|
binnenstad ( touristenroute )
Statenkwartier
Louis kwam terug van het toilet de kamer in waar opa zat en vroeg: ‘Opa, wat betekent: uit gouden korenaren, schiep God de
Maastrichtenaren, uit het restant, de overige van het land.’ Opa: ‘Aha, heb je
het tegeltje in het toilet gelezen. Ik heb van horen zeggen dat ze in
Maastricht erg chauvinistisch zijn. Maar ja, de Maastrichtenaren kunnen er
natuurlijk ook niets aan doen dat bij hen er alles mooier en beter is.’
Helemaal begreep Louis het niet, ‘wat is dan mooier en beter?’ wilde hij weten.
Opa: ‘Dat zal ik je laten zien, de binnenstad van Maastricht. Kun je dan zelf
beoordelen of dat zo is.’ Daar had Louis wel zin in. Niet veel later zaten ze
in de auto op weg naar de binnenstad. Ze parkeerde de auto op de parkeerplaats
aan de Cabergerweg. Van daar uit liepen ze samen de parkeerplaats af, staken
het zebrapad van de Cabergerweg over en stukje verder de Statensingel. Van
hieruit liepen ze de Capucijnenstraat in.
Na een stukje de straat ingelopen te zijn, kwamen ze een ouder gebouw tegen met
veel glaswerk. Zonder dat Louis een vraag stelde begon opa al te vertellen.
Opa: ‘dit is de voormalige brandweerkazerne, uit 1959. Gebouwd in de stijl
functionalisme. Alles aan dit gebouw staat ten diensten van het doel van het
gebouw. Bijzonder is dat waar vroeger de brandweerauto’s stonden geen pilaren
zijn. En de constructie om dit te bereiken zie je aan de buitenkant, heel
functioneel. Schoonheid is geen doel. Om het toch te verfraaien heeft op de kop
van de oude meldkamer bovenop een paal een beeld gestaan van vier
brandweerlieden die een vangzeil vasthielden om een vallend kind op te vangen.
Toen ze een nieuwe kazerne kregen wilde ze dat beeld meenemen maar daar moest
eerst een vergunning voor aangevraagd worden. Daar hadden de mannen van de
brandweer weinig zin in. Nu wil het toeval dat brandweerlieden beschikken over
gereedschap om enig breekwerk te verrichten, enige hoogte is daarbij geen
probleem. Niemand zal de politie bellen als de brandweer ergens bezig is. En zo
werd het beeldje verplaatst naar de nieuwe kazerne. Het afgekapte stompje is
nog te zien’ Ze keken naar de paal boven de voormalige meldkamer, daar waar de
ramen enigszins naar voren kwamen.'
Enkele tientallen meters verder sloegen ze links een steegje in, de
Apostelgang. Aan het einde naar rechts en kwamen op een pleintje, het
Misericodeplein, met een knus huisje aan de zijkant. ‘Wat is dat voor een
huisje vroeg Louis. Opa: ‘Eerste vertel ik je iets anders. In Maastricht zijn
er nu nog steeds kloosters maar er zijn er veel meer geweest, ongeveer zestig.
Vele kwamen vanuit Frankrijk om hier een klooster te stichten. Steeds weer met
een andere reden. Het grote gebouw dat je achter het huisje ziet is een
dergelijke kloostergebouw, van de Misericordezusters. Toevallig gesticht uit Luik dat toen nog tot
Nederlands gebied was. Deze zusters vingen in het begin de verwaarloosde
en zedelijk vervallen op. Links op de hoek werd een ander klooster gebouwd
waarvan de tuin tot hier reikte, dat was het Capucijnenklooster. Zij verzorgde
de geestelijke zorg van pestlijders, mensen met een hele enge besmettelijke
ziekte die vaak tot de dood leidde. Het is zelfs zo erg geweest dat alle
kloosterlingen op een moment gestorven waren aan de pest. En dat om de
pestlijders te helpen. Kijk daar hoor je nu niemand iets over zeggen. Van dit
huisje wordt gezegd dat hier de pestlijders in trokken om anderen niet te kunnen
besmetten. Ook wordt er verteld dat hier de bewaker van de begraafplaats
woonde. Op deze plek is namelijk ook de begraafplaats geweest voordat ver
buiten de stad een nieuwe begraafplaats kwam. De grond was hier te drassig, de
dode kwamen vanzelf bovendrijven. Om twaalf uur 's nachts begonnen ze dan bij
de bewaker op de deur te bonzen waar zijn vrouw dan weer niet ze gelukkig mee
was. Zij moest immers het kind troosten dat dan moest huilen, en wat zeg je dan
tegen zo'n kind?' Louis stapte een pasje naar achteren.
Ongestoord voegde opa er nog aan toe: 'Het was ook niet zo hygiënisch al die
graven tussen de bewoning. 'Het echte bewijs wie er woonde is er niet' voegde
opa er nog aan toe. Ze draaide zich om en liepen tussen de twee halve cirkels
het pleintje af. Ze kwamen aan bij een kruising. Opa wees rechts de straat in
en voegde daar aan toen: ‘Kijk, daar die muur aan het einde van de straat,
daarachter waren ooit de fabrieken van Petrus Regout waar duizenden mensen
werkte, mannen, vrouwen en kinderen.’ Daar had Louis wel eens van gehoord en
wist dat de omstandigheden toen zeker niet goed waren. Opa wees de andere kant
op, het gebouw rechts voor hen en vertelde daarbij: ‘en daar is het Volkshuis
geweest. Alleen hadden de arbeiders niets te vertellen, maar als ze zich
verenigde konden ze wel invloed uitoefenen. Maar dan moesten ze wel bij elkaar
komen. We zagen net de vele kloosters, het katholiek zijn bepaalde de manier
van leven. De duizenden arbeiders vonden dat ze, eenvoudig gesteld, gelijkheid,
betere omstandigheden moesten krijgen, alles delen. Het socialisme. De
socialisten, de mensen die strijde voor het socialisme, moesten daar voor bij
elkaar komen, om plannen te maken en meer arbeiders achter zich te krijgen.
Daar keek de kerk anders tegen aan. Die deelt liever uit, geven in plaats van
nemen. Het gevolg was dat de socialisten nergens een zaal konden huren, die
waren namelijk allemaal van de katholieken. Daarom werd in 1900 dit Volkshuis
gebouwd om bijeenkomsten te kunnen houden. Later werd dit huis uitgebreid met
een grotere zaal, een winkel waar socialisten met korting boodschappen konden
doen en een eigen bakkerij. Later heeft de kerk hier wel op ingespeeld.’
Boschstraat
Het ging toch allemaal boven de pet van Louis, Die keek of er nog iets interessants
te zien was maar dat viel op deze plek tegen. Ze staken het kruispunt over de
Uitbeldersstraat in tot de drukke Boschstraat. Eerste wat daar op viel was de
grote kerk. Opa: ‘Hier hebben we de Mathiaskerk. De Servaas en Onze Lieve
Vrouwe en de Martinus in Wijck bestond al. Het is een soort dochter van het
Servaaskapittel. De Servaas was voor de welgestelde en deze voor het volk.
Deels is dat nog steeds zo. Halverwege de veertiende eeuw werd de kerk gebouwd.
Een bepaalde tijd is het nog een protestantse kerk geweest maar nu alweer ruim
twee eeuwen een katholieke. In het deel achter de kerk bevonden zich eeuwen
lang de lakenwevers. Een ambacht dat zich concentreerde. Ze woonde bij elkaar
in de buurt. Lakens werden toen nog van wol gemaakt. Bij de opkomst van de
industrie werd het gebied bewoond door arme arbeiders en verloederde de buur.
Pas in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zijn alle huizen achter
de gevels plat gegooid en is er een nieuwe wijk ontstaan. Je woont daar midden
in de stad maar toch is het er muisstil. De kerk heeft zich prima overeind
weten te houden in deze arme buurt.’
Ondertussen keek Louis alle kant op behalve die van de kerk. Om de aandacht
even te focussen wees opa links de Boschstraat in en zei waar zijn kleinzoon op
moest letten. Opa: ‘Duidelijk is het van hieruit niet te zien, maar achteraan
deze straat had je links de grote fabrieken liggen van Petrus Regout die later
de Sphinxs werden genoemd. Steeds kon hij grond bijkopen en steeds kwamen er
grotere gebouwen te staan. Hij was in de Jodenstraat begonnen met een
glasslijperij die hij hier in de Boschstraat voortzette. Er werd begonnen met
zelf glas te produceren voor zijn glasslijperij omdat hij geen glas meer uit
België kreeg. Samen met iemand anders richtte hij een spijkerfabriek op. Zelf
begon hij meerdere fabrieken op te richten. De aardewerkfabriek,
stoomglasfabriek, een glasblazerij, een gewerenfabriek, gasfabriek. Ook de
zonen van Regout begonnen met fabrieken te stichtten. Het aantal personeelslden
nam flink toe. Aan de andere kant van de straat kwam een papierfabriek die er
nog steeds is. Met al deze bedrijvigheid maakte Maastricht het begin van de
industriële revolutie in Nederland.'
Louis had er op school over gehoord en wilde er meer van weten en vroeg:
‘Wanneer heeft die Petrus Regout geleefd?’ Opa: ‘In 1801 werd hij geboren, in
Maastricht, en in 1873 stierf hij en werd begraven in het eigen familiegraf
naast de basiliek van Meerssen. Op zijn veertiende begon hij na het overlijden
van zijn vader mee te helpen in de winkel van zijn moeder in de Nieuwstraat.
Tot zijn negenenzestigste bleef hij aan het hoofd staan van zijn fabrieken. En
ik zal je nog iets moois vertellen, hij had een zoon, een kleinzoon en een
achterkleinzoon die allemaal Louis heette.’ Louis straalde.
Louis wilde nog meer weten en vroeg: ‘Waren die fabrieken echt van hemzelf? Dan
moet je toch ontzettend rijk zijn geweest?’ Opa: ‘Dat is hij ook geworden. Hij
was heel slim, hij trouwde een rijke vrouw’ en opa gaf een vette knipoog en ging
verder. ‘Het begon met de winkel van zijn ouders; toen die rijke vrouw die uit
een familie kwam van hoedenmakers; hij vestigde zich op een goede locatie bij
de haven met een kanaalverbinding met België; en doordat België zich had
afscheidde van Nederland was er een importverbod uit België ontstaan waardoor
er een markt ontstond waar Regout gebruik van maakte; hij investeerde in een
stoommachine; bleef doorgaan met produceren toen er een recessie was waardoor
er een grote voorraad ontstond die hij na de recessie voor veel geld kon
verkopen; haalde kundig personeel uit het buitenland om hier te werken en zo
groeide zijn vermogen steeds verder uit.’ Louis knikte, hij begreep het en zei:
‘Slimme man… maar hij is toch ook de man van de wc-potten?’ Opa: ‘dat is
van latere datum, pas na de Tweede Wereldoorlog, dat was een van zijn zonen,
ook die had de naam Petrus.'
Je zag dat Louis bleef staan, hij was aan het nadenken totdat hij een opmerking
maakte: ‘op school zei de meester dat Regout zijn arbeiders slecht behandelde,
slechte huisvesting. Klopt dat?' Opa dacht ook eerst even na en zei vervolgens
plechtig: ‘Ja en nee’. Dat was nou niet echt een antwoord dat Louis veel
duidelijkheid gaf en bleef in dezelfde stand naar zijn opa kijken. Opa ging
uitleggen. ‘Toen de industrie opkwam, er steeds meer mensen van buiten de stad
kwamen wonen, was Maastricht nog een vestingstad. En een vestingstad kenmerkt
zich door een stevige muur om de stad, dat er niet uitgebreid kon worden. Er
kwamen zo steeds meer mensen in dezelfde huizen wonen. Het was ook in een tijd
dat er nog geen badkamers waren, zelfs toiletten waren ongebruikelijk. In die
tijd is tot tweemaal toe een choleraepidemie geweest waar vele tientallen
mensen stierven, vooral in dit gebied. Maar je moet dat wel duidelijk in die
tijd zien, zo abnormaal was dat toen niet. Hoewel Petrus Regout geld wilde
verdienen trok hij de huisvesting van zijn arbeiders zich wel aan. Hij zorgde
voor meerdere panden waarin ze konden wonen. Samen met anderen richtte hij een
bouwvereniging op om huizen te bouwen, bouwde het zogenaamde Kraaiendorp langs
de Maas. Buitenlandse arbeiders moesten gezamenlijk wonen. Hij liet een soort
flat, Cité Ouvrière genaamd, bouwen voor tweehonderd personen met leidingwater.
Zelfs voor invalide werknemers wilde hij voor huisvesting zorgen. Hij heeft ook
zijn best gedaan om leidingwater aan te leggen en afval op te ruimen. Maar
de gemeente wilde echter niet altijd even goed meehelpen, burgemeester
Pijls lag Petrus nog wel eens dwars. De schaarste nam toe en de kwaliteit van
de huizen nam af. Zijn zoon die ook Petrus werd genoemd nam het wel iets minder
nauw met zijn arbeiders. Dat is een verwarring die hardnekkig blijft bestaan.’
Zijn kleinzoon was tevreden met het antwoord.
Ze liepen enkele passen richting de Markt. Toen stopte opa weer en wees naar
een pilaar met halverwege en onderaan soort groene ijzeren bloembak zonder
bloemen, die in de stoep verankerd
stond. Opa: ‘Wat je daar ziet is een drinkbak voor dieren, de grote dieren als
paarden konden uit de bovenste schaal drinken en de honden uit de onderste
schaal. Louis keek een beetje verbaast en vroeg: ‘wat moeten die paarden en
honden hier dan doen?’ Opa weer: ‘Die kwamen van heinde en verre hier naar de
markt om hun spullen te verkopen.’ Louis: ‘Maar waarom namen ze hun honden mee,
hadden ze daar dan tijd voor?’ Opa: ‘Vroeger had je hondenkarren, dan kreeg de
hond een karretje met handelswaar aangebonden net als de paarden.‘ Louis:
‘Zielig.’
