Opa vertelt Louis over de stadswijken van Maastricht
|
||
|
|
De oostelijke (deel Sint Maastenspoort, Heer, Eyldergaard, Vroendaal)
In Hier ‘Mag deze plaat eens gedraaid worden’ vroeg Louis aan zijn opa. Ze waren samen een stapel grammofoonplaten aan het bekijken, van die zwarte schijven van vinyl waar een klein half uurtje aan muziek op staat die ze ook wel lp, longplayer noemen. Louis had een plaat in zijn hand met de titel “Leedjes oet de aw does”, liedjes uit de oude doos. De grammofoon was zelf al zo’n vijftig jaar oud, dus dat moesten wel hele oude liedjes zijn die er op stonden. De naald onder aan de arm van de platenspeler kwam in de groef en na enig gekraak was het liedje “In Hier” te horen. Stemmen die de professionele status nog niet hadden bereikt die om de beurt coupletten zongen en een koor dat gezellig het refrein zong. Ze luisterde samen aandachtig naar de tekst: “In Heer dao is ’n hermenie, dee besteit mer oet ‘ne maan of twie, fiederelala, fiederelala, fiederelalalala. In Hier daor is ’n voetbalclub, die laam en stief ’t veld op krup, fiederelala, fiederelala, fiederelalalala. In Hier dao is ‘ne plesieagent, dee loert de kinder op hun zóndagscent, fiederelala, fiederelala, fiederelalalala. In Hier dao is ‘ne grote weeg, dee liekent vaol op ‘ne boeteweeg, fiederelala, fiederelala, fiederelalalala, In Hier daor is ‘nen Hebios, daor zitte alle steulkes los, fiederelala, fiederelala, fiederelalalala. In Hier is ‘nen Herdershond, deel óp daor in zien bloete kónt, fiederelala, fiederelala, fiederelalalala. In Hier daor is ‘ne gemeinteraod, dee späölt mèt huive oppe straot, fiederelala, fiederelala, fiederelalalala.” De naald werd weer uit de groef gehaald, even was het stil. ‘Het gaat toch over die woonwijk Heer hè’ vroeg Louis aan opa die bevestigend knikte. ‘Is het daar echt zo’n onderontwikkeld gebied’ vroeg Louis op ontwikkelde toon. Opa zijn hoofd wiebelde wat op en neer om aan te geven dat het allemaal wel meeviel met die onderontwikkeldheid. Opa: ‘Zullen we gaan kijken?’ Het hoofd van Louis maakte een duidelijke ja-beweging. Opa belde even met mama of het goed was als Louis met hem mee ging. En toen dat geen probleem was fietste ze niet veel later bij de spoorwegovergang de Heerdeweg op. De stapel grammofoonplaten bleven ongedeerd liggen. Heerderweg Een
brede straat met weinig groen. Wel veel auto’s. De weg hobbelde een
beetje. Er kwamen auto’s langs en was niet echt een straat om naast
elkaar te fietsen, maar ze deden het toch en zo kon opa gaan vertellen.
‘Deze straat is zo’n honderd jaar geleden ontstaan. Er werden
woonhuizen gebouwd maar ook vooral veel ondernemingen vonden er een
plek. Ook werden in deze straat de eerste woningen gebouwd van
bouwvereniging Sint Servatius.’ Louis bleef nog even op de weg letten.
De rijbaan verschoof nog wel eens van links en naar rechts, de hobbels
op de weg, een verkeersdrempel, auto’s en dan ook nog opa die naast hem
fietst en verteld.Aan het uiteinde van de weg kon je links of rechts, ze gingen links. Opa: ‘We fietste over de Heerderweg en hier dwars op deze weg heb je de Heerderdwarsweg, nu achter ons. In de jaren vijftig hebben ze hier een industrieterreintje gebouwd. Die grauwe gemoedelijkheid van de gebouwen is niet meer economisch genoeg. Eén voor één worden ze afgebroken en vervangen door nieuw.’ Heugemer overlaat De
hoofden draaide kijkend naar het ruime zicht, daar waar nog niet
gebouwd was en kriskras van wegen voorzien was. En dat op diverse
hoogtes. Op de horizon een tweetal grote hotels en een vrijstaande
schoorsteen met de letters “Sibema”. Ze staken een rijbaan over die de
Groene Loper genoemd wordt en stopte aan de zijkant van een breed
fietspad. ‘Hier onderdoor loopt de tunnel met de autosnelweg hè opa’
wilde Louis bevestigd hebben. Opa knikte weer en begon te
vertellen: ‘voor de tunnel er was had je hier bovengronds de
autosnelweg. De aanleg van deze autoweg was hier ooit aangelegd omdat
deze strook onbebouwd was. Hier was namelijk de Heugemer-overlaat.
