oorlog doorgekomen. Van de vijfhonderd Joden in Maastricht hebben het er maar honderd overleefd. De anderen zijn in Auschwitz, Sobibor en Mauthousen omgebracht. Ook vele familieleden zijn erachter gebleven. In Gulpen zijn alle zesendertig Joden omgekomen. Het was dan ook een bijzondere opdracht dat Appie in Mauthousen een herdenkingsmonument mocht maken. In die geest is ook dit monument er gekomen. Dat de levensloop van iemand ruw onderbroken werd door de oorlog. Achter dit monument staat een bord met de namen van de Joden uit Gulpen die omgekomen zijn.’

Beetje sprakeloos reed het tweetal verder, links de berg af. Halverwege wees opa naar rechts en daar stond “Gemeentehuis” op de rode gevel ingemetseld. Toen ze voor zich naar beneden keken was er een gezellig knus plein te zien met terrasjes en een riviertje in een bedding. Niets was er recht. Precies in het midden boven het riviertje een monument met twee bogen en daarnaast een grote boom. Rechts ervan ging de weg alweer iets naar boven. Opa begon te remmen. Niet alleen omdat hij de berg afging maar ook om te stoppen om de scooter te parkeren. Zoveel terrasjesconcentratie kon opa niet weerstaan, dat wist Louis wel. Ondertussen hadden ze ook lang genoeg gezeten en hadden ze genoeg gezien.

Aan de kant van de weg werd de scooter neergezet en netjes afgesloten. Louis dacht wel dat opa wilde gaan zitten bij “Imperator”. Een biersoort van Brandbier dat hij opa wel eens zag drinken. Maar opa stelde voor om er tegenover te gaan. Louis maakte het niets uit. Ze staken de weg over en liepen achter het monument met de twee boogjes als de letter M om en ging daar zitten op het terras, Grand café Neubourg. Al hadden ze de hele tijd al op het zadel van de scooter zitten draaien, dat deden ze ook toen ze op de stoelen gingen zitten met fijnere kussens. Ja, dat zitten wel goed dachten beiden. Ze zaten eigenlijk aan een soort steegje. Ze hadden zicht op het monument met de boogjes boven de Gulp, rechts allemaal terrasjes, aan de overkant van de weg ook terrasjes. Achter hen was de grote Rijksweg. Daar kwam de serveerster aan en vroeg op een bijna zangerige toon met een Duitse tongval maar dan luchtiger wat ze wilde drinken. Voor Louis een cola en opa een Chateau Neubourg. Heel vragend vroeg Louis aan opa of er ook iets lekkers bij kon, hij had een beetje trek. Opa keek snel op de kaart en bestelde er op gearticuleerde toon: ‘bittergarnituur met mosterd en mayonaise’ bij. Even later kwam ze terug met de drank en even later serveerde ze de bitterballen.  Een apart maar vriendelijk dialect werd er gesproken dat de vakantiestemming alleen maar deed toenemen. Het leven is hier goed.

Nadat ze allebei twee nipjes aan hun glas hadden gedronken kwam de vraag van Louis: ‘Waar staan nu die twee boogjes voor?’ Opa nam nipje nummer drie aan zijn glas, zette het neer en begon: ‘Rond het jaar 600 ontstond die burght die nu nog als bult in het landschap te herkennen is. Dat was bij een kruising van wegen en waterwegen. Veel later ontstond bij de plek van het samengaan van de Gulp in de Geul een nederzetting. Een stukje stroomopwaarts van de Gulp heb je nu Gulpen. Toen ze een deel van de Gulp hier overkluisd hadden, dat de Gulp ondergronds verder stroomt zodat ze de ruimte boven de Gulp ook kunnen gebruiken, is ter afronding van het project dit kunstwerk geplaatst. En nu een antwoord op je vraag, het is het samengaan van de Gulp in de Geul.’ Even was het stil, werd de derde nip van de cola genomen, en merkte Louis op: ‘Dan zou het niet Gulpen met een N moeten zijn maar Gulpem met twee boogjes als de letter M.’  Opa schudde van nee en zei erbij: ‘Nee, nee, Gulpen als meervoud van de Gulp. De Gulp die in de Geul, uitkomt. Gulp-Gulp en Gulp-Geul, meervoud dus.’ Hier ging Louis maar niks meer over zeggen of vragen.

Over het plaatsje Gulpen wilde Louis wel meer weten en wist ondertussen dat eigenlijk nooit bekend is wanneer de eerste huizen in een eeuwenoud plaatsje zijn ontstaan maar dat gekeken wordt wanneer ergens in een officieel stuk het voor het eerst benoemd werd en vroeg: ‘Maar wanneer werd Gulpen dan voor het eerst benoemd?’ Opa: ‘Gulpen in de huidige schrijfstijl, tja, dat weet ik niet maar in een oorkonde uit 1226 die er nog bestaat is hebben ze het over Galopia. En in die oorkonde wordt verwezen naar een handvest en die moet zijn ergens uit het begin van de elfde eeuw.'