Markt
Samen liepen ze richting Markt. Hoog op een sokkel stond een standbeeld. Eerst
was de achterkant te zien. Hij had dan wel een soort jurk aan maar aan het
postuur was te zien dat het een man moest voorstellen. In zijn linkerhand een
soort fakkel. Ze liepen langs het beeld en zagen de voorkant. ‘Hier heb je Minckeleers’
begon opa en ging verder met vertellen: ‘Minckeleers is ook in Maastricht
geboren. In Leuven heeft hij gestudeerd en is er zelfs professor geweest. In
Leuven is er een straat naar hem genoemd en wordt geëerd met standbeeld dat
nabij de Universiteit staat. Een luchtballon is het en wel omdat hij het
lichtgas heeft ontdekt. Zowel licht van gewicht als schijnend licht. Met het
lichtte gas was het mogelijk geworden te vliegen en Minckeleers wordt hiermee
beschouwd als de grondlegger van de ruimtevaart. Hij ontdekte ook dat het gas
licht kon doen schijnen en zette zijn klaslokaal met zijn ontdekt gas in het
licht. Maar Maastricht kon hij niet missen en is terug gekomen. In 1904
hebben ze dit standbeeld geplaatst. Zelf leefde Minckeleers van 1748 tot 1824,
en die jurk? Dat was toen de mode waar professoren in liepen. Priesters liepen
ook in dat soort jurken rond. Misschien had Minckeleers als kind wel de
ambitie om als hij groot was die jurken te mogen dragen. Hij was immers
begonnen met een studie theologie, een ander woord voor godsgeleerdheid. Toen
dat niets werd is hij maar professor geworden.’ Besloot opa met een lichte
ondeugende glimlach.
Ze draaide met het gezicht naar de Markt, met het stadshuis op de
achtergrond, waar opa weer begon. ‘Rechts heb je de Grote Gracht, links de
Kleine Gracht. Tot 1660 had je tussen die twee straten de Eerste Stadsomwalling.
De plek waar het standbeeld van Minckeleers staat was dus buiten de stad. Ook
op dit stuk in de muur bevond zich een stadspoort, de gevangenispoort waar
mensen gevangen werden gehouden. Daarna is er de lakenhal geweest waar de
lakens van de lakenwevers verkocht
werden. Het stadshuis kwam pas de tweede helft zestiende eeuw.
Langzaam liepen ze verder over de Markt, voor het stadshuis langs. Rechts was
een standbeeld van een dik vrouwtje te zien. ‘Wie is die vrouw’ wilde Louis
weten. Opa: ‘dat is ’t Mooswief, groentevrouw in het Nederlands. Als eerbetoon
aan de marktvrouw. Als er markt was kwamen ze van de dorpen rondom Maastricht
met hun koopwaar hier naar toe om deze te verkopen. ’t Mooswief is ook symbool van de Carnaval.
Met Carnaval vieren we feitelijk de verlenging van de dagen, het nieuwe licht. En
dat brengt nieuwe vruchten en groente. Het nieuwe leven. Nou ja, die
groentevrouwen brengen ons dat nieuwe leven en met Carnaval extra vitaminen om
de zware dagen door te komen. Daags voor carnaval in 1954, werd ze onthuld in
het bijzijn van de Stadsprins en sinds die tijd wordt de dag voor carnaval haar
een krans omgedaan, gemaakt van groente. De carnaval begint pas echt in
Maastricht als de stoffen versie op het Vrijthof carnavalszondag gehesen wordt
en duurt dan totdat deze dinsdag nachts om twaalf uur omlaag wordt
gehaald. En dan worden haar kleren weer gestreken. En zie je ook een beetje hoe
dit Mooswief naar professor Minckeleers zit te lonken met haar ogen aan de
andere kant van het plein.’
Louis glimlachte even. Ze draaide zich om en zagen het imposante stadhuis voor
zich. ‘Dit is het stadhuis?’ vroeg Louis. Opa knikte, hield even in en begon
vervolgens met zijn verhaal over het stadhuis. ‘Over dit gebouw kun je een boek
schrijven. Sterker, er zijn al diverse boeken geschreven over dit stadhuis. Je
zou denken dat het er al staat sinds het begin van de stad staat, maar dat is
niet zo, het is pas ruim driehonderdvijftig jaar. Klinkt toch als een hele poos
maar het is slechts een klein deel van het bestaan van de stad. Zoals ik al net
zei is het gebouwd in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Omdat er geen
geld was is de toren pas later gebouwd en het interieur is pas echt mooi
geworden, met goudleer aan de muren, bijzonder stucwerk en bijzondere
inrichting toen er weer geld beschikbaar was. Het gebouw meet eenendertig komma
vier bij eenendertig komma vier meter. En nu zal je vast wel denken wat een
rare maat.’ Louis knikte.
Opa ging verder: ‘Destijds gebruikte ze Rijnlandse voet als meeteenheid, en dan
is het honderd bij hinderd Rijnlandse voet. Vrijwel alle diensten voor van de
stad kwamen destijds in dit gebouw bij elkaar te zitten, inclusief het gerecht.
Beneden in de kelder waren de gevangenissen en verhoorkamers. Gelijk met het
bordes heb je een grote hoge binnenruimte waar twee verdiepingen hoog zich de
werkruimtes bevinden. Die grote binnenruimte wordt nog steeds het plein genoemd
en het is de bedoeling dat de burger en bestuurder hier elkaar ontmoeten.
Daar staan ook borstbeelden, onder andere van professor Debye voor zijn
bijdrage aan de studie van de structuur van moleculen. Nu denk je misschien dat
het nooit groot geweest kan zijn omdat het om moleculen gaat, maar hij heeft er
toch mooi de Nobelprijs voor gekregen. Had ik al gezegd dat dit een
Maastrichtenaar was? En knipoogde weer naar Louis.
Hij ging verder met zijn verhaal: ‘De rechter bovenzaal was oorspronkelijk de
stadsbibliotheek en werd later raadszaal. In de toren heb je een carillon, ook
uit de zeventiende eeuw. Dat speelt nog geregeld vrolijk over de stad. Het
schijnt dat je zelfs verzoeknummer kunt aanvragen, loeiende klokken, daar wordt
op de deur geklopt, Maastrichts volkslied of zelfs een lied van een band als
Metallica. In de loop van de negentiende eeuw kwamen er zo veel ambtenaren bij
dat er elders kantoren en werkruimtes kwamen. Begin deze eeuw werd zelfs de
raadzaal verplaatst naar een nieuw stadskantoor aan de achterzijde, het Mosae
Forum.’ Er werden enkele bewegingen gemaakt om achter het stadshuis te kijken.
Terug met twee benen stevig staand in de vertelstand ging opa weer verder: ‘Er
was nog iets speciaals al was het niet uniek in de wereld. Bestuur door
Tweeherigheid. Voortgekomen uit vroegere tijden had je de prins-Bisschop van
Luik die verbonden was aan de Onze Lieve Vrouwe en de Hertog van Brabant die
later vervangen werd door de Staatsen en die was weer verbonden aan de Servaas.
In 1283 werden de oude afspraken vastgelegd in De Alde Caerte en deze
bestuursvorm is gebleven totdat de Fransen in 1794 hier kwamen en het systeem
werd vervangen door het huidige systeem van burgemeesters, wethouders en
raadsleden. De burgers waren Luiks of Brabants en later Staats. Bij geboorte
werd je hetzelfde als je moeder. Nieuwelingen uit het zuidelijke deel werden Luiks
en het noordelijk deel Brabants en later Staats. In het begin waren de
Luikenaren in de meerderheid. Eeuwen later waren de Staatsen in de meerderheid.
Op zich maakte dat niet zoveel uit want iedereen was gelijk. De regel was ook
“één heer is geen heer, twee heren is één heer”.’
Louis probeerde het te begrijpen en vroeg: ‘en als ze er niet samen uitkwamen,
wat gebeurde er dan?’ Opa antwoordde: ‘Dan kreeg de Prins-Bisschop gelijk want
de geestelijkheid had voorrang. Maar dat gebeurde niet vaak, ze kwamen er
meestal goed uit. En iedereen was tevreden, anders had het ook nooit zo lang
stand kunnen houden. Deze bestuursvorm kwam op ook op enkele andere plekken
voor. Uniek in Maastricht is wel dat een protestant en een katholiek het er
voor het zeggen hadden, dat er sprake was van godsdienstvrijheid dat toen niet
gebruikelijk was.’
Opa stak een vingertje de lucht in en zei: 'nog iets van Europees aard. In 1981
vond hier een Europese top plaats. De presidenten, ministers en andere
belangrijke lieden kwamen hier vergaderen over Europa. Wat hiervan in de
herinnering bleef waren niet de resultaten van de vergadering, maar dat de journalisten,
dat zijn die mensen van wie je graag hebt dat ze iets goeds over je schrijven, erg
ziek waren geworden van een koud buffet waarin de salmonellabacterie zat. Tien
jaar later kreeg de stad weer een Europese top. Die vond plaats in het nieuwe
Gouvernement en was het nieuwe MECC het perscentrum voor de tweeduizend journalisten
en was het beter geregeld. Op die top is het Verdrag van Maastricht beklonken,
waar de Euro uit ontstaan is. Dat heeft de stad veel goeds gebracht.
Internationale bekendheid, zo zijn er bijvoorbeeld maar liefst honderdtwintig
internationale instituten in de stad.'
Het gebouw hadden ze ondertussen wel genoeg aangestaard, maar voor ze verder
liepen wees opa naar een lege plek, voor het stadhuis en voegde daar aan toe:
‘op die plek heeft de laatste executie van Nederland plaats gevonden. In 1860
was het de laatste keer dat de overheid een beul de opdracht gaf iemand de
laatste adem in levende staat te laten uitblazen.’ Louis keek een beetje vreemd
en vroeg: ‘ze hebben hem dood gemaakt, wat had hij dan gedaan?’ Opa antwoordde
hierop: ‘zijn schoonmoeder vermoord.’ Als iemand met de nodige ervaring
in schoonmoeders knikte Louis instemmend.
Ze liepen verder, rechts langs het stadhuis en kwamen langs een stenen
waterpomp die op de Markt stond. Opa: ‘Dit is een van de openbare waterpompen
die ze in de stad hadden. Rond 1800 waren het er ongeveer zestig, één op tweehonderdvijftig
bewoners, vijftig jaar later waren het dubbel aantal openbare waterpompen,
bijna tweehonderd bewoners per pomp.’ Louis bekeek de stenen massa met de
zwengel maar ze liepen verder zonder verder iets te zeggen richting de hoek
waar de Muntstraat begon.
Muntstraat en Jodenstraat
Ze liepen de straat in en opa vertelde: ‘de Muntstraat is genoemd naar het
munthuis van de Luikse-tak. De straat staat niet bekend als een monumentale
straat. Toch zijn er drieënveertig rijksmonumenten in deze straat. De kleine
stad Maastricht, ongeveer honderdtwintigduizend inwoners, kent na de grote
stad Amsterdam de meeste Rijksmonumenten. Daarmee is een straat met tientallen
monumenten ook niet meer zo bijzonder.’ Het was er druk in de winkelstraat en
was dan ook uitkijken om niet tegen passerende mensen op te lopen.
Ze kwamen bij een kruising en gingen een beetje aan de kant staan. Louis keek
naar de drukte, opa vertelde: ‘De grote winkelstraat van rechts naar rechtdoor
is de oude Romeinse weg waarlangs Maastricht ontstaan is en is ruim tweeduizend
jaar. Het gebouw hier links is het Dinghuis, het huidige VVV. Ooit bevond zich
in dit gebouw het Hoog gerecht en waren er diverse cellen in ondergebracht.
Ooit was hier een bonte verzameling oude voorwerpen te zien waaruit later het
Bonnefantenmuseum is ontstaan. Er is een theater in geweest, zelfs een
poppentheater van Pieke Dassen, de bebaarde man bij De Film van Ome Willem. Een
Tv-serie in de jaren zeventig en tachtig. Ook is er nog een soos geweest voor
jongeren en heeft er een telefoonwinkel in gezeten.’
Opa wilde tempo maken, zijn hoofd maakte schuine een beweging richting het
smalle straatje langs het Dinghuis, de Jodenstraat genaamd. Ze liepen de straat
in en ineens waren er minder mensen. Voorbij de helft stopte ze bij huisnummer
8 - 12 aan de linkerkant, een huis met een poort. Opa: ‘Vroeger was in dit pand
de wagenposterij Maastricht - Den Bosch, gevestigd, die met paard en
koets de post bracht. En dat zie je ook aan die hoorn in de gevelsteen.’ Louis
knikte en opa ging verder: ‘Voor er huisnummers werden ingevoerd werden
gevelsteen gebruikt om een pand te onderscheiden. Het liet zien wat er
gevestigd was of wie er woonde. Rond achttienhonderd werd het huisnummer
ingevoerd, eerst een huisvolgnummer in de stad, later per straat en dan een
nummer. Gevelstenen werden toen minder belangrijk. Amsterdam heeft de meeste
gevelstenen, daarna komt Maastricht met ongeveer zeshonderd gevelstenen. Omdat
ze zo mooi en apart zijn worden er heel soms nog nieuwe gemaakt. Toen de
gevelstenen na honderd jaar nog steeds in het straatbeeld voorkwamen werd
langzaam de historische waarde er van ingeschat. Victor de Stuers, die naam
hoor je straks ook weer, maakt in 1867 een inventarisatie van de Maastrichtse
gevelstenen, hij zal ook vast hier hebben gestaan.’ Beide keken naar de grond.