Vanaf Heugem kwam hier met een bocht om Wijck heen in de winter het
overtollige Maaswater. Er zijn destijds enkele maatregelingen genomen
om de stroming in de Maas te verbeteren waardoor de overlaat niet meer
nodig was.’Er verscheen een vingertje bij opa dat wees naar de Heerderweg waar ze vandaan kwamen en zei daarbij: ‘kijk, om van Maastricht naar Heer te gaan kwam je van de Heerdeweg en ging je zo naar de Akersteenweg’ en het vingertje wees de andere kant op. En vertelde verder: ‘die liep dus door de Heugemer-overlaat. En om ook bij hoog water Heer te bereiken was er een soort lage brug gemaakt, een meter of twee hoog, waar over een lengte van ruim honderd meter het water onderdoor kon stromen.’ Omdat er nu allerlei wegen in andere richtingen waren is het lastig voor te stellen dat er een simpele weg naar Heer is geweest. Maar als je goed kijkt lijkt het opeens wel weer logisch. Opa’s hoofd draaide continu van de Heerderweg naar de Akersteenweg en vertelde tussendoor: ‘Omdat een winterbedding als deze overspoelt kon worden door Maaswater, zag het er best wel ruw uit, als een echt buitengebied. En dan kom ik bij het liedje van net uit, met dat couplet over die buitenweg in Heer. Ja… dat ligt eigenlijk wel voor de hand dat een weg hier op een buitenweg lijkt. Zeker vanuit het oogpunt van een verstedelijkt Maastricht.’ Ondertussen had Louis het van opa overgenomen om van de Heerderweg naar de Akersteenweg te kijken en terug. ‘Maar opa’, wilde Louis weten, ‘kwamen hier dan ossen, ezels en hondenkarren en mensen met versleten schoeisel langs?’ Opa glimlachte even, en antwoorde: ‘dat niet alleen, maar ook een heuse tram.’ Louis keek even niet naar de Heerderweg en Akersteenweg maar naar opa en vroeg: ‘een tram?’ Opa knikte weer en zei: ‘Veertig jaar waren er plannen om zo’n trambaan in het Limburgse Heuvelland aan te leggen. In 1922 kregen de metropolise plaats Wijlré via de eveneens metropolise plaats Gulpen een tramverbinding met Vaals, in 1925 kwam de verbinding tussen Gulpen en Heer tot stand en vier jaar later werd die lijn doorgetrokken van Heer naar Maastricht. Hier over deze overlaat, over een houten brug. In 1938 kwamen de bussen sterk op en verdween de tramverbinding weer. Tussen hier en Vaals kun je nog op delen zien waar ze destijds dijken hebben aangelegd en waar ze hele delen hebben uitgegraven om het spoor aan te leggen. Op sommige plekken waren de normale wegen te stijl voor de tram en moest er een omweg met het spoor worden gemaakt.’ Louis dacht aan de gele trams in de Amsterdamse binnenstad, die luid bellend en met veel kabaal onder een elektrakabel reden, nee dat kon hier toch niet zijn en zo lang geleden en vroeg: ‘maar wat is dan een tram en wat is het verschil tussen een trein en een tram?’ Opa: ‘Een tram rijdt over rails langs of over de normale wegen tussen en bij het andere verkeer. Een trein heeft een eigen rails en die doorkruist normaal alleen wegen voor auto’s. Trams zijn dan ook kleiner dan treinen. De tram die hier gereden heeft was trouwens de grootste in zijn soort. Eén van de trams die hier gereden heeft rijdt nog steeds en wel in Hoorn-Medemblik. Wel als historisch exemplaar.’ Misschien wel eens leuk om zo’n ritje mee te maken bedacht Louis zich. Nijverheid Ze gingen verder. Links een groot schoolgebouw dat in het midden verbonden was met een modern bouwwerk dat ook weer verbonden was met het volgende gebouw in de straat. Opa keek er naar en begon te vertellen: ‘dit is de voormalige technische school. Een ontwerp van Boosten die wel meer bijzondere bouwwerkjes heeft ontworpen. Hier in de buurt, in de stad en buiten de stad. Het kwam er begin jaren zestig in twee etappes. De school was vierkant met in het midden de open speelplaats en er om heen de leslokalen, praktijklokalen en fietsenstalling. Toen de school gesloten werd is een deel afgebroken, maar dit deel hebben ze vanwege de monumentale waarde laten staan en zijn studentenkamers geworden. Na de afbraak is er een modern schoolgebouw voor in de plaats gekomen met een verbinding met een andere voormalige school. Het is nu een erg groot gebouw geworden.’ Bij de rotonde gingen ze rechts en volgde de weg, onder het viaduct door tot de volgende rotonde. Opa: ‘Wat je hier ziet aan hoogteverschillen is ontstaan toen de A2 en ook weer de Willem Alexandertunnel is aangelegd. Toen hier de Heugemer-overlaat is gedempt en de weg naar Heer is aangelegd is er veel grond gestort. Met de tram is veel leem aangesleept. De tramweg is behoorlijk horizontaal geweest.’ Bij
de volgende rotonde gingen ze driekwart, links de Nijverheidsweg in.
Hier vertelde opa verder: ‘De naam van deze straat zegt het eigenlijk
al, Nijverheid. Hier is destijds het industrieterrein van Heer
aangelegd. De meeste nijverheid is inmiddels weer verdwenen. Zelfs de