Opa keuvelde verder: ‘Sinds 1544 is hier, met enkele uitzonderingen, jaarlijks de Hubertusmarkt. Nog steeds erg populair, wordt bezocht door vijfendertigduizend bezoekers uit de regio. Dan heb je ook nog de wekelijkse markt die nog uitgeroepen is tot de beste weekmarkt van het land. Zo is hier altijd wel iets te doen geweest. In de horecazaak hiernaast, De Kroon werd honderd jaar geleden een zaal gebouwd waar allerlei feesten werden gehouden, waar werd gedanst, het carnaval werd gevierd, de duivenvereniging zetelde, de turnclub, koren en er zelfs een bioscoop was. Om de films te projecteren had je toen nog een brandvrije ruimte voor nodig omdat de films erg brandbaar waren. Aan de overkant van het steegje achter ons stonden vroeger huizen, een deel de Gats en een deel Löfke genaamd. Die zijn afgebroken en is er een ruim plein ontstaan.’

Opa bleef doorgaan: ‘Aan het einde van de oude Gats komt uit de Gulpenerberg soms water die via een beeld van een vroedmeesterpad water spuwt op vissen. Dat water komt via een mooi bovengronds stroompje terecht in de Gulp. Halverwege staat een groot beeld gemaakt van steen speciaal voor deze plek terplekke in China uitgehakt en laten overkomen. Daarin een kunstwerkje van de evolutie, van miljoenen jaren die hier plaatsvond van zee naar krijt, die overgaat van vissen in, in vissen met vleugels naar vogels. Dan had je vroeger aan de overkant waar nu Zeeman is, dat vroeger echt aan de rand van het dorp het Gasthuis’.

Toen opa dit zei onderbrak Louis opa en vroeg: ‘Kunt u ook iets vertellen over dat plein dat we voor ons zien?’  Opa die alleen maar wilde vertellen ging verder om Louis zijn vraag te beantwoorden: ‘Goed, hier voor ons is de Markt. Hier is de start en eindplek van de zogenaamde Nacht van Gulpen. Dat is een wandeltocht met enkele honderden deelnemers van zeventig kilometer waar ze laat in de avond aan beginnen, de hele nacht doorlopen en in de ochtend hier weer aankomen. Dan staat het hier vol met wandelaars, mensen die aanmoedigen en familieleden die hun wandelend familielid komen ophalen. Vaak met bloemen in de hand. Op dit plein ook elk jaar de provinciale afsluiting van het carnaval. Op carnavalsdinsdagavond komen artiesten uit heel Limburg hiernaartoe, die een uitzondering maken omdat de meeste niet tijdens het carnaval willen werken cq zingen. Dat wordt dan ook op de televisie in Limburg uitgezonden. Dan staat het hier vol met verklede mensen. Tussen al die zwijmelende mensen staat ook een bronzen standbeeldje van de Limburger. Drie gezichten die allen een andere kant uitkijken die de drie karaktereigenschappen van de Limburger laten zien. De vrolijke gezellige bierdrinkende Bourgondiër, maar ook de relativerende vrome en een beetje de arrogante. Jaarlijks wordt een kleine kopie hiervan uitgereikt aan de Limburger van het jaar. En dan heb je nog de Gulpenerbierfeesten. Ontstaan als finishplek van de Wielerronde van Nederland, de fietsers vertrokken naar Valkenburg maar het feest bleef hier. Dan staan er ook allerlei artiesten uit de provincie op het podium dat dan midden op weg is opgebouwd. Dan staat het hier vol met mensen met een glas Gulpenerbier in hun handen.

‘En dat Gulpenerbier wordt hier in Gulpen dus gebouwen?’ wilde Louis weten. Opa knikte stevig van ja en wees even naar links achter de huizen van de Markt, nam een slokje en vertelde verder: ‘Zekers, de in Amby geboren Laurens Smeets was een ondernemend mannetje. Zo had hij bijvoorbeeld in Valkenburg al een brouwerij. Toen de Rijksweg Maastricht – Vaals in 1825 werd aangelegd kwam Gulpen een stuk centraler te liggen en besloot Laurens ook hier een brouwerij te beginnen. Hij kocht grond en liet er de brouwerij op bouwen, langs de nieuwe weg. De nieuwe brouwerij kwam er zo een stuk centraler te liggen voor aanvoer van grondstoffen en distributie van het bier. Goed en voldoende water was een andere vereiste. Dat kwam uit het Gulpens kalk langs de heldere Gulp met zijn zuurstofrijk water was dat ook in orde. De brouwerij groeide, het klooster in Wittem was in de beginjaren de grootste klant. Er werden diverse soorten bier ontwikkelt, waaronder Chateau Neubourg en ook andere producten zijn er gemaakt en dan denk ik even aan azijn en mosterd. Ook had de brouwerij een soort dorpswinkeltje. Tegenwoordig proberen ze zoveel mogelijk grondstoffen uit de regio te halen. Zo zijn er ook dagen dat op de landerijen in de buurt de hop geplukt wordt en dit alles om het milieu zo weinig mogelijk te belasten. Er is ook een nieuwe brouwerij gekomen waarmee veel energie bespaard wordt. En al die tijd is het een familiebedrijf gebleven. Via de schoonzoon werd de naam Rutten aan de brouwerij verbonden en dat is, op een korte onderbreking na, na vele generaties nog steeds zo.