Vervolgens keek Louis om zich heen, keek eens naar de poort waar paard en wagen
dan zouden moeten zijn uitkomen en vervolgens naar de breedte van de straat, en
zei: ‘Het is wel een erge smalle straat hè opa.’ Deze knikte en voegde daar aan
toe ‘ja, veel straten waren erg smal en een deel van de straten hebben ze ook
breder gemaakt. Medio de negentiende eeuw had de gemeenteraad een plan
goedgekeurd om deze straat breder te maken, alle huizen aan de rechterkant
moesten dan afgebroken worden, inclusief het Dinghuis. Dat is toen toch niet
doorgegaan en hebben ze de Maastrichterbrugstraat een stuk breder gemaakt, daar
zijn alle huizen aan een kant afgebroken en nieuwe voor in de plaats gezet.’
Langzaam begonnen ze verder te lopen totdat Louis aan het einde van de straat
het straatnaambordje “Jodenstraat” zag en vroeg: ‘wonen hier Joden?’ Opa: ‘In
de periode van dertienhonderd hebben hier enkele tientallen jaren als een van
de eerste plekken in Nederland Joden bij elkaar gewoond.’ Louis keek naar de
straat uit, daar was weer veel licht te zien. Ze staken over, en liepen verder
richting de brug. Keken goed uit en staken deze ook over en liepen enkele
meters verder de brug op toen opa weer stopte.
Servaasbrug
Louis herkende de plek, hij had vaker op de brug gestaan en begon dan ook al
met te zeggen: ‘Opa, hier is Maastricht ontstaan hè, als Mosa-Trajectum,
Maas-oversteek hè, toen de Romeinen een grote weg aanlegde van Boulogne sur Mer
in Noord-Frankrijk naar Keulen hè’? Opa knikte zeker drie keer van ja, trok een
tevreden blik om zijn kleinzoon en voegde daar aan toen: ‘Klopt ja, eerst was
er een doorwaadbare plaats. Om ook over te kunnen steken als het water hoger
stond werd er een brug gebouwd. De steunpilaren van de brug stonden in het
water en waren van steen. Hout was gebruikt voor de echte overbrugging. Die
brug heeft er vele eeuwen gelegen, geregeld werd ze onderhouden. Echter, toen
de processie er in 1275 over trok kon de brug het gewicht niet houden. Er werd
gezegd dat vierhonderd mensen het niet overleefde. Op deze plek hebben ze toen
een nieuwe brug gebouwd, volledig van stenen. Ook daar is ondertussen niet veel
meer van origineel. Het binnenwerk is ondertussen van beton. Bij de restauratie
van de beschadigingen die de Tweede Wereldoorlog veroorzaakte, is de brug twee
en een halve meter breder geworden. Zo smal is die brug destijds geweest, lange
tijd de meest noordelijke brug over de Maas. De Wilhelminabrug, stukje
stroomafwaarts, is in de oorlog verwoest en is opnieuw gebouwd. Ze is er minder
fraai geworden als het was.’
Opa: ‘Kijk, daar bij de halve ronding, is de plek geweest waar de eerste brug
was. Daar hebben ze diverse restanten van ontdekt, stenen van de pijlers en
houten onderdelen. Het is in 2017 zelfs tot een officieel archeologisch
rijksmonument verklaard.’ Louis dacht even na en vroeg: ‘een monument alleen
onder water’? Opa: ‘Alleen onder water’. Ze liepen weer naar beneden, staken de
weg over en liepen naar links om bij een beschut pleintje uit te komen, met een
klein beeld standbeeld. Het leek wel een harlekijn.
Mestreechter Geis
Opa begon te vertellen: ‘Dit beeld wordt de “Mestreechter Geis” genoemd en
staat voor “volk van beweging en mentaliteit, vol levensvreugde en spottend
tegelijk, klaar voor een bon mot en tegelijk luchtig filosoferend over de
betrekkelijkheid van alle dingen.” Het is een cadeautje van het volk van
Maastricht aan de toenmalige burgemeester die op dat moment al vijfentwintig jaar
burgemeester was. Typisch de Maastrichtenaar die zo trots is op zijn
eigenschappen om dat als cadeau aan te bieden en typisch dat ze zichzelf het
volk noemen, de gewone man, ontzag heeft voor het gezag.’
Louis was even aan het nadenken en vroeg na een korte stilte: ‘maar wat wordt
er nu bedoeld met “waar staat de Maastrichter Geis voor”?’ Nu was opa even
stil. Zijn ogen tuurden even naar boven. Was even stil en begon met zijn
antwoord: ‘als ik het in mijn eigen woorden mag vertellen zou ik zeggen dat het
een levendig volk is dat erg ingenomen is met zichzelf, niet alles al te
serieus bekijkt, stijlvol gekleed en gesoigneerd is en trots op het eigen
dialect. Zich echt wel laat horen als het hen niet bevalt. Maar wel op een
zachtaardige manier. Fijnzinnig, subtiel. Als iemand een “botte Hollander”
wordt genoemd kunnen we er ons nog iets bij voorstellen, bij “botte
Maastrichtenaar” niet. Al die eigenschappen maakt dat ze een rijk gevoel hebben
voor theater, in het bijzonder voor het volkse. Verklaart ook waarom carnaval
hier zo bloeit. En als André Rieu in Den Helder was geboren zou hij en zijn
orkest vast niet dat vrolijke, theatrale bereikt hebben als hij nu in de wereld
heeft.’
Louis: ‘Maar ik heb nog nooit een harlekijn bij hem of in Maastricht zien
rondlopen, hoe komen ze op het idee dat Mestreechter Geis te noemen.’ Opa:
‘Nou, dat zal ik je vertellen, de naam Mestreechter Geis, de levenshouding van
de Maastrichtenaar, komt uit het theaterstuk “Drei Mestreechteneren goon naor
de maon”. In eerste instantie werd een ander standbeeld onthuld. Toen
kunstenaar Andriessen uit Haarlem tijdens de onthulling de speeches
hoorde, hij zag deze omgeving die toen net geheel gemoderniseerd was, zou hij
gezegd hebben dat dit beeld niet het juiste beeld weergaf van de
Maastrichtenaar. Geïnspireerd door een theaterstuk in Italië kwam hij toen met
deze verbeelding. En als je nu zegt het “volk van beweging en mentaliteit, vol
levensvreugde en spottend tegelijk, klaar voor een bon mot en tegelijk luchtig
filosoferend over de betrekkelijkheid van alle dingen” dan begrijp je vast wel
waarom het dit beeld is geworden.’ Louis knikte beleefd.
Opa ging nog even verder. ‘Dat speelde zich allemaal in de jaren zestig af. Wat
zich in de jaren zestig ook afspeelde, waren de Provo’s in Amsterdam rondom het
standbeeld van het Lieverdje. Zij verzette zich tegen de gevestigde orde. In
Maastricht verzamelde zich eveneens jongeren rond een standbeeld, dit standbeeld.
Paniek bij de autoriteiten, bang voor Amsterdamse toestanden. Tja, wat was men
gewend hier in het gehoorzame Maastricht. Ondertussen zijn de jongeren van toen
de zeventig gepasseerd. Dat is weer een tijd geleden. Kom, dan gaan we naar
iets actueler, de Romeinen’ en knipoogde naar Louis. Ze liepen het smalle
straatje in, de Stokstraat.
De Thermen
‘Kijk, hier links heb je de Karkol, in 1752 al Carculle genoemd, een klein café
dat gerekend wordt tot een van de beste cafés van Nederland, altijd druk, volks
en gezellig’ begon opa weer. Louis kende opa al langer en vreesde dat hij naar
binnen wilde. Die neiging heeft opa vrij structureel als hij een café ziet.
Maar hij liep er langs en ook het volgende café liep hij zonder
schijnbewegingen langs. Hij vertelde er wel weer iets over: ‘De Moriaan, al
ruim honderd jaar een café. Met zijn drieëntwintig vierkante meter bekend als kleinste café van
Nederland. Is ook een van de oudste panden van de stad.’ Louis boeide het niet
zo veel. Achter de Moriaan liepen ze rechts langs de Moriaan een smal straatje
in en kwamen bij een plein waar rust heerste. Schuin na links lopend stopte ze
na ongeveer tien meter. De bestrating bestond uit verschillende kleuren maar
niet in een vast patroon. Het leek wel een plattegrond.
Louis vroeg: ‘Opa, wat is dat voor een plattegrond?’ Opa antwoorde: ‘Diep
onder het straatniveau hebben ze overblijfselen van thermen gevonden, een
Romeins badhuis. Het kleurverschil in de grindtegels geeft aan waar
ondergrondse muurdelen zijn achtergebleven. Het badhuis bestond uit
verschillende baden met verschillende temperaturen waar de Romeinen dagelijks
een bad namen als ontspanning. Het was dan ook een sociale ontmoetingsplek.’
Louis knikte als een Romein die zich te midden van enkele dienaressen met
wuivende palmen bevond. ‘Hebben ze bewust gekozen om dit in een rustig deel van
de stad aan te leggen?’
‘Nou Louis’ begon opa, ‘toen hier dat badhuis is gebouwd bestond er nog niet zo
veel van Maastricht. Zelfs de naam Maastricht bestond niet, die verscheen
pas rond het jaar zeshonderd. Maar dat terzijde. Je weet, enkele jaren voor de
jaartelling is de heerweg aangelegd. De Maas was hier toen doorwaadbaar, je kon
door de Maas lopen om aan de overkant van de Maas te komen. Dit was de enige
plek waar in de verre omgeving waar dat kon. Alle reizigers kwamen langs deze
plek. Hier was geld te verdienen. Langs de weg, tot bij het Vrijthof, werden
langzaam aan eenvoudige huisjes gebouwd van hout en leem. Iedereen kende
elkaar. Alle inwoners kwamen bij elkaar om de bijzondere jaarwisseling van min
één naar het jaar nul te vieren. Er was geld ingezameld om extreem veel chinees
vuurwerk te kopen om te kunnen afsteken. Champagne werd uit middeleeuwse glazen
gedronken’ en opa gaf een vette knipoog naar zijn kleinzoon om duidelijk te
maken dat dit deel van het verhaal verzonnen was. Louis glimlachte beleefd.
Opa vertelde verder: ‘Waarschijnlijk twintig, dertig jaar later werd er de
eerste brug gebouwd. De nederzetting groeide verder. Zo rond de tweede eeuw
werd besloten een kleine tempel te bouwen, ongeveer waar nu de Onze Lieve
Vrouwekerk is. Op deze plek werd toen een badhuis gebouwd. Het werd onrustig in
Europa en de Romeinen besloten om in het jaar driehonderddrieëndertig een
castellum te bouwen. Er kwam een ommuurd gebied van negentig bij honderdzeventig
meter, met tien torens en twee poorten. Buitenom kwam een gracht. Aan de ene
zijde van het castellum was de tempel en aan de andere zijde het badhuis. Er
kwam ook een graanschuur en ruimtes voor de militairen. Het volk bleef buiten
de muren wonen. Om de brug over te gaan moest je door het castellum. Aan de
overzijde in Wijck was een kleinere nederzetting. Het castellum is blijven
bestaan tot de achtste of negende eeuw. Daarna is het afgebroken. Behalve de
fundamenten, die zijn er nog’ besloot opa. Louis vulde aan met: 'En die zijn
terug te zien in deze tegels.' Opa knikte van ja. Ze liepen het pleintje in de
lengte over en verlieten via een smal straatje, het Bessemstraatje, het
Thermenplein.
Derlon
Aan het uiteinde van het straatje maakte opa een sprongetje om met beide voeten
weer op de grond te komen. Opa: ‘Hier Louis, ben je in een van de oudste
straatjes van Maastricht, de Plankstraat. Hier liep de Romeinse weg naar de
Maas toe en bleef dat ook toen hier een castellum werd gebouwd.’ Opa wees naar
een groter plein, het Onze Lieve Vrouweplein en ging verder met zijn verhaal.
Dit hotel op de hoek, hotel Derlon, werd in 1983 vervangen door een nieuwer
gebouw. Het werd helemaal tot op de grond afgebroken, sterker, tot in de grond,
vijf, zes meter diep. Daar zijn resten gevonden van het alleroudste deel van
Maastricht. Restanten van muren, een waterput, wegen, voorwerpen, van alles.
Toen ze dit gevonden hadden zijn de plannen aangepast en is besloten om dit
voor altijd zichtbaar te laten. Zondags kun je dat bekijken. Nu is de ruimte in
gebruik als deel van het hotel, kan er gegeten worden. Gelukkig maar dat dit zo
behouden is en toegankelijk is geworden.’ Louis zag niks. Kon hij eindelijk
oude opgravingen gaan bekijken, gingen ze niet naar binnen. Wel vroeg hij zich
iets af: 'Waarom is dat zo diep uitgegraven?' Opa: 'In de tijd van de Romeinen
werd er nog niet zo opgeruimd als tegenwoordig, afval, resten van bouwwerken,
enzovoort, bleef gewoon op straat liggen. Heel langzaam werd het straatniveau
opgehoogd en werden de oude resten mooi voor ons bewaard' zei opa
triomfantelijk.