naamgever van deze straat, betonfabriek De Nijverheid.’Ze stopte aan de poort tegenover een straat van links, waar een stukje verder een grote schoorsteen stond met in het groot de letters “Sibema”. Opa keek even rond waar hij met zijn verhaal wilde beginnen. Hij keek naar de schoorsteen en begon: ‘Hier op de hoek waar het hotel nu is was de Sibema, de melkfabriek. Hier maakte ze melk’ en knipoogde even naar Louis. ‘Aan de Statensingel in Maastricht had Coöperatie Servatius een melkfabriek laten bouwen maar die was te klein geworden. Met steun van de Coöperatieve Zuivelvereniging Zuid-Limburgse werd hier in 1961 een grote nieuwe fabriek geopend met vestigingen in Sittard, Beek en Maastricht. Vandaar de naam SiBeMa. Ze maakte er allerlei melkproducten waaronder ijs. Jaarlijks werd hier vijfentwintig miljoen liter melk verwerkt. Zo'n duizend veeboeren uit de buurt leverde hier hun koeienmelk af in melkbussen, vaten van dertig liter. Ze konden hier achttienhonderd melkbussen per uur verwerken. In 1986 werd de fabriek gesloten en vrij snel daarna afgebroken. Campina had het overgenomen. Als herinnering aan de fabriek is de schoorsteen blijven staan. Op zich wel vreemd, de fabriek heeft slechts vijfentwintig jaar gefunctioneerd, dus zo bijzonder is dat nu ook weer niet. En zo’n toren vergt best wel de nodige kosten aan onderhoud.’ Louis bleef aandachtig luisteren, opa kon verder: ‘Als we bij de rotonde rechtdoor waren gegaan, langs de voorzijde Sibema, over de Sibemaweg, kwamen we vanzelf op de Philipsweg bij de voorzijde van de Philipsfabriek.’ Louis was nu heel aandachtig aan het luisteren. ‘Hier werden onderdelen van radio’s gemaakt. Philips is ook al vertrokken maar het gebouw staat er nog wel. Nu zit er Pie Medical in, een softwareontwikkelaar voor de medische sector’ vertelde opa verder. Louis keek een beetje ongezond. Opa draaide zich naar de 1 Juliweg, tegenover de poort waar ze stonden en wees even de straat in en ging verder: ‘Aan de overkant van de weg, rondom de Mockstraat, had je metaalfabriek Darley en houthandel Caspar Vliegen en nog enkele ondernemingen.’ Het was allemaal van ver Louis zijn geboorte en knikte maar. Hij had wel een vraag aan opa: ‘Ik zie daar een bordje staan met 1 Juliweg, wat is er toen gebeurd, heeft dat iets met de oorlog te maken?’ Opa schudde van nee en voegde daar aan toe: ‘vertel ik je straks wel. Er is toen iets verdwenen, iets weggegaan.’ Heer onder de kerk De
focus ging weer naar de weg waar ze stonden en fietste weer verder. Opa
mompelde even binnensmonds: ‘Nijverheid… weg, Sibema… weg,
Philips….weg, m-m-m… weg.’ Ze kwamen langs enkele nog wel bestaande
ondernemingen. Ze kwamen bij een kruispunt met de Demertstraat dat ze
overstaken.Bij een y-splitsing rechts over een pleintje. De “Verzetsstraat” was er op een bordje te lezen met in het rechter plantsoen een standbeeld van een zittende man. Zou het een verzetsstrijder zijn dacht Louis. Wel raar dat een verzetsstrijder zittend wordt afgebeeld. Er staat zelfs een hekwerk om het plantsoen, dat heeft toch niets met vrijheid te maken. Opa bracht ook niet echt meer duidelijkheid, hij zei: ‘De student die ergens in de jaren vijftig het hoogste cijfer van dat jaar had behaald voor beeldende kunst op de kunstacademie in Maastricht, mocht een beeld maken en dat staat nu hier.’ Ondertussen was recht voor hen de kerk te zien die zich op hoogte bevond, een stuk hoger dan waar ze fietste. Aan het einde van het straatje fietste ze naar rechts en bij het kruispuntje weer naar links. Bij het plein aangekomen stopte ze even. ‘Zo opa, wat is er over dit plein te vertellen?’ vroeg Louis met een glimlach op zijn gezicht. Een glimlach die hij terug kreeg van zijn opa die inderdaad weer begon te vertellen: ‘We zijn hier op het Plein Sint Petrus Banden. Het is hier altijd erg vochtig geweest en dat zie je ook terug in enkele straatnamen die ze hier hebben: Bronweg, Langwaterstraat en Heerderbroek. Bronweg omdat hier bronnetjes zijn geweest, Langwaterstraat omdat er een riviertje is geweest dat zo heette en als er “broek” in een straatnaam voorkomt heeft dat altijd met nattigheid te maken.’ Louis: ‘een natte broek dus’ en moest vooral om zijn eigen opmerking lachen. Opa ging verder: ‘In Heer hebben we te maken met Maasterrassen. Soort trapjes gevormd doordat de Maas zich hier ingesleten heeft in de bodem. Die terrassen hebben ook namen, we staan hier op het Terras van Geistingen. De kerk die we net zagen staat een stuk hoger dan we nu zijn, die staat op het terras van Eisden Lanklaar. Door al het water dat ondergronds van het Terras van Eisden-Lanklaar afkomt is het hier vochtig, in vroegere tijden zelfs nat. Deels is dat opgelost met riolen. Maar als er stortbuien komen kunnen die riolen en grondwater die grote hoeveelheden water die je dan hebt niet verwerken, en dan krijg je dat de kelders en tuinen onder water lopen, straten blank komen te staan, putdeksels die openspringen. En dat is vervelend.’ Louis knikte begrijpend, opa ging verder: ‘Om dat op te lossen hebben ze hier een ondergronds waterbassin gemaakt. Zeven meter diep en een omtrek van honderd zevenenzestig meter dat de bulk aan water bij stortbuien kan opvangen en langzaam weer laat weglopen zodat ze hier de laarzen uit kunnen laten, de dweil droog blijft en de kelders niet meer opgeruimd hoeven te worden.‘ grijnsde opa. Louis bleef even nadenken. Louis: ‘Maar wat heeft Sint Petrus nu met banden te maken, autobanden zijn toch van veel latere datum?’ Opa moest even lachen, maar hij wilde het wel uitleggen: 'Sint Petrus is de patroonheilige die hier in Heer vereerd wordt. Die Petrus lag aan kettingen geketend tussen bewakers omdat hij aan een opstand meewerkte. Toen kwam er een engeltje. En dan bedoel ik een echt engeltje, niet je moeder of zo. Die hebben Petrus bevrijd van zijn kettingen, banden genaamd. En sinds die tijd is Petrus de man als bevrijder. Niet de engeltjes, die verdwenen weer richting de afwas.’ Louis kende opa ondertussen wel dat hij dit verhaaltje niet helemaal serieus moest nemen. Rondom de oude kerktoren Ze
reden verder en merkte dat ze naar het hoger gelegen gedeelte van Heer