Even werd het stil. De blik van Louis dwaalde naar het glas Chateau Neubourg van opa. Opa zag de blik van Louis en volgde deze naar zijn glas bier dat halfvol voor hem stond. ‘En alles wat we vandaag gezien hebben zit in dit glas bier?’ vroeg Louis twijfelend. Opa knikte langzaam van ja en dan hebben we het nog niet gehad over de fanfares, schutterijen, jonkheden, processies en al die mensen die op hun manier iets bijdragen aan dit gebied.’ Louis droogjes: ‘Oké, na vandaag zie ik meer als ik door het Heuvelland ga, maar als ik naar het glas kijk zie ik toch alleen de afbeelding van Kasteel Neubourg op het glas uit deze streek.’ Louis nam nog een zwarte slok van de Amerikaanse cola, opa aan de Gulpense Chateau Neubourg

 

 

 

Bronnen:


BOEKEN

Wielder, Wylré, Wijlre, 1983; Wielder kerkdorp 1982-2016, 2016; Honderd jaar Brand, 1871-1971, 1971; Traditie en vernieuwing, 125 jaar Brand, 1996; Omgaan met kunst en natuur, Jo en Marlies Eyck in Wijlre, 2005; Kinderen van ons volk, -;  Een stoomtrein voor de miljoenenlijn, 1995; Monumentaal Wijlre, 2019; Kastelen in Zuid-Limburg, 2005; Kruis, weg en teken, 2006; Kroniek van Wijlré, 2022; De Bevrijding van Wijlre, 2019; 100 Jaar Wijlre in oude en nieuwe foto's, 2022; Historische Studies in het rond het Geuldal, 1995; 150 Jaar Aken-Maastricht, een spookgeschiedenis, 2003; Limburgse Tijdreis met bus en tram, 2010; Sporen van de tram Maastricht-Vaals, 1997; Op pad langs oude verhalen, 2017; SOK mededelingen 48, 2008; De geschiedenis van kasteel Cartils, 2018; Kasteel Wittem en zijn Heerlijkheid, 2011; Het Kastelenrijk Oostelijk Zuid Limburg, 1996; Wittem van rijk verleden naar levend heden, 1990; De monumenten van geschiedenis en kunst. Zuid-Limburg, Vaals, Wittem en Slenaken, 1983; Kloosters in Limburg, 2017; Kasteelhoeve De Heerenhof te Mechelen, 1986; Opmerkelijke gebouwen in Mechelen, 2010; Vakwerkgebouw in Limburg, 1989; Aad de Haas, De schilderingen en kruiswegstaties in de Cunibertuskerk te Wahlwiller, 1996; De molens van Limburg, 1991; Ieëpe en het toerisme, 2021; Oude bossen, houtwallen en heggen in het hoogste Zuid-Limburg, 2015; Krijt van Zuid-Limburg, 2000; Uit ons Krijtland, 1977; Strijd in Slenaken, 2019; Reijmerstok de geschiedenis en mensen, 2012; Kasteel Neubourg, 2012; Als de hengst glimlacht, 2006; De wereld van Pinkpop 50, 2019; Maria monument van Gulpen, 2010; Geschiedenis van Gulpen tot 1850, 2021; Beeldig wandelen in Gulpen-Wittem, 2015; Geschiedenis van Gulpen tot 1850, 2021; Het beeld belicht, Appie Drielsma, plastisch versus constructief, 1994; Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal, 1996; Monumenten in Nederland, Limburg, 2002

 

PERIODIEKEN

Limburger 23-04-2019; 5-11-2019; 16-06-2021;28-10-2020; 17-08-2018; Galopia 24, 25, 26, 28; Maasgouw 1895p23; Trouw 06-08-1992


INTERNET

Ryckheyt.nl; akademievankunsten.nl; liberationroute.com; eyser-plantage.nl;  Ikl-limburg.nl; openmonumentendag.nl; cellnex.nl; akademievankunsten.nl; liberationroute.com; museumw.nl; zoutmagazine.eu; eyser-plantage.nl; museumw.nl; zoutmagazine.eu; nederlandsebiercultuur.nl; nos.nl; nachtvangulpen.nl

 

              

 



klik hier voor routekaart

  Klik hier om terug te keren naar 'Opa vertelt'