Stokstraat
‘Kom’ ging opa verder, ‘we gaan enkele stapjes terug stappen uit het verre
verleden naar het recentere verleden.’ Opa liep achterste voren verder van het
Onze Lieve Vrouweplein af om bij een klein pleintje uit te komen. Louis vond
achterste voren lopen maar raar en liep gewoon. Bij het pleintje aangekomen
keek Louis naar de bollingen onder het gezicht van een standbeeld. Het leek wel
een boegbeeld van een schip. Opa zag Louis kijken en zei: ‘dat wordt in de
volksmond wel eens de vrouw van Bonhomme genoemd. Bonhomme was vroeger een
rederij hier in Maastricht. Het beeldt een boegbeeld van een schip uit. Op deze
oudste plek van Maastricht werden goederen aan land gebracht.' Louis verbrak de
aandacht voor het standbeeld en keek om zich heen en vroeg aan opa: ‘Is dit
niet die straat geweest waar vroeger zoveel armoede was, er nog wel eens iemand
dronken was, waar meerdere grote gezinnen in één huis woonde, de poepdoos
moesten delen en soms maar één kraantje per huis beschikbaar was. En dat al die
mensen naar buitenwijken moesten verhuizen in speciale huizen.’
Opa knikte goedkeurend en zei in eigen woorden: ‘Toen de rijke bewoners naar de
randen van de stad vertrokken werden deze panden gekocht door huisjesmelkers
waar arme gezinnen een plek vonden. In 1950 woonde ongeveer kleine driehonderd
vaak grote gezinnen in deze buurt, iets meer dan twee kamers per huishouden. Met
verschillende gezinnen in een huis leverde dat veel geld op voor de
huisjesmelkers. De bewoners moesten ook aan hun middelen komen om van te leven.
Sommigen werkte thuis, bijvoorbeeld door klanten een prettig moment te
bezorgen. Dat was het werk van diverse vrouwen. Roei Tina en Berb de Lotsch
waren de bekendste. De heren, want dat waren de klanten, gingen dan weer als
grote heren naar buiten. De vrouwen wisten wel beter.’
Louis bleef luisteren en opa kon verder vertellen. ‘De panden werden niet
onderhouden en de bewoners waren ook niet van het type die het geld wilde
besteden aan poetsmiddelen. Maar waar mensen niet veel hebben zie je dat ze
gaan delen. Zo werd er van alles gedeeld. Roei Tina, Berb de Lotsch deelden het
geld dat ze verdiende dikwijls met straatgenoten. Als er bij een kledingwinkel
aan de overkant van de Maas was ingebroken, liepen de dag erna de bewoners van
de Stokstraat in nieuwe kleding. Als man en vrouw ruzie hadden werd dat ook
uitgebreid gedeeld met de buurt. Je kunt gerust zeggen dat hier geleefd werd,
met hart en ziel.’
In de tussentijd draaide opa zich om naar een plaquette die er aan de muur
hing, Castorius stond er op. Louis draaide mee en merkte op: ‘Wat een rare naam
is dat, Castorius’. Opa: ‘Castorius is een kloosternaam, hij was een pater die
op verzoek van de pastoor van de Onze Lievevrouwebasiliek zielzorg pleegde in
de Stokstraat en omgeving. Hij ging letterlijk tussen de mensen wonen, hier op
de hoek. Later kreeg hij een eigen woning en een kelder om activiteiten te
organiseren. Op vele manieren hielp hij. Soms bemiddelde hij bij conflicten,
gaf mensen raad en organiseerde allerlei activiteiten. Er waren filmavonden,
toneelclub, zangkoor, knutselclub, een boksclub en er waren kampen. Al werd er
met argwaan in het begin tegen die man in bruine pij van buiten Maastricht
aangekeken, hij is erg geliefd geworden de buurt door wat hij voor de mensen en
buurt gedaan heeft. Zijn foto hangt nog hier en daar nog steeds eerbiedig aan
de muur.‘
Opa bleef maar doorgaan met vertellen. ‘De Woningwet was al lange tijd van
kracht, bij wet waren er minimale eisen gesteld waaraan een woning moest
voldoen. Deze woningen voldeden er absoluut niet aan, het waren krotten
geworden. De plannen waren er al eerder, maar in 1957 werd er begonnen met de
renovatie van het Stokstraatkwartier en heeft geduurd tot 1973. De bewoners
kregen nieuwe huizen, soms in een woonschool als de Ravelijn waar ze helemaal
begeleid werden om hun asociale woonmanieren af te leren.’ Louis knikte,
dat had opa al eens eerder verteld.
Opa: ‘Normaal in Nederland werden krottenwijken tot de grond toe afgebroken,
hier zijn de meeste monumentale huizen blijven staan. Behalve het plein waar we
net waren. Daar stonden ook huizen, alleen aan de rechter kant was er een smal
straatje. In 1840 waren de thermen al ontdekt, tussen 1963 en 1965 werden ze
geheel bloot gelegd en volop onderzoek gepleegd. Een gebied van vierentwintig
bij veertig meter.'
Ondertussen liepen ze langzaam in de Stokstraat naar rechts tot bij de
Batteraof, een standbeeld van een jongen, zittend op een muurtje, Pieke
genaamd, het hoofdfiguur uit een boek dat zich in de woelige tijd in deze
straat afspeelde. Hier stonden ze weer stil en vertelde opa nog even verder.
‘En zo werd het heel langzaam een van de sjiekste winkelstraten van het land.
Werd deze straat vroeger door de gemiddelde inwoner van de stad vermeden, nu
komen er sjieke mensen winkelen. Allemaal voor zichzelf, anderen laten zien
hoeveel geld je hebt.’ Opa was even stil en vroeg zich hard op af ‘wanneer was
het hier nu asociaal, toen of nu.’
Onze Lieve Vrouwebasiliek
Ze liepen de straat uit. ‘Wat is dat voor een huisje hier rechts op de hoek’
vroeg Louis. ‘Dat is een oud stadspoortwachthuisje uit 1786’ zei opa en
vertelde verder: ‘Links is een oude stadspoort geweest, de Onze Lieve
Vrouwepoort en werd ook wel Koolpoort genoemd. Die is in 1868 afgebroken toen
het geen vestingstad meer was. Die stenen blok daar’ en opa wees links voor
zich aan de andere zijde van de inrit van de ondergrondse parkeergarage ‘ is
een restant van die poort’. Ondertussen liepen ze rechts op om het huisje
verder.
Louis keek rechts naar de zuidkant van de Onze Lieve Vrouwebasiliek en vroeg:
‘wat is dat voor een kerk?’ Opa: ‘Dat is een basiliek, en een basiliek is een
eretitel voor een kerk die het sinds 1933 heeft. Basiliek van
Onze-Lieve-Vrouw-Tenhemelopneming is de officiële naam maar is hier in de stad
beter bekend als de Slevrouwe. Waarschijnlijk op oude restanten gebouwd van de
eerste tempel van de Romeinen binnen het castellum en de kerkelijke
nakomelingen op deze plek. Zo weten we dat in de eerste helft van de achtste
eeuw een kerk op deze plek is ingewijd. Vanaf de achtste eeuw weten we zeker
dat hier een kerk is geweest. Even voor het jaar duizend wordt er een kapittel
opgericht. Een groep geestelijken die zich bezighielden met missen te houden in
het eigen kapittel en op belangrijke plekken op het platteland. Daarnaast
hadden ze vaak belangrijke maatschappelijke posities, kwamen dikwijls uit adellijke
families en was er geld. Eerst woonde ze hier samen, later gingen ze apart
wonen en lieten mooie woningen aan het plein bouwen.'
Ondertussen stonden ze op het plein tegen de forse westgevel aan te kijken. Opa
vertelde verder: 'Kerken werden vaak naar het oosten gebouwd, daar waar de zon
op kwam. Aan het voeteneind had je dan het westwerk. Met de bouw van het
kapittel werden stenen gebruikt die er al lagen. Die grote hoekstenen onderaan
werden al in de vierde eeuw gebruikt. In de loop der eeuwen werd steeds verder
uitgebreid. Niet alleen qua grootte, ook qua versieringen. Hier binnen zijn
hoogtepunten te zien van de Maaslandse kunst, een regionale stijl binnen de Romeinse
kunst. Omdat het aantal bewoners in de buurt steeds meer werden, werd het te
druk in het kapittel. En zo kwam er 1343 een aparte parochiekerk, de
Nicolaaskerk hier links op het plein. Toen in 1797 de Fransen hier het voor het
zeggen kregen werden de kerkelijke instellingen opgeheven. Het kapittel hield
op te bestaan. In dit gebouw kwam een magazijn, een smidse en paardenstelling.
In 1837 was de tijd aangebroken waarin je gewoon katholiek mocht zijn en werd
de kerk van de Staat terug gekocht en kon de kerk weer open. De Sint
Nicolaaskerk was ondertussen bouwvallig geworden en werd afgebroken. Diverse
kunstschatten werden naar deze kerk overgebracht waaronder de Sterre der Zee
uit het begin van de vijftiende eeuw. Een beeld dat hier in Maastricht erg
geëerd wordt' Louis begon steeds vreemder te kijken, hij kon nier meer alles
volgen.'
Opa stopte met vertellen. Samen liepen ze naar de poort links van de forse
toren en gingen naar binnen. Een Mariabeeld met vele brandende kaarsjes was te
zien, dat zal dan wel Sterre der Zee zijn dacht Louis. Mensen liepen naar
binnen, staken een kaarsje aan, stonden stil of knielde op de bank. Niemand zei
iets. Opa duwde tegen een deur rechts, en nog eens tegen een deur. Ze kwamen in
de basiliek. Liepen in stilte een rondje door de basiliek en gingen weer naar
buiten. 'Mooi, maar wel donker' zei Louis en kneep een beetje met zijn ogen in
het felle daglicht.
Opa’s ogen waren niet meer zo goed en hoefden dan ook niet zo erg te knipperen.
Praten was echter geen probleem en ging daar mee verder: ‘Eerst was het er nog
lichter, maar toen kwam Cuypers.’ En wie is Cuypers dan wel’ vroeg Louis waarop
opa verder ging. ‘Cuypers is een architect van voornamelijk kerken en kwam uit
Roermond en leefde eind negentiende eeuw en begin twintigste. Hij heeft ook het
Centraal station van Amsterdam ontworpen en het Rijksmuseum, eveneens in
Amsterdam. Ruim honderd jaar geleden heeft deze basiliek, die toen nog een kerk
was, een grote opknapbeurt gekregen. Veel is toen weer hersteld zoals het ooit
eerder was. Zo zijn de ramen ook kleiner geworden waarmee het weer
donkerder is geworden.’
Ondertussen waren ze weer tot onder brede westtoren gelopen terwijl opa
doorvertelde: ‘ook is toen het middenstuk van de westtoren iets verlaagd zodat
de torentjes beter uitkomen. Tussen de toren op de bovenste verdieping hangen
de klokken, de verdieping daaronder het uurwerk. Totaal heeft deze westtoren
vier verdiepingen.’ Ze liepen een stukje verder tot aan de straat, richting de
straat in de hoek die zicht vervolgens weer splitste in twee straten.
Net voor ze de straat wilde oversteken waar ze eerder door naar het plein waren
gelopen, wees opa rechts naar een ouderwets pand, een oud bankgebouw dat aan
het uiteinde van de straat stond. ‘Louis’ begon opa, ‘hoeveel dieren tel jij
hier?’ Louis bleef stil staan en ging op zoek naar dieren, hij keek naar boven,
van links naar rechts, keek eens om zich heen maar kon niets vinden en trok
zijn schouders op. Opa: ‘dit is het huis van de pelikaan, bovenop een pelikaan,
en aan de voet een olifant. Symbolen waar de bank voor stond. In het logo van
Gelderland, het was vroeger de Geldersche bank, staan nog twee koppen van een
ram, maar die heb ik nooit gevonden.’ Louis ontdekte nu ook de pelikaan en
olifant en glimlachte. Dat hij die twee koppen van de ram niet zag vond hij
niet erg, opa had ze immers ook niet gevonden.
De oude Minderbroeders
Ze staken over, het straatje in de hoek en links de Koestraat in. ‘Wat een
beestenbende met die pelikaan, olifant en nu ook nog een koe’ merkte Louis op.
Opa knikte vriendelijke maar hield deze keer zijn mond. Totdat hij weer iets
ouds zag: ‘Voor ons zie je de Bisschopsmolen.’ Louis keek een beetje verbaasd
en zei: ‘die heeft toch geen wieken?’
Opa: ‘Klopt, het is ook een watermolen’. Louis: ‘Maar ik zie geen water’. Opa: 'Dat
laat ik je straks zien, we gaan een beetje doorlopen. Ik ben weer veel te lang
aan het woord en ik wil je nog zoveel laten zien.’ Aan het einde van de straat,
voor de watermolen, liep ze naar links door een smal straatje. Aan het einde
van het straatje liepen ze naar rechts en staken direct over. Bij een hekwerk
met verder weg een huis, stopte opa weer.
Voor de tralies van het hekwerk begon opa weer te vertellen: ‘In dat huis is
Jac P Thijsse geboren en voor dat je weer gaat vragen wie Thijse was, je kunt wel stellen dat hij de
grondlegger is geweest om zuinig om te gaan met de natuur in Nederland, het
besef ervan bij de Nederlandse bevolking heeft doen laten groeien, om het
daarmee te behouden voor de toekomst. Zo is hij betrokken geweest bij de
oprichting van Natuurmonumenten, een van de grootste natuurterreinbeheerders
van het land. Ook is hij bekend, voor de generatie van opa, van de
Verkadealbums. Voetbalplaatjes maar dan over natuur. Heeft zijn verblijf in
Maastricht daar een rol in gespeeld? Nee, dat niet. Toen hij drie was verhuisde
hij weer. Zijn vader was militair en hopte van woonplaats naar woonplaats.’