fietste. Louis stapte als eerste af, nu kon opa ook afstappen. Ze
liepen door tot de T-splitsing, daar bleven ze even staan. Je zou
kunnen denken dat opa even moest uitrusten. Maar nee, hij begon weer
met vertellen. ‘Hoe oud Heer is kunnen we niet meer precies
achterhalen. We hebben een document gevonden uit 1224 waarin er staat
dat er schepenen zijn, zeg maar wethouders. Er was toen al iets van een
georganiseerd bestuur. Uit 1292 stamt een document waarin staat dat er
al een hele poos een parochie is zodat er ook al iets van een kerkje
was. Een ander document dat gevonden is gaat over Scharn waar we straks
nog komen. Dat gaat over een kapel die er staat waarin verwezen wordt
naar de moederkerk van Heer en dat stamt uit 1150, hele oude documenten
dus.’Louis knikte ernstig omdat hij onder de indruk was van de oudheid van de bestaande documenten. Hij probeerde mee te praten: ‘Maar Heer bestaat nog niet sinds de jaartelling, want toen werd pas Onze Lieve Heer geboren.’ Opa: ‘Haha, zou je kunnen denken dat Heer naar Hem genoemd is, maar we weten dat dit niet waar is.’ Louis knikte van ja, opa weet het altijd weer beter. Opa ging verder: ‘Waar het wel vandaan komt weten we ook niet precies. Er wordt gezegd dat het woord afkomstig is van Hara, als benaming van een legerkamp op een hoge plek. Ook wordt wel eens gezegd dat het staat voor zanderig gebied maar dat betwijfel ik. Volgens mij kwam in Heer pas het eerste zand toen ze het trottoir gingen aanleggen.’ Even keek opa schuin, door het straatje, naar de kerk. Hij wees er half naar en ging verder met vertellen: ‘Dit is niet de eerste kerk, minimaal de derde. Hier recht voor je stond en staan eigenlijk nog steeds de voorgangers. Wat we weten is dat hier in 1584 een erg bouwvallige kerk was. Maar veel langer ervoor moet er al iets geweest zijn. Er zijn diverse documenten bewaard gebleven die over de erbarmelijk staat van de kerk gaan en wat opgeknapt is. Ook weten we dat er een periode was waar burgers de kerk opknapte en betaald werden met bier. Mooie tijd was dat toch’ en een grijns van verlangen volgde er bij hem. Opa slikte even en ging verder: ‘Eind achttiende eeuw was de kerk erg bouwvallig geworden en in 1788 waren ze bezig een nieuwe kerk te bouwen. Getekend door de bekende Maastrichtenaar Soiron. Het kerkje had zeshonderd plaatsen in de tijd dat Heer zeshonderd bewoners had, bijna iedereen was katholiek. Maar er kwamen meer bewoners en het kerkje werd te klein. Daarom is in 1905 de nieuwe kerk gebouwd, met meer plaatsen. Zo lang de lengte van de oude kerk was, zo breed werd de nieuwe kerk.’ Opa keek weer terug, niet recht voor zich tegen de muur maar iets hoger waar een schoolgebouw stond, en zei: ‘ De oude kerk is blijven bestaan, die zie je hier voor je. Nadat de nieuwe kerk in gebruik was stond dit gebouw nagenoeg leeg. Incidenteel is het wel nog gebruikt voor een toneelvoorstelling of zo. Na enkele jaren is er een stevige verbouwing geweest, is er een vloer halverwege de kerk gemaakt. Toen is de meisjesschool opgericht, de Sint Annaschool en die werd hier in 1917 in gevestigd. Later, 1995, is er de kinderdagopvang in gekomen. Het is er nog altijd erg levendig in dat gebouw.’ Louis bleef aandachtig luisteren al vond hij school nu niet echt het meest boeiende tijdens zijn vrije dag. Opa vertelde gewoon verder: ‘Ook was er een toren. Toen ze in 1890 bezig waren aan de fundamenten van de toren, is de toren deze 1890 ingestort. Er was nog maar weinig van over en hebben hem maar verder afgebroken wat nog niet was ingestort. Die toren is toen niet meer herbouwd. Maar die fundamenten….’ En opa bleef even stil….. ‘hebben ze laten zitten……. en zijn heel oud. Hoe oud, ja, dat weten ze niet, daar zou een gedegen onderzoek naar moeten plaatsvinden over de tijd waarin de fundamenten van die toren gemaakt zijn geworden. Louis bleef luisteren naar opa die vertelde over wat niet te zien was. Opa: ‘Van begin zestiende eeuw zou met gemak kunnen. Maar het zou best kunnen zijn dat de het uit de tijd van de Romeinen stamt, dat ze op deze plek een uitkijktoren hadden gebouwd om op het verrukkelijke Maastricht, dat toen nog een schattig baby’tje was, uit te kunnen kijken.’ Louis moest even lachen alsof hij zelf weer even een baby was. Opa: ‘Het blijft gissen, maar als je het hebt over Heer met de betekenis legerplaats op hoog punt zou het zo kunnen zijn, maar zeker? Nee, dat weten we niet.’ Dorpstraat Ondertussen waren de kaken weer op standaardhoogte gekomen maar trokken toch weer even naar boven toe, richting de toren terwijl opa zei: ‘De klokken van de vorige kerk, met een exemplaar uit 1588, hebben ze naar deze kerk overgeplaatst. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden de Duitsers een tekort aan brons en hebben ze vele, vele kerkklokken in Nederland geroofd. Ook de klokken die hier in de toren hebben gehangen. Om het gemis op te vangen had de plaatselijke ijzerhandelaar Dotremont als alternatief een grote metalen deksel beschikbaar gesteld. En zo kon er toch weer met een klepel op een deksel geluid worden. Al klonk dat natuurlijk niet als een klokje.’ Een beetje beteuterd keek Louis omdat de historische klokken waren verdwenen. Inmiddels waren de kaken wederom op standaard hoogte gekomen en ging opa verder: ‘Vrij snel na de oorlog was de kerk toch weer voorzien van nieuwe klokken en die hangen er nu nog. Drie stuks nog wel. De kleinste klok weegt tweehonderdvijftig kilo en heeft de naam Maria gekregen. De middelste weegt op de weegschaal ’s morgens zevenhonderdvijftig kilo en heeft de naam Sint Joseph gekregen. Genoemd naar Huize Sint Joseph dat zeker destijds een prominente rol in Heer had. De grootste jongen weegt duizend kilo en is genoemd naar Gerardus, een Heilige die vroeger hier vereerd werd. Maar die aandacht voor Gerardus verschoof begin vorige eeuw meer naar de Redemptoristen van het Klooster van Wittem, waarschijnlijk omdat zij een korte pij droegen’ waarna opa even in zichzelf lachte. Ondertussen waren de kaken toch weer heel even naar boven gericht geweest. Zijn kleinzoon staarde even voor zich uit maar opa ging onvermoeid verder: ‘Deze kerk heeft nog iets bijzonders, het wordt bewaard in de grote tafel op het altaar. Namelijk een stukje van zo’n twee centimeter van de originele ketting waaraan de apostel Petrus ooit geboeid mee was, waaraan hij aan banden lag. De rest van de ketting is nog in het Vaticaan waar Petrus de eerste bisschop was.’ Na dit verteld te hebben was opa even stil. Dat is toch wel heel bijzonder. Het leek wel of Louis onder de indruk was dat van de wereldberoemde Petrus hier in de kerk een origineel stuk van de ketting was, hij vroeg: ‘Maar hoe komt dan die ketting bij het Vaticaan terecht? Je gaat toch niet vluchten met een opengebroken ketting? Diegene die hem gevangen hielden gaan toch niet informeren of hij interesse heeft in zijn opengebroken ketting en die dan later ook nog bezorgen?’ Hier moest opa toch even een antwoord op schuldig blijven. Met ‘kom maar verder fietsen’ probeerde hij het antwoord op de vraag te ontwijken. Ondertussen bewogen de kaken van opa van links naar rechts om de Dorpstraat te bekijken en vervolgens begonnen ze kleinere verticale bewegingen te maken, hij was weer aan het woord: ‘Hier ben je in de oude Dorpstraat, daar waar verspreid al eeuwen boerderijen staan, die ook weer vervangen zijn omdat ze ook weer niet zo deugdelijk waren gebouwd en de laatste eeuw de lege plekken steeds opgevuld zijn met nieuwe gebouwen, al dan niet gewone huizen. Hier, op deze plek, een beetje op de helling, was de kern van Heer. Nee dat was Heer.’ Ook Louis keek van links naar rechts en herinnerde zich van wat opa al eens eerder tegen hem had gezegd en vroeg ter bevestiging: ‘is dit de weg van Amby die tot ergens ver in België gaat, langs de rand van het Maasterras?’ Opa knikte bevestigend. Deed hem deugd dat zijn kleinzoon dit nog wist. Ondertussen waren ze weer begonnen met fietsen, rechts de Dorpstraat verder af. Maar bij het eerste zijstraatje rechts kneep opa al in de remmen en stopte. Louis volgde. Ze keken de Oude Kerkstraat in richting de voormalige kerk, waar later de Annaschool in kwam. Opa: ‘Zie je hier een politieagent?’ Louis knikte van nee en opa vroeg weer: ‘zie je hier kinderen?’ En weer knikte Louis van nee, opa weer: ‘zie je hier geld, zie je hier zakgeld?’ Weer knikte Louis van nee en begreep er niets van waar opa het over had. Opa weer: ‘Geen politieagent die naar de spelende kinderen kijkt om via een boete de kinderen hun zakgeld afhandig te maken.’ Toen begreep Louis waar opa op doelde, het liedje dat hij eerder die dag gehoord had. Opa: ‘Klopt ook niet, Rouvroi was toen een van de plaatselijke politieagenten van het toen zelfstandige Heer en was een hele grappige man, nou ja, zijn “breedpijpige” broek dan.’ Patronaatsgebouw Louis
schudde even zijn hoofd. Samen fietste ze een stukje verder tot de
eerste zijstraat links. Opa stopte en zette zijn fiets aan de overkant
van de zijstraat midden op het trottoir. Louis begreep dat opa weer
ging vertellen en zette zijn fiets ook op het trottoir, tussen de
straat en opa. Aan de linkerkant van de tegenovergelegen zijstraat
stond een ouder huis waar zich appartementen in bevonden en rechts van
de zijstraat een pand dat nog wel eens een café had kunnen zijn
in andere tijden.Nadat een voorbijrazende auto uit gehoorafstand was verdwenen begon opa met geluid te maken: ‘Daar waar nu appartementen zijn was vroeger het patronaat.’ Louis onderbrak opa en vroeg: ‘Maar wat is een patronaat dan eigenlijk?’ Opa: ‘Het klinkt als een gemoedelijk iets, en dat was het eigenlijk ook wel. Het was het gebouw waar de kerk activiteiten organiseerde en ondersteunde, natuurlijk op een bodem van christelijke waarde en normen. De patronaten verschenen als tegengeluid van de socialisten.’ Daar had Louis al eens eerder van gehoord en wist er van te vertellen: ‘Oja, de arbeiders die samen opkwamen voor betere rechten voor zichzelf terwijl de kerk samen goeds wil geven, dat ze gekregen hebben of zoiets.’ Opa: ‘zoiets’ en ging verder: ‘Allerlei clubs hielden er hun activiteiten en vergaderingen. De duivenclubs toonde er hun duiven, de harmonie blies en trommelde er op los, kinderclubs speelde er, dameskransjes kwebbelde er op los en er werden retraites gehouden.’ Louis fronste even zijn wenkbrauwen maar opa vertelde ongestoord verder: ‘Gebouwd als een gewoon groot landelijk huis, door de voor Heer veel betekende Desiree Leesens. Iemand waar ook een straat naar genoemd is. De bakstenen zijn hier ter plekke gebakken. Gebouwd rond 1860. In de voormalige kerk was eerst het patronaat ondergebracht. In 1921 heeft de parochie Heer het pand hier gekocht en kwam er het patronaat in. Enkele verbouwingen hebben er plaats gevonden. Zo is er een toneelzaal aangebouwd en een beheerderswoning gebouwd. Maar het bleef toch allemaal vrij eenvoudig van aard. In de oorlogsjaren is er een periode geweest dat er de Duitsers in zaten en is er een periode geweest dat de Amerikanen er in zaten. Niet gelijktijdig, dat leverde te veel strubbelingen op. In de jaren vijftig moest er echt iets met het gebouw gaan gebeuren om aan de tijd aangepast te worden. Daar was toen geen geld voor en zo is het in 1960 verkocht. Het patronaat verdween. Er kwam een bedrijf in en later werden er appartementen van gemaakt’ Even was het stil. ‘Opa’, vroeg Louis: ‘Die linker zijstraat van de Dorpstraat, langs het patronaat, is dit de Patronaats…. –weg?’ Opa grijnsde even en zei toen: ‘nee, niet de Patronaats….-weg maar de Kerhofweg en dat is er nog steeds’ en trok een lachend gezicht. ‘Wat wil ik je nog meer vertellen hier’ vroeg opa zich hardop af, maar het antwoord had hij ook al in zijn mond: ‘In 1953 werd in de zaal achter dit gebouw de Kaptein van Kopenick opgevoerd. Een musical oorspronkelijk geschreven in het Maastrichts dialect, geschreven door Fons Olterdissen. Het speciale hieraan was dat dit niet in het Maastrichtse dialect werd opgevoerd maar in het Heerder dialect. Heer heeft een eigen dialect, het is anders dan Maastrichts. Sterker, binnen Heer hebben ze zelfs nog verschillen in dialect.’ Louis was zich nauwelijks bewust dat er verschil in dialecten is in Limburg. Hij luisterde verder, opa sprak verder: ‘Dwars door Heer heb je namelijk een taalkundige grens lopen, de Panningerlinie.’ Louis keek een beetje bedenkelijk waardoor opa iets meer uitlegde: ‘Rond 1920 was er een man. Die fietste door Limburg en omgeving en vroeg zich af op de verschillende plekken waar hij kwam, hoe ze nu bijvoorbeeld die dingen aan voeten noemde. Laarzen op de ene plek, sjtievele op de andere plek, stievele op weer een andere plek, maar sjtievele kwam ook weer op andere plekken voor. Op de landkaart is toen een lijn getrokken waar aan de ene kant van die lijn vaak met een s in het begin van het woord gebruikt wordt en aan de andere kant van de lijn dezelfde woorden met sj beginnen. Dit verschijnsel zie je dus bijna verticaal door de provincie lopen, van Eijsden via kronkels naar Panningen in het noorden van de provincie. Vandaar de benaming Panningerlinie. Zo’n lijn met typerende taalverschijnsels kun je ook trekken in het oostelijk deel van Zuid-Limburg, om Kerkrade en Vaals. Ik noemde het verschil in s en sj, maar er zijn meer voorbeelden van. Daarnaast heeft elk dorp ook zijn eigen afwijkingen om het maar zo te noemen. Er is best een verschil tussen het dialect van Heer en Gronsveld, tussen Gronsveld en Heugem, tussen Heugem en Heer en tussen Heer en Maastricht terwijl ze naast elkaar liggen.’ Taalvaardig ging opa ongestoord verder: ‘Aan de oostkant van Heer wordt het Duits gekleurde sj gebruikt, aan de westkant de s en dat zie je ook weer terug in het Maastrichts. Aan de Maastrichtkant zit je op een “baank” aan de oostkant zit je op een “bank”. En zo hebben ze het in het Maastrichterzijde over “weej” en “deej” en is dat aan de andere kant “wae” en ‘‘dae” en zo kun je nog even doorgaan. Sinds 1920 is iedereen mobieler geworden en zijn de verschillen ook minder geworden, meer met elkaar vermengd. Zijn typische dialectwoorden vervangen door Nederlandse woorden. ‘Okee’ ging Louis verder, ‘dus we “staan” hier en als we aan de overkant van de straat zouden staan dan “sjtaan” we daar.’ Met een glim bevestigde opa deze conclusie. De Was Even
was het weer stil. 'Kom' ging opa verder, 'er is al veel verteld
maar we hebben nog wel een en ander te gaan.' Louis onderbrak opa even:
'ik begrijp dat er nog veel te vertellen is.' Zonder ook maar één woord
te zeggen knikte opa van ja.De Dorpstraat werd verder bereden, tot de eerste straat weer naar rechts, dit rustige straatje fietste ze in. Er waren oudere huizen te zien maar het was ook weer niet een beschermd dorpsgezicht te noemen. Ze fietste steeds sneller, de weg ging weer naar beneden. Onderaan bij de Was reden ze in redelijke vaart naar links. Die weg volgde ze. Helemaal links was ook een straatje te zien maar dat leek meer op een doodlopende weg. Opa: 'Dit noemen ze hier de Was. Het zou kunnen zijn dat tot hier het wassende water van de Maas kwam maar waarschijnlijker kwam uit de helling vroeger het bronwater en werd hier de was gedaan. Kom maar snel verder.' Ze bleven doorfietsen, bij de Demertstraat reden ze naar rechts om voorbij de bocht naar links te gaan en enkele meters verder links de Ridder van Heerstraat in te gaan. Suringarschool Ze
fietste langs de Suringarschool, behoorde niet tot de meest favoriete
gebouwen van Louis. Evenwel vertelde opa er iets over: 'Ruim honderd
jaar geleden is er een vereniging opgericht. Die verzorgde diverse
scholing op protestant-christelijke grondslag. Ze bouwde een eigen
school in het stadsdeel Wijck, langs de Franciscus Romanus weg,
tegenover de Platte Zaol. Omdat de leerlingenaantallen terugliepen en
het gebouw nodig een opknapbeurt nodig had was er toch een probleem.
Met een beetje hulp van de toenmalige Minister van Onderwijs Deetman,
zelf ook wortels binnen het protestants-christelijke, werd in
Eyldergaard een nieuw gebouw neergezet, in een wijk zonder school en in
de nabijheid van de ambonessenwijk waar een stabiel aantal leerlingen
van af kwamen. Over die ambonessenwijk straks meer. De school hield
vast aan haar protestants-christelijke waarden en de school groeide
weer. De school heeft geen extreme waarden hoor, er zijn ook katholieke
leraren. Er kwamen weer meer leerlingen, het gebouw werd weer te klein.