Opa deed een stapje naar achteren en liep het straatje verder in om het
achterliggende monumentale kerkgebouw beter te kunnen zien. Daar vertelde opa
verder: ‘een tijdgenoot van hem, Victor de Stuers, heeft langer door de straten
van Maastricht gelopen. Bijvoorbeeld in de Jodenstraat bij de gevelsteen. En
voor dat je weer gaat vragen wie Stuers was, je kunt wel stellen dat hij de
grondlegger is geweest om zuinig om te gaan met de monumenten in Nederland, het
besef ervan bij de Nederlandse bevolking doen laten groeien, om het daarmee te
behouden voor de toekomst. Zo is hij de grondlegger geweest van de
monumentenzorg in Nederland en dat het beheer van de archieven fatsoenlijk
werd. Hij werkte voor de overheid en werkte samen met zijn tijdgenoot…. Pierre
Cuypers, de architect. Zo was ook Stuers namens de overheid betrokken bij
bijvoorbeeld de bouw van het Rijksmuseum. Maar talloze andere grote en kleine
bouwprojecten die jaren in Nederland. De smaak voor monumenten kreeg hij in
Maastricht te pakken. Hij heeft er voor gezorgd dat hier in de stad menig
gebouw behouden is gebleven en zelfs dat vestingbouwwerken opnieuw gebouwd
werden die waren afgebroken, als besef voor het verleden.’
‘Heeft deze kerk er ook iets mee te maken?’ wilde Louis weten. Opa knikte en
voegde daar aan toe: ‘Cuypers heeft ook deze kerk grondig opgeknapt en er zal
vast ook overleg zijn geweest met de Stuers.’ Louis: ‘Is dit nog altijd een
kerk’. Opa: ‘Oorspronkelijk een klooster van de Minderbroeders. Die kwamen
begin 1200 naar Maastricht, bouwde hier een klooster, dat ook weer herbouwd
werd. Ze moesten enkele keren uit de stad vertrekken maar kwamen ook steeds
terug. Kan ik me ook wel voorstellen dat ze naar Maastricht terug kwamen. Er is
hier een militair hospitaal geweest en de kerk een wapenopslag. Ook is er een
weeshuis geweest en daarna weer een kazerne. Toen Cuypers alles weer had
opgeknapt kwam er het Rijksarchief voor Limburg in, de stadsbibliotheek en het
stadsarchief. Die verdwenen ook weer en het stadsarchief kwam er weer terug
nadat in 1995 drie grote ondergrondse depots waren gebouwd, totaal goed voor
vijfentwintig kilometer aan archiefruimte. Het oudste archiefstuk van Nederland
ligt hier ook.' De aandacht van Louis begon te verslappen. Ze liepen samen
verder.
Ineens dook opa rechts een smal straatje in, de Bisschopsmolengang. Langzaam
kwam Louis achter hem aan. Ze kwamen op een klein binnenpleintje waarbij een
groot watermolenwiel opviel en een brugje naar de molen. Een stuk dieper
stroomde een riviertje. Verder enkele ramen van woningen. Louis liep het
binnenpleintje over van links naar rechts, hij wilde alles zien. Opa bleef even
staan. Toen Louis weer richting zijn opa liep begon deze te praten: ‘Dit is de
achterzijde van de watermolen die we net aan de voorkant zagen. Al eeuwen lang
staat hier deze molen, al meer dan duizend jaar, zelfs voor opa geboren was.
Het is de oudste nog in functie zijnde watermolen van het land. Ondertussen is
er wel het een en ander aan vervangen, de voorgevel is van begin zestiende eeuw
en deze achtergevel van de zeventiende eeuw. Molens werden, en soms nog wel,
genoemd naar de molenaar. In de stenen in de muur zie je namen staan van twee
voormalige molenaars.’
Louis vroeg: ‘En hoe heet deze molen dan nu’ waarop opa antwoorde ‘de
Bisschopsmolen’. Louis vroeg hierop vertwijfelend: ‘is deze molen dan nu van de
bisschop?’ Opa glimlachte even, ‘zo werd deze vroeger genoemd en wordt nu
ook weer zo genoemd, dat klinkt goed in deze toeristenstad. Deze molen is
inderdaad van de bisschop… geweest’. Louis begon zijn gezicht nu ook
vertwijfeld te trekken en voegde daar aan toe: ‘liep de bisschop hier dan zelf
met graanzakken naar boven en liep hij dan met wit stoffig meel aan zijn handen
rond?’ Opa: ‘dat ook weer niet, hij had de molen als onderpand gekregen van een
zekere Godfried van Bouillon. Een smaakvolle man trouwens. Die had geld nodig
voor zijn kruistocht en had de molen als onderpand gegeven. Hij kwam niet meer
terug en zo had de Bisschop van Luik een molen in bezit gekregen. De Luikse
bierbrouwers van de stad lieten hier eeuwen lang hun graan malen. Nu wordt er
nog steeds gemalen en is er ook een bakkerij gevestigd. Er wordt zelfs weer
gemalen voor een brouwerij, de Gulpener’. En dat was het moment dat opa voor
het eerst moest slikken. Doorgaans hield onze bierdrinkende opa het niet zo
lang vol om zonder bier te vertellen. Nu had hij nog niets gedronken.
Jekerkwartier
Door de smalle gang liepen ze weer terug en gingen aan het einde rechts op,
verder langs de Minderbroederskerk. Ze kwamen bij de Pieterstraat die ze recht
overstaken en liepen de Tafelstraat in. Op de hoek links was een klein kerkje
dat er toch iets anders uitzag als de andere kerken in de stad. Opa zag zijn
kleinzoon naar het gebouw kijken en vertelde wat hij zag: ‘Je kijkt nu naar de
Waalse kerk. Franstalige protestanten uit het Luikse achterland mochten hier in
deze overwegend katholieke stad gewoon vrij geloven. Dat was niet gebruikelijk
dat er meerdere geloven naast elkaar beleden werden. Toen de protestanten in
Frankrijk hun rechten verloren werd het hier nog drukker en werd deze kerk in
de eerste helft van de zestiende eeuw gebouwd. Het merendeel bestond uit
militairen van het garnizoen. En toen deze langzaam uit de stad trokken werd
de Waalse gemeente, de calvinisten, kleiner. Inmiddels maakte de Nederlandse
Gereformeerde kerk ook gebruik van deze ruimte, meer dan de Waalse, en namen
het beheer van dit kerkgebouw over. En zo kabbelt de tijd verder’
Louis keek een beetje onbegrepen uit zijn ogen. Helemaal begreep hij niet wat
opa hem net vertelde en ondertussen had hij vandaag ook weer zoveel gehoord dat
zijn oren verzadigd begonnen te raken. Opa’s mond loopt vrij standaard over,
vooral met woorden: ‘In de meeste kerken is het stil en hoor je alleen af en
toe kuchende mensen. In deze kerk gaat dat anders, hier hoor je ademende
bezoekers die twee keer fors door de neus inademen. Uitblazen hoor je niet.
Onder een deel van deze kerk stroomt het riviertje de Jeker. Het riviertje dat
langs de molen van Bouillon stroomt. En die bouillongeur dringt helemaal door
tot in de kerk, geloof ik.’ Louis gaf opa een por.
Ze liepen verder de Tafelstraat in, enkele meters verder gingen ze links het
smalle knusse Hilariusstraat in. Naast elkaar lopen ging gevoelsmatig lastig,
Louis liep schuin achter zijn opa. Opa keek schuin achter zich naar zijn
kleinzoon en zei: ‘Grappig straatje he, bijna hilarisch’ en moest er zelf om
lachen wat hij zei.
Aan het einde gingen ze naar rechts, het Lange grachtje in. Links waren boogjes
te zien die een muur vormde. Nu kon Louis iets vertellen: ‘Dit is van de Eerste
Stadsomwalling he opa, die boogjes maken de muur sterker.’ Opa knikte
instemmend. Het was een rustig deel van de stad, na al dat lawaai en vertel was
het ook weer prettig een soort pauze te houden. Ze liepen het straatje uit.
Recht voor hen was een brede straat met een groenstrook in het midden. Opa wees
half naar de brede straat maar liep rechts op, gevolgd door Louis. Hij
vertelde: ‘In het midden van de straat liep vroeger het riviertje de Jeker en
draaide vanuit ons gezien naar links. In dit gebied woonde veel leerlooiers.’
Ondertussen liepen ze daar waar de doorgaande weg naar rechts draaide,
rechtdoor het Kleine Grachtje in. Hier links ook weer delen van de Eerste
stadsomwalling. Opa: ‘En weet je dat in die boogjes hier op straat kleine
huisjes hebben gestaan?’ Louis dacht even na of hij zich dat kon herinneren
maar zei niets. Ondertussen kwamen ze bij een bocht, naar rechts. Opa wees naar
het huisje tegen de muur in het verlengde van de straat en zei: ‘kijk, dat is een
dergelijke oude aanleunwoning, die is blijven bestaan, de andere zijn eind
negentiende eeuw afgebroken.’ Ze kwamen bij de Lenculenstraat, daar gingen ze
naar links.
Toneelacademie
Na enkele tientallen meters gelopen te hebben zagen ze aan de linkerkant een
soort grote binnenplaats. Ze liepen door de poort naar binnen. Links en rechts
stond een groot gebouw, achteraan was een openluchttheatertje gebouwd. Ze keken
even om zich heen toen opa weer begon te vertellen: ‘hier heb je de
Toneelacademie, de plek waar mensen als Pierre Bokma, Peter Blok, Yvonne van
den Hurck, Daan Schuurmans, Hadewych Minis, Frederique Huydts, Stefan Sassen,
Anne Wil Blankers, Boris van der Ham, Liz Snoijink en Huub Stapel hun diploma
behaalde. Tien procent van de aanmeldingen wordt maar aangenomen en dat wil dus
nog niet zeggen dat ze ook allemaal een diploma krijgen. Monique van de Ven,
Jeroen van Koningsbrugge en Carice van Houten hebben hun opleiding aan deze
opleiding niet afgerond.
Of het nu nog zo is weet ik niet, maar als je het gebouw naar binnen ging liep
je tussen spiegels door, eerst rechte spiegels en verder bolle als
lachspiegels. Hun aangezicht werd vervormd. Zijn ze die spiegels voorbij is
weer alles normaal. Toneel is naar waarheid zoeken. Als acteur leer je de
beheersing over je lichaam en al je emoties. De opleiding hier in Maastricht
kenmerkt zich als een brede degelijke schoolse opleiding. Waar acteurs alle
aspecten van het toneelspel leren. Naast de opleiding tot acteur is hier ook de
opleiding tot regisseur en docent en zijn er ook mensen opgeleid als Sjoerd
Pleijsier en Maria Goos die bekende tv-series en toneelstukken hebben
geschreven.
Je zou denken dat Louis eerder in bekende sterren geïnteresseerd zou zijn als
in gebouwen, maar niets is minder waar. Hij vroeg: ‘Is dit gebouw vroeger een
klooster geweest?' De oud studenten zijn voor de leeftijd van Louis nu
niet direct populaire mensen, maar deze vraag van zijn kleinzoon verbaasde opa
toch een beetje. Des al niet te min gaf hij gewoon antwoord: ‘Het gebouw rechts
is in drie delen gebouwd als weeshuis voor protestantse kinderen. Katholieke
weeskinderen woonde in het gebouw op de hoek waar we net dat straatje
uitkwamen. Van 1690 tot 1912 was er het weeshuis. Toen het weeshuis hier
vertrok is er een museum in gekomen, het museum dat later het Bonnefantenmuseum
werd. In de jaren vijftig kwam hier de Toneelacademie en later ook de
Kunstacademie en Conservatorium bij. De twee eerste hadden een katholieke
grondslag al werd daar niet de nadruk opgelegd. Ondergronds zijn deze gebouwen
met elkaar verbonden, het gebouw links is nog niet zo oud en daar bevond zich
de ULO, de vervolgschool van de basisschool.’ Nu had Louis weer genoeg
gehoord.
Universiteit van Maastricht
Ze begonnen weer te lopen, verder de straat door waardoor ze
bij een andere straat uitkwamen. Daar gingen ze naar rechts. Links bevond zich café
de Tribunal. Een zeldzaamheid dat opa een café steeds verder achter zich liet
zonder het die dag bezocht te hebben. Wat hij wel deed was twee keer hard door
zijn neus inademen. En dat herhaalde hij. Toen Louis het straatnaambordje zag
begreep hij het, ze waren in de Bouillonstraat aangekomen. Ze liepen
ondertussen op de linker stoep. Langzaam liep de stoep links omhoog. In plaats
van naar links te kijken waar de stoep naar toe ging keek hij naar rechts en
stopte. Een groot gebouw bekeek hij. Louis stopte ook en keek eveneens naar het
grote gebouw met een toren en links een balkon, en vroeg: ‘wat is dit voor een
gebouw?’
Opa had deze vraag uitgelokt en nam zich de tijd een antwoord te geven. ‘Dit is
een van de vele gebouwen van de Universiteit Maastricht. Die universiteit is er
officieel sinds Juliana 1976 in de Servaaskerk een handtekening zette. Begonnen
met de oprichting van een medische faculteit waarbij toen wel al de ambitie was
er een zelfstandige universiteit van te maken. De andere medische faculteiten
konden de vraag niet aan en zo moest er een nieuwe universiteit komen. In die
tijd was in Zuid-Limburg door de sluiting van de mijnen veel werkeloosheid. Om
dit te compenseren en omdat men vond dat het onderwijs in Nederland moest
aansluiten bij het buitenland, koos men voor de internationaal gelegen stad
Maastricht als vestigingsplaats van de nieuwe universiteit.’