En zie, in het gebouw hier waar ooit basisschool de Burght was kwam de
Suringarschool plus kinderopvang. Diezelfde vereniging heeft ook een
school in Maastricht-west, de Emily Weslyschool.' Nu moest opa echt
stoppen met vertellen. Voorbij de school gingen ze naar rechts en bij
een oud gebouw met gracht stopte ze. Dat leek Louis weer een leuker
verhaal om aan te horen.De Burght Een
groot vierkant oud gebouw met een gracht er om heen, idyllisch brugje,
veel bomen. Wel een beetje ingeklemd tussen bebouwing en de
autosnelweg. 'Dat ziet uit als een oud gebouw' begon Louis. Opa knikte
en zei: 'het is nog ouder dan wat je ziet. We weten dat ze in 1070
spraken over een huis van de ridders van Here. Van latere datum weten
we dat rijproosten van het Servaaskapittel hier woonde.' Bij proosten
kon Louis zich nog wel iets voorstellen, maar rijproosten van het
kapittel van Servaas. Bedenkelijk kijken was voldoende om uitleg van
opa te krijgen.Even keek opa op zijn horloge alvorens hij begon: 'Vroeger had je het kapittel van Servaas. Die bestonden uit enkele heren die nogal wat bezittingen hadden in geld maar ook in gronden en zelfs complete dorpen. Banken werden die genoemd. Heer was zo'n dorp. Geregeld kwam de rijproost op bezoek om de zaakjes te regelen. Die proost verbleef hier. Hier was ook de kapittelgevangenis van die banken. Toen de Fransen eind achttiende eeuw hier kwamen en het voor het zeggen kregen werd het kapittel van Servaas opgeheven en werd de Burght verkocht. Daarna heeft het verschillende eigenaren gehad. Het is ook dikwijls in de loop van al die eeuwen verbouwd en opgeknapt. Eén van die eigenaren wist de binnenruimte te vergroten. Niet door aan te bouwen maar door delen van de dikke muren te verdunnen.' Weer keek Louis een beetje bedenkelijk. Er kwam geen antwoord van opa, ze fietste de weg terug, en reden tot de Haspengouw en gingen daar rechts. Molukse buurt Even
was opa stil, maar hij bewoog wel, hij fietste door de vrij smalle
straat. Ooit de Barakkenstraat genoemd. Toen ze al een stukje gefietst
hadden wees opa rechts op kleine witte huisjes zonder schuine daken. De
mond van opa kwam weer in beweging: ‘Deze huisjes zijn in 1961 voor
Molukkers gebouwd, ontworpen door de Maastrichtse stadsarchitect
Dingemans.’ Even was Louis verbaasd, hij zei: ‘Molukkers, dat zijn toch
mensen die van de Molukken komen, hebben die een eigen wijk gekregen?’Opa keek serieus. Hield even zijn mond en begon toen met uitleg. ‘Nederlands-Indië was ooit een kolonie, een stukje van ons Koninkrijk Nederland. Daar heb je een eilandengroep die de Molukken wordt genoemd. Die hadden ook een eigen leger, het Koninklijke Nederlands Indisch Leger, kortom KNIL. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam Japan er de macht over. In 1949 werd Indonesië uitgeroepen tot een onafhankelijke staat. Om meer zeggenschap te krijgen wilde een deel een eigen republiek oprichten, de Republiek Moluku Selatan. Afgekort de RMS en vertaald wordt dat de Republiek der Zuid-Molukken. De onafhankelijkheid werd uitgeroepen op vijfentwintig april 1950, die dag wordt nog jaarlijks gevierd. Het Indonesische leger herstelde echter het gezag. Nederland heeft destijds toegezegd de bewoners onafhankelijkheid te laten. Maar er was daar veel verzet onder de bevolking. Dat liep niet helemaal lekker. Voor de KNIL militairen en hun gezinnen werd de situaties er te gevaarlijk. Ze werden op bevel tijdelijk naar Nederland gehaald met grote schepen. Ruim twaalfduizend mensen werden in verschillende primitieve kampen in Nederland ondergebracht. Een deel kwam terecht in voormalige concentratiekampen van de Tweede Wereldoorlog. Terug in Nederland werd de KNIL opgeheven, de militairen hadden toen geen werk meer. Om de RMS weer terug te heroprichten lukte niet. Nederland hielp daar ook niet echt aan mee. Reden was dat de Nederlanders nog altijd bezig waren met de opbouw van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog en wilde ook niet echt de vingers branden aan Indonesië. De oud KNIL-mensen en hun gezinnen waren genoodzaakt permanent in Nederland te blijven. In plaats dat Nederland voor hen zorgde, moesten ze nu voor zichzelf gaan zorgen. Ze kregen wel woonruimte aangeboden en mochten als bevolkingsgroep samen blijven. Er werden verspreid over het land kleine wijkjes gebouwd met een kerk en gemeenschapshuis.’ Met dezelfde gezichtsuitdrukking als zijn opa merkte Louis op: ‘En dit is zo’n wijkje?’ Opa knikte van ja en ging verder met vertellen: ‘De eerste generatie kwam hier wonen, kregen kinderen en ook zij kregen weer kinderen. Nog steeds wil de nieuwe generatie bij elkaar blijven wonen of op zijn minst in de buurt van elkaar. Frustraties zijn er zeker geweest. Men had voor Nederland gestreden en voelde zich in de steek gelaten. Onrecht wat Nederland heeft toegezegd en vooral niet heeft gedaan. Opgegroeid met die frustraties zijn er onder een kleine groep jonge Molukkers van de tweede generatie in de jaren zeventig behoorlijke heftige fanatieke acties gevoerd waarbij ook mensen gedood zijn. De meest bekende acties zijn geweest een schoolgijzeling in Bovensmilde en de treinkapingen bij Wijster en de Punt. Je kunt je misschien wel voorstellen dat de plaatselijke bewoners van Heer en omgeving in die periode liever niet hier in de buurt kwamen. In de jaren tachtig is het fanatisme afgezwakt. Anno nu kunnen we stellen dat de Molukkers hun eigen identiteit goed hebben weten te behouden en zich tevens goed aan de Nederlandse samenleving hebben aangepast, goed geïntegreerd zijn.’ Even was Louis stil maar zei even later zachtjes: ‘Wij Nederlanders zijn toch niet perfect.’ Opa reageerde: ‘Het verhaal zit complexer in elkaar dan ik je net vertelde. Als je verschillende mensen er over hoort hoor je ook verschillende verhalen. Sommige dingen worden wel verteld maar ook sommige dingen niet. Zaken die verzwegen worden. Elementen van het verhaal die juist door bepaalde groepen mensen wel verteld worden. Waar lees je dat er door de oorlog zesduizend Nederlanders zijn gestorven? Waar lees je hoeveel Indonesiërs er zijn gestorven, Molukkers, Ambonezen. De trauma’s die verschillende mensen en hun gezinnen er aan over hebben gehouden. En dat om de macht.’ Even was het weer stil, Louis had nog een vraagje: ‘Wat zijn Ambonezen eigenlijk? Opa: ‘Mensen van Ambon, een van de eilanden waar de strijd het hevigst was.’ Eyldergaard Langzaam
fietste ze weer veder. Een stukje verder gingen ze links de straat in,
een straat met een aardige klim. Beetje slingerend fietste ze naar
boven. ‘Hier klimmen we weer een Maasterras op he?’ wilde Louis weten.