Ondertussen kwamen luid Engels sprekend studenten voorbij en opa wachtte even.
Toen deze voorbij waren ging opa weer verder: ‘Bij de start van iets nieuws kun
je ook bedenken wat je wilt gaan doen. Enerzijds moet het aansluiten bij andere
universiteiten om geloofwaardig in de wetenschap te zijn, anderzijds moet men
zich ook onderscheiden. Zo werd er bedacht om het zogenaamde probleemgestuurd
onderwijs in te voeren. Studenten gaan dan in kleine groepjes bij
elkaar zitten, krijgen een opdracht, een probleem, voorgeschoteld. Dan gaan ze
met elkaar overleggen, gaan kennis vergaren over dit onderwerp en komen
vervolgens na overleg tot een gezamenlijke oplossing. Onderzoek onder oud
studenten leert dat ze bovengemiddeld goed kunnen overleggen, communiceren en
zelfstandig kennis kunnen vergaren.‘
‘Wat is dat voor een gebouw’ vroeg Louis en keek links naar een laag oud gebouw
met twee halve boogjes in de gevel aan een parkje. Opa: ‘Dat is de voormalige
gouvernementswacht, een wachthuisje om het gouvernement te beschermen.
Voor dat de universiteit in dit gebouw kwam’, en ondertussen keek opa gevolgd
door Louis weer recht vooruit, ‘was hier het gouvernement, het provinciehuis
zoals ze dat in Nederland noemen. Rechts van de toren bevonden zich de
kantoren, links de representatieve ruimtes en erachter de woning van de
gouverneur. Achter dit gebouw is een mooie grote tuin. Voor dat dit gebouw er
in de jaren dertig kwam, stond er op dezelfde plek een ander gouvernement dat
niet meer voldeed. Na veertig jaar voldeed het ook niet meer, wellicht te
klein, en gingen naar een nieuw gebouw dat half in de Maas staat. De vorm van
dat gebouw is dezelfde vorm als Limburg. De Statenzaal, de belangrijkste ruimte
in het gebouw, staat op de plek van Maastricht. Uiteraard.’
De aandacht van Louis was er nog, hij vroeg: ‘waarom hebben ze niet een groot
nieuw gebouw gebouwd waar de universiteit in kon komen?’ Opa: ‘Toen bekend werd
dat er een universiteit in Maastricht kwam borrelden er plannen op waar deze
zou moeten komen. Een aannemer bedacht al een plek waar nu de Céramique is. Dat
was toen nog een half braak liggend fabrieksterrein. Dat werd het niet. Lange
tijd is er wel gedacht om van Randwijck een soort universiteitsstad te bouwen.
Dat plan is gelukkig niet door gegaan, alleen een nieuw ziekenhuis dat aan de
medische universiteit verbonden werd en nog enkele gebouwen werden gebouwd in
Randwijck.’
Opa slikte even, keek rechts naar de Tribunal en vertelde verder. ‘Nee, er is
gekozen om in verschillende oudere gebouwen in de stad de universiteit te
huisvesten. Hier tegenover zit nu de Rechtenfaculteit, in een oud klooster
achter ons, de hoofdzetel, om de hoek een stukje verder ook in een klooster de
Economische faculteit. En zo heb je in tientallen gebouwen in de stad de
universiteit. Dat heeft het grote voordeel dat de vaak historische gebouwen een
goede bestemming hebben gekregen en de binnenstad een stuk verlevendigd werd.
Maar er waren nog meer voordelen. Bijvoorbeeld, omdat de universiteit hun
bibliotheek in de oude bibliotheek en stadsarchief kon huisvesten, kon de stad
in de nieuw te bouwen stadswijk Céramique een nieuwe populaire bibliotheek
met horeca en culturele activiteiten als trekpleister realiseren.’
‘Verlevendiging, wat is dat opa?’ vroeg Louis. Opa: ‘Er zijn ruim vijftienduizend
studenten aan deze universiteit verbonden, de helft ongeveer uit het
buitenland, ruim honderd nationaliteiten. Die wonen met al hun gebruiken en
vrijheden in de stad. En dan heb je nog ruim drieduizend medewerkers die hun
eigen cultuur en rijkelijk gevulde beurs hebben. Er gebeurt dus veel in deze
stad.’
Er fietsten enkele studentes in een zelfde soort jasje met vereende krachten
het bergje naar boven. Louis zag opa er naar kijken en vroeg: ‘Zou u ook nog
graag student willen zijn?’ De pretoogjes van hem verraadde wat hij graag zou
willen zijn, maar schudde zijn hoofd en zei: ‘nee, daar ben ik toch echt te oud
voor. Kijk, om te leren ben je nooit te oud, maar dat feesten bij de
studentenverenigingen is wel een levensfase die achter me ligt.’
Louis had de levensfase waar opa het over had nog niet bereikt en vroeg:
‘hebben we hier in Maastricht dan ook studentenverenigingen?’’ Opa knikte
van ja en zei: ‘Vanaf het begin en eigenlijk nog eerder. In 1971 werd
Circumflex opgericht. Niet voor de universiteit maar voor de vijf
kunstopleidingen in Maastricht. De Toneelacademie, Jan van Eyckacademie,
Stadsacademie voor Toegepaste Kunsten, de Limburgse Academie voor Bouwkunst en
Conservatorium. Toen de universiteit er bij kwam mochten ook die studenten er
lid van worden en toen kreeg het ook een andere naam, Circumflex dus. Genoemd
naar het accent circonflexe, alles onder één hoedje. Destijds een links
clubje. Als commissie van de universiteit voor student en personeel werd
Koördinatie Kommissie, KOKO, in het leven geroepen dat later werd omgezet naar
een zelfstandige studentenclub en werd in 1982 Tragos opgericht als echte
traditionele studentenclub met al hun rituelen. Daarnaast heeft de hotelschool
een eigen studentenclub, Amphitryon. Ook zijn er enkele grotere sportverenigingen
waar Roeivereniging Saurus de grootste van is, Toneelvereniging Alles is Drama
en politiek actieve organisaties. En dan heb je nog enkele tientallen
studieclubs en zelfstandige disputen. Maar het is niet zo dat elke student wel
ergens lid van is. Die drie grootste clubs hebben elk slechts enkele honderden
leden.’
Henric van Veldekeplein
Langzaam nam opa afstand van het universiteitsgebouw, hij liep verder omhoog.
Louis zweeg en volgde hem. Ze liepen het smalle straatje door naar boven en
kwamen bij een plein met een hekwerk rondom een plantsoen. Het was er stil. Aan
de overkant twee middeleeuwse kerkgebouwen, een groot complex en een kerk met
een hoge rode toren. En verder aan het plein grote statige huizen. Inmiddels
stonden ze stil en te kijken naar datgene te zien was. Opa zag dat het
hoofd van Louis iets voorover was gezakt. ‘Begin je een zwaar hoofd te krijgen
van al die informatie’ vroeg opa aan Louis. Hij knikte voorzichtig van ja. Dan
moet ik het maar kort houden bedacht opa zich.
In plaats dat opa begon te spreken hield hij nu zijn mond. Na even gewacht te
hebben keek Louis naar hem met een uitdrukking van “wanneer begint hij nu”. Dat
was het teken dat opa weer verder kon gaan met vertellen. ‘De grote kerk, de
Servaasbasiliek, die je recht voor je ziet is de oudste kerk van Nederland.
Servaas, de eerste Bisschop van Maastricht stierf in het jaar 384 en werd even
buiten de stad begraven langs de Romeinse weg waarlangs de stad ontstaan was.
Die plek waar hij begraven is zie je achter je, dat is de plek waar de kerk
gekomen is. Servaas was eigenlijk wel een belangrijke persoon. Hij zou een
verre neef zijn van Jezus Christus, een bloedverwant dus. Volgens een legende
zou hij via een visioen dè sleutel van de hemelpoort in Rome van Petrus hebben
ontvangen. Hiermee kon hij iemand wel of niet toelaten tot de hemelpoort.
Iemand wel of geen vergiffenis geven. Zelfs als iemand al gestorven was
kon hij vergiffenis verlenen voor wat hij uitgespookt had zodat deze alsnog
naar de hemel zou kunnen gaan. Na de dood van Servaas bezochten van heinde en
verre pelgrims zijn graf. Eerst werd er een houten gebouwtje op zijn graf
geplaatst. Dat werd vervangen door steen. De latere bisschop Monulphus bouwde
in de vijfde eeuw een kerk boven zijn graf gebouwd en deze werd in de
eeuwen erna nog enkele malen verder herbouwd, vergroot en aan de tijd
aangepast. Cuypers, je weet wel, Cuypers, heeft in zijn tijd, de tweede helft
negentiende eeuw, de kerk in zijn kenmerkende neo-classistische middeleeuwse
stijl aangepast. Een eeuw later is tijdens de laatste grote onderhoudsbeurt dat
weer grotendeels teniet gemaakt. Onder het altaar, de crypte is het oudste deel
en daar is het graf van Servaas te vinden en nog steeds te bezoeken.
Tussentijds is het graf wel opengemaakt om zijn botten als reliek uit te
reiken. De plek waar hij nu ligt is min of meer nog steeds hetzelfde als waar
hij destijds voor het eerst is begraven. De deurdorpel waar hij al honderden
jaren ligt is centimeters diep uitgesleten van al die bezoekende pelgrims.’
Opa slikte weer even, keek om zich heen maar zag alleen maar biermerkloze
gevels. Hij ging verder: ‘Al vrij vroeg was er een abdij, links van de
huidige kerk. Daar is ook een begraafplaats geweest met zeker tweeduizend
graven. Op de plek waar nu de dakkapel is, rechts van de zogenaamde lange gang,
was vroeger de refter, de eetzaal. De straat links behoorde vroeger ook tot het
klooster. Er hebben vele verbouwingen plaatsgevonden. Rond 1200 zijn die bogen
ontstaan om de zogenaamde westbouw tegen te verstevigen. Begin tiende eeuw
ontstond er een kapittel dat, op Aken en Luik na, met 40 kanunniken een van de
belangrijkste werd van de verre omgeving. In de glorietijd werkte er voor het
kapittel 250 personen. Elf dorpen waren onderdeel geworden van de Servaas,
Banken van Servaas genaamd. In de buurt heb je de banken Heer en Keer en
Berg van Verblijd met de Monulphus en Gondulphuskerk en Tweebergen waarnaar de
voormalige Tweebergenpoort genoemd is. Het gebied hier was ook een soort
eigen staat, met eigen rechtspraak, met een muur er om heen. Op sommige plekken
was dat een behoorlijke muur. Toen de Eerste Stadsomwalling werd gebouwd kwam
het kapittel van Servaas en ook het kapittel van Onze Lieve Vrouwe binnen de
ommuring te liggen. De kanunniken bleven totdat de Fransen het in 1794 verboden
en alles opgeheven moest worden.’
Het hoofd van opa draaide iets naar de kerk met de rode toren en ging verder:
‘De Sint Jan werd rond 1200 gebouwd als parochiekerk van de Servaas. De Servaas
werd daarmee ontlast van de parochianen en hadden de kanunniken en pelgrims
meer ruimte. In 1632 mochten er ook protestanten hun geloof en kerk hebben in
Maastricht en kregen de Sint Jan en de Mathias aan de Boschstraat. De Mathias
ging later weer terug naar de katholieken. Deze Sint Jan bleef voor de
protestanten. In de toren, die ook nog eens geel en wit is geweest, hing vroeger een
klein klokje die het signaal gaf dat de stadspoorten gesloten of geopend konden
worden. De Duitsers hebben deze in 1943 meegenomen. De toren zelf is bijna
tachtig meter hoog. Hoger als deze kerk mag er in de stad niet gebouwd worden.
Langzaam draaide het hoofd van opa en iets later van Louis weer terug naar de
Servaasbasiliek en in hetzelfde tempo vervolgde opa zijn verhaal: ‘Grameer, het
Maastrichts woord voor grootmoeder heeft hier ook een plaatsje gekregen.’ Huh,
dacht Louis, ligt oma hier begraven?’ Opa vervolgde: ‘twee keer zelfs, in de
tuin de eerste en in de toren de tweede.’ Nu begon Louis het wel heel erg
vreemd te vinden, is opa twee keer getrouwd geweest vroeg zij zich af. Het
antwoord kwam ook van opa: ‘de Grameer is de naam van een grote klok. Slechts
enkele keren per jaar wordt deze geluid, het wordt dan ook stil in de stad.
Afhankelijk van de wind klinkt deze kilometers ver. Er is ook een apart
klokkenluidersgilde. Zes mensen moeten tegelijk aan het touw trekken om de ruim
zes duizend kilo zware klok te laten bewegen om te luiden. Tijdens het luiden
worden die zes klokkenluiders ook één voor één afgewisseld. De eerste klok is
van 1515 maar daar is in 1850 door verkeerd luiden een scheur in gekomen en
begon ze een beetje hees te klinken. In 1983 werd er met een officiële laatste
slag afscheid van de oude Grameer genomen en heeft ze een plaatsje gekregen in
de tuin van de kerk. Ook de nieuwe klok is feestelijk weer in gebruik genomen.’
Beleefd knikte Louis, opa schudde voorzichtig zijn hoofd van links naar rechts
en zei: ‘bim, bam, bim, bam.’ Om vervolgend voorzichtig zijn wijsvinger naar
boven te richten en zei: ‘Nog één ding wil ik je over de Servaas nog vertellen,
de Heiligdomsvaart. Sinds het begin van de veertiende eeuw ontstond de
Heiligdomsvaart, dan werden de relieken getoond aan het volk. Die vond en vindt
nog steeds plaats om de zeven jaar. Er is wel een onderbreking van de nodige jaren
geweest. Al eeuwen lang kwamen tot uit het verre buitenland pelgrims naar de
stad toe. Voor de bewaking van de stad was dat wel spannend want je wist nooit
met welke plannen ze precies naar de stad kwamen. Er was dan ook extra bewaking
nodig. Kanunniken klaagden wel eens dat de pelgrims zo arm waren en vooral zo
erg stonken. Zo dadelijk laat ik je aan het Vrijthof de dwerggalerij zien. Van
daar uit werden dan de relieken aan het volk getoond. Maar het was lastig om de
buste van Lambertus, het Zwarte kruis van Wijck, buste van Servaas maar vooral
ook de Noodkist langs die galerij te manoeuvreren.’ Opa trok even met zijn oog,
zou hij moe van zich zelf worden, dacht Louis, maar hij ging verder: ‘Vorige
eeuw zijn ze begonnen met een zogenaamde ommegang, werd het geloof door de stad
uitgedragen. Dan is er ook kermis. De Servaaskermis vindt nog steeds plaats in
de stad rond de sterfdag, 13 mei. En in september, toen ooit de Servaas
ingewijd is, heb je de grote kermis. Tijdens de ommegang worden ook verhalen uitgebeeld
en zijn in de periode van de Heiligdomsvaart tallozen activiteiten te doen om
mensen met een eigentijdse boodschap van Servaas aan het denken te
zetten.‘
Zoveel zin had Louis niet meer om te denken. Ze liepen samen verder richting de
bogen maar gingen achter het plantsoen rechts de trappen af. Links bleven ze
nog even kijken naar het bergportaal, een oude ingang van de Servaas waar
talloze beelden te zien waren. Louis begon langzaam richting Vrijthof te lopen
en draaide zich naar het plantsoen. Nu was het opa die volgde. Louis vroeg:
‘wie is die man op de sokkel midden op het plein die me zit aan te kijken?’.
Opa: ‘Veldeke, Henric van Veldeke, de eerste Nederlandse schrijver, leefde in
de twaalfde eeuw. En weet je waarom hij zo bekend is geworden?’ Louis schudde
van nee. Opa: ‘Niet omdat hij een goed Nederlands verhaal schreef maar omdat
hij een stuk in het Maaslands dialect schreef, zeg maar het Limburgs. Hij vertaalde
de Servaaslegenda vanuit het Latijn en wel in dichtvorm. Daarmee is het verhaal
voor de eeuwigheid vast gelegd. Wil er wel bij zeggen dat niet alles juist hoef
te zijn wat er geschreven is. Het verhaal werd pas eeuwen nadat Servaas
gestorven was beschreven. Daar kan dus wel de nodige ruis in zijn verschenen.’
Bij de zijstraat tussen de kerktoren en het plantsoen wees opa de straat in en
zei er bij: ‘Daar aan het einde van de straat bevond zich de Staarzaal. Dat was
het clublokaal van een zangkoor met dezelfde naam. Die zaal had een prachtige
akoestiek. Er zijn ook verschillende muziekopnamen gemaakt voor artiesten. In
1969 zat de zaal vol langharig tuig, zo stond in de krant te lezen. De later
wereldberoemde band Pink Floyd had er een optreden gegeven waar ze overigens
bar slecht speelde. Wie in diezelfde zaal ook niet perfect speelde maar wel
gezelligheid wist te maken was André Rieu met zijn Maastrichts Salonorkest, de
voorloper van het Strausorkest. De dag na carnaval speelde ze enkele jaren
achter elkaar het zogenaamde Hieringbieteconcert. Bekende deuntjes op klassieke
wijze waar de zaal gezellig op mee zong, met een glas bier in de ene hand en
een haring in de andere hand. Die haringen zijn de bodem geweest van het succes
geweest dat hij later over de hele wereld heeft gekregen.’ Zowel Rieu als Pink
Floyd was nu niet bepaald het soort muziek dat Louis op zijn oortjes had staan.
Ze kwamen aan op het Vrijthof.
Het Vrijthof
De straat waardoor ze het Vrijthof opkwam lag iets hoger en
zo hadden ze een goed overzicht en toonde het grote plein nog groter. Ze
bleven even staan. Louis keek rond, opa focuste zich iets rechts van het
midden. ‘Eigenlijk wel een ruim plein, hebben ze hier huizen voor afgebroken om
dit plein te maken, net als het Thermenplein?’ vroeg Louis. Opa begon al
langzaam naar de overkant te lopen en zei: ‘Het is niet uitgesloten dat hier
enkele lemen huisjes hebben gestaan maar meer ook niet. De reden dat ze het
hier niet gebouwd hebben is dat het hier vroeger drassig was. Alles wat je hier
neerzette zakte weg. Vroeger stonden hier ook auto’s geparkeerd, die
bevinden zich nu allemaal onder de grond. En achter ons hebben ze een tijd
geleden allerlei skeletten uit de bodem opgegraven.’ Automatisch begon Louis
wat sneller te lopen, opa lachte in zichzelf. Ze liepen rechtstreeks naar café
de Vogelenstruys. ‘Kijk’ en opa wees iets links van het midden op een grote
narrenkop hoog bovenop de gevel. Ondertussen liepen ze stevig door, staken de
straat over en namen plaats bij de Struys".
Een combinatie tussen kijken wat er te zien is en tintelende
voeten. Zonder pijn aan de voeten kwam de ober al aanlopen en nam de
bestelling op. In klasse gelegenheden zoals deze weten ze precies wie wat
besteld heeft, maar dat was deze keer niet zo moeilijk. De pils was voor opa en
de cola voor Louis. Na een eerst slok kon opa weer makkelijk spreken: ‘Het
wordt hier al meer dan vijfhonderdvijfenvijftig jaar de Struis genoemd. En het
zou kunnen zijn dat het te maken heeft met de bijzondere struysvogeleieren die
zich in de schatkamer van de Servaas bevinden.’ Er volgde een tweede slok pils
en vervolgde met: ‘Je bent hier in de zogenaamde huiskamer van Maastricht. In
dit café ontstond ooit het Preuvenemint en talloze andere initiatieven, hadden
ooit een olifant op bezoek, maar het Vrijthof-plein is toch het echte centrum
van de stad. Vreugde of verdriet in de stad speelt zich af op het Vrijthof.
Concerten, toernooien, feesten, voorstellingen, militaire parades, processie,
kermis, carnaval, grootschalige voorstellingen, hoog bezoek, wedstrijden,
benefietacties, demonstraties. Het speelt zich allemaal af op dit plein. En dat
al eeuwen lang. Oja, met name in de vorige eeuw het flaneren over het Vrijthof.
Het Vrijthof op en neer lopen om gezien te worden.’ Opa keek het Vrijthof op en
neer en zag in zijn rijke fantasie de gesoigneerde dames in hun mooie gebloemde
jurken lopen, onder de arm bij de heren in een sjiek kostuum met hoed, alsof
hij naar een oude zwartwitfilm aan het kijken was.
Louis keek strak naar een gebouw met boogjes aan de overzijde van het plein en
vroeg: ‘wat is dat voor een gebouw met boogjes op de benedenverdieping.’
Opa nam nog een slokje en vertelde wat er te zien was: ‘Dat is de Hoofdwacht,
daar werden de sleutels van de stadspoorten bewaard en van daaruit werden ook
de orders uitgedeeld en vonden de parades plaats op het Vrijthof. Ooit vertelde
mijn opa me dat onder de luifel aan de gebouwkant een rij inkepingen in de
grond waren aangebracht waarin de geweren rechtop kunnen staan. Die zitten er
nog steeds. Het gebouw dat er nu staat is een kleine driehonderd jaar en wordt
momenteel voor promotionele doeleinden gebruikt. Links ervan de Servaas. Die
boogjes die je in het ronde deel van het gebouw ziet, is de dwerggalerij waar
ik het net over had. Daar waar de relieken aan het volk getoond werden. Links
die gekleurde poppetjes is het Zaate Heremeniekes monument. Als eerbetoon aan
de Mestreechter Vastelaovend en de voor Maastricht kenmerkende “zaate
hermeniekes”, in het bijzonder. Ook het initiatief voor dit monument ontstond
hier in de Struys. Het rode gebouw links is het zogenaamde Spaans Gouvernement.
Een van de eerste woonhuizen van Maastricht, van een kanunnik, binnen het
gebied van de Servaas. Victor de Stuers heeft het ooit gekocht om het te
vrijwaren van sloop en om er een stadsmuseum in te vestigen. Ondanks de
gemeente het destijds onder die voorwaarde van Stuers geschonken kreeg is die
voorwaarde pas vrij recent in vervulling gegaan. Het Museum aan het Vrijthof is
er nu in gehuisvest.’
Ondertussen nipte opa weer aan zijn glas. Louise had zijn glas al bijna leeg en
dronk zijn laatste cola op. Opa vertelde verder: 'Die nar die ik je liet zien
was van het pand van de Momus-sociëteit. Die werd in de negentiende eeuw
opgericht door jonge middenstanders van Maastricht. Het motto was Plezeer en
Sjariteit, plezier en zorg voor de medemens. Na de afscheiding van België begon
het met een carnavalsoptocht. Dit smaakte naar meer, de Momus werd opgericht.
Oorspronkelijk en waarschijnlijk de eerste carnavalsvereniging van Nederland.
Ze brachten enige basis in de carnaval die tot die tijd alleen maar bestond uit
dronken sloebers en feesten bij een sociëteit voor het rijke deel van de
bevolking. Momus is de god die in zijn kritiek niemand spaarde, ook de
zogenaamde bovenlaag niet. Een soort verbinding tussen de onder- en bovenlaag
in de stad. Ze deden meer als alleen carnaval. Ze organiseerde tal van andere
culturele activiteiten in de stad. Het Maastrichtse dialect, dat in
tegenstelling van de Franse taal dat door de hogere kringen werd gesproken,
werd Maastrichts door alle lagen van de bevolking gebruikt en gestimuleerd. Dat
het dialect nu nog steeds zo verankerd is in de samenleving is voor een deel
daar aan te danken. Ze hadden ook een zogenaamde armenkas die het arme deel van
de eigen bevolking ondersteunde maar ook bij rampen buiten de stad. Een van de
projecten die ze organiseerde was een soepkeuken waar soep werd uitgedeeld. Een
ander project was de oprichting van een oude mannenhuis waar oude mannen een
mooie oude dag konden krijgen. Het zottengetal elf komt overal in terug. Te
beginnen met een eigen grondwet van elf artikelen. Ook in het clubhuis van de
Momus kom je elf steeds weer tegen. Het pand is elf meter breed, de feestzaal
elf meter diep en de het zijn twee keer elf balusters op het balkon. Maar daar
waar de carnavalsoptocht langs het huis trok van Momusleden, brandde er elf
kaarsen achter het raam. Zelfs de contributie is een tijd elf gulden geweest. Na de eerste wereldoorlog werd het met de
Momus-sociëteit allemaal minder en is nog met pijn en moeite in 1939 het
eeuwfeest gevierd. Na de Tweede Wereldoorlog werd de carnavalsvereniging De Tempeleers
opgericht en hebben het organiseren van het carnaval voortgezet in dezelfde
gedachtegang. De elf kanonschoten met het kleine momuskanon waarmee de carnaval
van start gaat herinnert nog aan het Momustijdperk. Ook de spreuk “gekheid mair
neet boete de schraum” dat zoveel betekent dat je wel gek kunt doen maar dat je
niet moet overdrijven stamt uit die tijd en geldt nog altijd. Carnaval is een
groot feest dat alleen maar leuk kan zijn als iedereen zijn of haar grenzen
kent. In het land hebben ze nog wel eens het idee dat carnaval alleen maar gaat
om veel zuipen en ranzigheid. In Limburg is niets minder waard, in feite is het
een heel beschaafd feest.’ Opa liet zijn gedachte even gaan en zei: ‘als je
carnaval begrijpt drink je bier uit een glas en niet uit een plastic
wegwerpbekertje.’ Hierna dronk opa het laatste restje pils weg en zette het
glas respectvol op de tafel en keek er naar. Louis keek ook naar zijn leeg glas
waar ooit cola in zat.
Vervolgens keken opa en Louis naar elkaar. Dat was genoeg dat opa zijn hand in
de lucht gooide voor een nieuw rondje. Snel kwam de ober en die vroeg: ‘pils en
cola?’ Opa knikte en voegde er aan toe: ‘en een portie bitterballen’. De ober
vertrok weer en nam de lege glazen mee. Niet veel later kwam de ober en
zette het pils voor opa met het brandbierlogo naar voren gedraaid en voor Louis
het glas cola. Bij de bitterballen ging het mis, het schaaltje gleed uit zijn
handen en de bitterballen rolde over de tafel. Lichte paniek, ‘beter rollende
bitterballen dan rollende koppen’ reageerde opa lachend. De ober excuseerde
zich en raapte de gevallen bitterballen op. Eentje was op de grond gevallen en
raapte hij ook op. Hij nam ze mee terug om niet veel later een nieuwe portie
ballen te brengen. Tevens veegde hij het tafeltje af.
‘Waar komen die rollende koppen opmerking eigenlijk vandaan?’ vroeg Louis toen
de ober weg was. ‘Pas op!’ riep opa en trok zijn benen snel omhoog, ‘een
rollend hoofd!’. Louis trok een flauw gezicht, maar zo heel raar was die
opmerking niet. Opa vertelde: ‘Zie je daar die stenen paal bij de
Helmstraat en Grote Staat staan?’ Louis knikte en opa ging verder. ‘Dat is de
Peroen, een symbool dat deze stad behoorde bij de Bisschop van Luik. Meer
steden die bij de Bisschop van Luik behoorden hebben een peroen, Tongeren,
Maaseik, Munsterbilzen, Stavelot, Vervier, Spa, Theux, Villers l'Evèque en Luik
natuurlijk. Sinds de twaalfde eeuw staat er, met enkele onderbrekingen, een
peroen op het Vrijthof. Bij die peroen werd recht gesproken, in dit geval voor
de zogenaamde Luikse bewoners. Daarnaast stond standaard het schavot waar de
lijfelijk straffen werden voltrokken, om recidive te voorkomen hihi. Eén van de
mogelijke straffen was dat de kop met de guillotine werd afgehakt. Tja, dan
rolde die kop, ook over het vredelievende Vrijthof. En soms werd het lichaam
daarna nog eens gevierendeeld. Als de kop niet te ver was weggerold kon hij
zelf toekijken hihi.’ Louis verslikte zich in de cola.
Opa dacht al aan zijn volgende onderwerp en zei tegen Louis: ‘Zie je die
onthoofding en vierendeling al voor je op een schilderij uit de zeventiende
eeuw?’ Louis keek alsof zijn cola zuur was geworden. Opa: ‘Aan de zuidkant van
het Vrijthof had je vroeger Noortman zitten. Een van die panden tussen de twee
horecapanden vanaf de hoek en het grote gebouw met het bordes. Noortman is een
groot kunsthandelaar geweest die aan de wieg van de TEFAF heeft gestaan, de
grootste kunstbeurs ter wereld die elk voorjaar in Maastricht plaatsvindt.
Noortman was handelaar in voornamelijk schilderijen uit de zeventiende eeuw die
soms miljoenen waard waren. Hij was ook kunstadviseur van de grootste
kunstmusea van de wereld. Ereburger van de stad en nog meer onderscheidingen.
Twee jaar nadat hij stierf kwam uit dat hij opdracht had gegeven een kunstroof
hier in zijn galerie op het Vrijthof te plegen en daarmee de verzekering voor
ruim vijf miljoen op te lichten. Hij had zelfs een meesterwerk in de openhaard
verbrand dat onvoorstelbaar is dat een kunstliefhebber dit zou doen. Het bleek
ook dat hij in zijn jonge jaren lid was van een bende kaskrakers en andere
dubieuze zaakjes deed, maar hier nooit voor veroordeeld was omdat hij ook
politie-informant was.’
Even keek Louis op van achter zijn colaglas op, opa vertelde met vers
spreekwater weer onvermoeibaar verder: ‘Dat brede gebouw met bordes is het
Generaalshuis. Nu Theater, ooit politiebureau, bibliotheek, muziekschool en
heel lang geleden was op die plek het Wittevrouwenklooster waar Marieke van
Nimwegen ronddwaalde. In de negentiende eeuw, in de tijd van de Belgische
revolutie, woonde er Generaal Dibbets, de hoogste militair bevelhebber in de
stad. Bijna heel Limburg was door de revolutie Belgisch geworden, hij had er
voor gezorgd dat Maastricht bij Holland was gebleven, als een enclave in het
opstandige Belgische land. Toen later Limburg verdeeld werd tussen Holland en
België bleef Maastricht bij Holland horen en werd het gebied tussen Maastricht
en Brabant ook weer Hollands. Nederlands Limburg is dus een soort
verbindingsweg tussen Maastricht en Brabant’ en opa dronk nog eens aan zijn
pils. Louis zijn aandacht was meer bij de cola als het verhaal van opa.
Opa ging verder: ‘Maastrichtse bewoners wilde liever bij België. Bourgondisch
België leven past veel meer in de levensfilosofie van de Maastrichtenaar als
het calvinistisch Nederland. Maar Dibbets pakte iedereen aan die vóór
België was. Burgers werden beperkt in hun vrijheden. Zijn optreden maakte hem
niet geliefd in de stad. Net voor de officiële indeling van Limburg stierf hij.
Soms met het nodige tumult werd zijn graf enkele malen verplaatst. Nou ja, niet
zijn graf, het monument dat op zijn graf stond. Zelf hebben ze hem ergens laten
liggen en zijn hem kwijt geraakt. Hij lag bij de Boschstadspoort waar de
Hollanders hem een ereplaats hadden gegund. Maastrichtenaren dachten er anders
over. Menig opa vond het prima als de kleinkinderen tegen het graf plaste. Weet
je ook waarom jij net je tweede cola hebt gekregen.’
Louis had ondertussen genoeg gehoord en was niet meer echt aan het luisteren.
Opa keek naar zijn glas en vertelde ondertussen dáár tegen: ‘Het grafmonument
staat ondertussen bij de Tapijnkazerne en zal met dat bijtende urinezuur
tussentijds vast zijn opgeknapt. Er staat ondertussen een extra hekwerk omheen.
Begrijpelijk trouwens dat de kazerne uit de twintigste eeuw niet naar de
omstreden Dibbets is genoemd. Om het in historisch perspectief een beetje recht
te trekken waren destijds de, zoals we dat nu noemen, de zakelijke mensen wel
voorstander om zich bij Holland aan te sluiten en heeft Dibbets een bevel
uitgevoerd om Maastricht voor Holland te behouden.’
Het glas cola was inmiddels leeg en Louis vroeg aan opa: ‘gaan we?’ Opa
begreep dat hij ondertussen genoeg had verteld en dat verder vertellen niets
meer zou toevoegen. Hij rekende af en ze vertrokken, liepen schuin over het
Vrijthof richting de Statenstraat, links van het generaalshuis.
Onderwijl ze liepen vroeg opa aan Louis, ‘ben je het nu eens wat op dat
tegeltje staat op het toilet, “uit gouden korenaren schiep God de
Maastrichtenaren, uit het restant de overige van het land”’. Louis moest even
denken. Maastricht werd gesticht door de Italiaanse Romeinen, Servaas kwam uit
het buitenland, het beeld van de Maastrichter Geis werd gemaakt door iemand uit
Haarlem, Castorius kwam ook al niet uit Maastricht, Pierre Cuypers kwam uit
Roermond, Victor de Stuers vertrok naar Den Haag. Fransen en Hollanders kwamen
hier de dienst uitmaken, de Universiteit kent ook al vele nationaliteiten. Tja,
wat hebben de Maastrichtenaren nu eigenlijk zelf gedaan? Hij keek met een
schuin oog naar de Mc Donald. Stopte met wandelen. Opa stopte ook. Louis keek
verder om zich heen, nam eens diep adem. Bedacht zich wat er allemaal in het
rijke verleden op dit plein had afgespeeld. Het plezier, genieten, samen
verdrietig zijn. De straatjes waar ze net door liepen, de gevelstenen, de
muziekkorpsen, de mensen, het culturele rijke leven, opa die zo enthousiast vertelde. Er verscheen een glimlach op het
gezicht van Louis en zei: ‘ja opa, het is een heerlijke geweldige stad. De
spreuk dat “God de Maastrichtenaren schiep uit gouden korenaren” geloof ik wel,
maar dat “de rest geschapen is uit het restant” weet ik nog niet. Veel van die
"restanten" hebben juist bijgedragen aan het mooie karakter van de
stad. Bovendien kan een dergelijke spreuk wel voor heel veel steden gelden. Kan
niet zeggen dat het mooier en beter is. Maar
na vandaag ben ik wel weer een beetje meer van de stad gaan houden.’
Capucijnenstraat
Opa zweeg even. Samen liepen ze de Statenstraat in en wees even verder rechts naar
een soort inrit om een stuk die richting op te lopen. Hij zei: ‘Kijk, daar heb
je een stuk muur van de Eerste Stadsomwalling, tot enkele jaren geleden stonden
daar gewoon huizen tegen aan gebouwd.’ Ze liepen weer terug naar de
Statenstraat, rechts naar beneden en
kwamen bij de kruising met de Grote Gracht uit. Opa: ‘Hier bevond zich vroeger een stuk
verdedigingsgracht en hebben ze gedempt. Rond het jaar 1300 hebben ze de tweede
omwalling gebouwd. De Eerste omwalling is blijven staan en werd toen gebruikt
om ook aan de veldzijde huizen tegen de muur te bouwen. Niet dat hoekhuis
rechts aan de overkant maar rechts daarnaast was ooit de bierbrouwerij Marres.
’
Langzaam liepen ze rechtdoor de Capucijnenstraat in. Opa vertelde door: ‘Dat
pand liep door tot de Capucijnenstraat. Honderd jaar lang hebben ze hier bier
gebrouwen dat in vaten aan cafés verkocht werd. Onder andere aan de Vogelstruys
waar we net waren. Marres was een familie die ruim 300 jaar ononderbroken bier
heeft gebrouwen. Heb toch de vrouw getrouwd.’
Louis begon een beetje lastig te lopen. Opa ratelde maar door met zijn mond: ‘Korte
tijd is het gebouw daarnaast in de Capucijnenstraat een klooster van de
Franciscanen is geweest. In het zijstraatje rechts heb je achteraan de oude
kapel van het Capucijnenklooster die, zoals ik eerder vertelde, onder andere
hebben gezorgd voor de pestlijders. Links in de Capucijnenstraat heb je de
kapel van de Ursulinezusters. Deze zusters hebben voor een groot deel de
scholing verzorgd van de meisjes in de stad, van de kleinste tot de grootste in
verschillende niveaus. De meeste gebouwen links zijn als scholen gebouwd waar
de zusters les gaven. Ook op veel andere plekken in de stad zijn scholen van de
Ursulinen geweest. De huidige scholen in de stad hebben vrijwel allemaal hun
oorsprong bij de zusters of broeders van de Beyart die het onderwijs van de
jongens voor hun rekening namen. Dat schoolgebouw met uitspringende ramen en
stukje doorlopend betonnen dak, is de kweekschool geweest waar de zusters tot
onderwijzers werden opgeleid. Het pand links met die inrijpoort is ook van de
familie Marres geweest en verkocht geworden en wordt sinds die tijd voor
culturele doeleinden gebruikt.’
Louis begon steeds moeilijker lopen, niet meer met de benen naast elkaar maar
beetje kruislings. Onverstoorbaar ging opa verder: ‘In het straatje links hier,
in de hoek is de achterzijde van de Broeders van de Beyart en rechts had je
vroeger de zusters van de Misericorde waar we de wandeling begonnen waren. Zie
je wel, hier rechts heb je weer de voormalige brandweerkazerne, links een vrij
recent wooncomplex ontworpen door de Luikse architect Vandenhove die ook
diverse andere bouwwerken in heel Nederland heeft ontworpen, herkenbaar aan de
ronde daken. De Herbenusstraat is genoemd naar een kanunnik van de Servaas. Eén
van de eerste humanisten van Nederland, dus een levensovertuiging zonder God.
Hij schreef in 1485 een van de eerste stadsbeschrijvingen over... Maastricht
natuurlijk.'
Ondertussen verlieten ze de Capucijnenstraat en kwamen aan de ruime
Statensingel. Opa bleef onvermoeid uitleggen: ‘Deze Statensingel maakt deel uit
van de zogenaamde singels die om de stad zijn aangelegd nadat de stad geen
vesting meer was. Achter de huizen aan de overkant heb je de Hoge Fronten, de
vestingwerken buiten de vesting, met droge grachten om de vijanden buiten de
stad te houden. En daar rechts voor je, daar staat de auto. Die lange wandeling
met al die verhalen hoe geweldig mooi en goed het hier in Maastricht is zorgen
er vast wel voor dat je blij bent als je weer in de auto kunt zitten.’ Louis
keek een beetje moeilijk naar opa en zei: ‘ik heb twee cola op, ik moet
plassen!’
Rebolim©2018
BRONNEN:
Boeken: Tweeduizend jaar Maastricht, 1991;
De kleine geschiedenis van Maastricht, 2016; Historische Atlas van
Maastricht, 2005; Beeldig Maastricht, 1983; Het Verdrag van Maastricht
25 jaar later, 2017; De verbeelding van
Maastricht, 2015; Jaarboek Maastricht 1963, 1964; van Ravelijn tot
rivelusie, 2005; Maastricht, een visie op de toekomst, 1964;
Historische Encyclopedie, 2005;Tweeduizend jaar Maastricht, 1991; De
monumenten van geschiedenis en kunst in Maastricht I en II, 1974; De
weg naar het paradijs VM38, 2003; De
kunst van het Maasland II; Kloosters in Limburg, 2017;
Monumentengids Maastricht, 2001; Ons fatsoen als natie, Victor de
Stuers, 2004; Pierre Cuypers, 2015; Ons aller Vrijthof, 1972; Het
Sphinxterrein SWIAM 5, 2000; Een wandeling door Maastricht VM6, 1985;
Van Helpoort tot De Heeg, 1980; Maastricht, Historie van steden en
dorpen, 1968; Loop naar de pomp VM11, 1988; Gebeiteld en Verguld VM18,
1991; Toneel toneel altijd toneel, 2000; Universiteit Maastricht 25
jaar jong, Het Maastricht experiment, 2016; 2001; Heiligdomsvaart
Maastricht, 1962; Publications 2015,
2016; Maastricht, Maestricht, Mestreech, MM65, 2002; De affaire
Noortman, 2017; Jaarboek SHCL, 2016. Internet:
petitcafemoriaan.nl;anderetijden.nl/stokstraat; historiek.net;
Sphinx.nl; blikopdewereld.nl; maastrichtuniversity.nl; tempeleers.nl;
Marres.nl. Tijdschrift: Zuiderlicht, maart 2011
Klik hier
om terug te keren naar 'Opa vertelt'
|
|