Opa knikte tussen zijn inspannende klim van ja. Halverwege reden ze
naar links en die weg was weer wat vlakker dan de weg rechts op die nog
verder omhoog liep. Nadat opa weer op adem was begon hij ook weer te
spreken. ‘We zijn in de Eyldergaard aangekomen. Een heel gemiddelde
wijk, met heel gemiddelde huizen met heel gemiddelde mensen. Hier en
daar staat een blokje appartementen, heel gemiddeld. Gebouwd begin
jaren tachtig en dat was de tijd dat het stratenplan voornamelijk uit
woonerven bestonden, met hier een daar een speeltuintje en een
grasveldje en een probleembankje voor de iets oudere jeugd. Heel
gemiddeld. Het is wel een wijk zonder voorzieningen als winkels, kerk
of café. Maar aan de ene kant heb je Heer met haar winkels en aan de
andere kant van de wijk heb je de wijk de Heeg die ook de dagelijkse
winkels heeft. Eerst hadden ze in de wijk nog een grote boom als
middelpunt in de wijk waarom heen van alles gebeurde. Maar die werd
ziek en is gekapt. Er is nog wel een club die enkele activiteiten per
jaar organiseert voor de wijk.’Ze fietste verder. Gemiddeld genomen hield Louis ook nu zijn mond. In tegenstelling tot opa, die hield nu ook even zijn mond. Ze hielden bij Y-splitsing links aan, eerste erf links de Breemakkergaard in en kwamen bij een groenstrook met speelvoorziening uit. Opa zette de fiets even op de staander en liep naar de haag aan de zijkant van de groenstrook. Hij deed pogingen door de haag te kijken. Zijn kleinzoon volgde. Huize Eyll Tussen
de struiken door zagen ze een groot landhuis. Het had iets stiekems zo
tussen de struiken door te kijken. Het leek wel of ze bij een superster
in de tuin stonden. ‘Is dit een huis opa?’ wilde Louis weten. Opa
knikte van ja en zei: ‘Ja, dit kun je geen huisje meer noemen. Ergens
in vijftienhonderd zoveel gebouwd, exacte datum is niet bekend,
en kreeg de naam Croonenhof. Aan het einde van de zeventiende eeuw werd
het eigendom van de familie van Eyll en sinds die tijd wordt het ook zo
genoemd. Een groot deel van de landerijen hier in de buurt behoorde tot
deze hof. Ook het gebied dat de Eyldergaard nu heet. Deel was een
boomgaard en er hoorde ook een grote tuin bij. Die tuin is een stuk
kleiner geworden, momenteel slechts nog een kleine hectare. Huize Eyll
heeft diverse bewoners gehad die er goed voor hebben gezorgd, bij- en
verbouwd hebben en verder verfraaid hebben. In 1789 heeft Gagini hier
diverse sierstucwerken aangebracht. Gagini klinkt Italiaans, komt uit
Zwitserland maar woonde gewoon in Maastricht. Het aanbrengen was wel
een vaardigheid die je niet op een doorsnee school leerde. De techniek
die Gagini hanteerde zag er schitterend uit maar je kunt niet echt
stellen dat hij zich in de loop der jaren ontwikkelt heeft, er is niet
veel verschil tussen zijn eerste en latere werken. In Maastricht en
omgeving is nog werk van hem te zien in het Stadshuis, kasteel
Borgharen, Itteren en diverse panden in de binnenstad.’Tussentijds waren ze weer uit de struiken teruggetrokken waar op verder ging: ‘In de periode toen hier de wijk werd gebouwd heeft de Provincie Huis Eyll gekocht zodat de Gouverneur Sjeng Kremers, de Commissaris van de Koning zoals ze in Nederland zeggen, er in kon wonen, en in de tuin prachtige plannetjes kon bedenken. Huis Eyll is toen weer helemaal opgeknapt. De Gouverneur, een mijnwerkerszoon, heeft door zijn harde manier van optreden veel vrienden gemaakt maar ook vijanden. Toen hij aantrad waren de mijnen nèt dicht en waren duizenden mensen werkeloos geworden. Vijfenveertigduizend mensen uit de mijn zelf, vijfendertigduizend bij aanverwante bedrijven. Ter compensatie van de werkgelegenheid heeft hij vele miljarden subsidies naar Limburg gehaald waar allerlei bedrijven mee zijn opgezet of daar aan hebben bijgedragen. De DSM, Bureau voor de Statistiek, Open Universiteit, Autofabriek in Born, uitbreiding Vliegveld Beek, vele Europese instituten in Maastricht, de Universiteit in Maastricht, Academisch Ziekenhuis Maastricht, het Maastrichts Expositie en Congres Centrum beter bekend als het MECC, etc.’ ‘Maar opa’ onderbrak Louis, ‘in Maastricht zijn toch geen mijnen geweest?’ Opa; ‘Ja, dat is waar, ja goh, ehh, tja, maar de inwoners van de Oostelijke- en Westelijke Mijnstreek mogen wel in de buurt van Maastricht wonen’ en opa kreeg het steeds benauwder. Even was hij stil en zei toen vrij hard: ‘Noujaaa, hij is gestopt als gouverneur. De vrouwen van de opvolgers van deze gouverneur hadden niet zoveel zin om te poetsen en zochten een kleinere woning. Het huis hier werd weer verkocht.’ De zon scheen mooi op de voorgevel. De fietsen werden gepakt en fietste de Winckelgaard in, voorlangs Huize Eyll. Het erf draaide naar rechts en kwam uit in de Ellecuylaard. Daar fietste ze naar links en volgde dit om in de Weerhuysgaard uit te komen. Hier, de hoofdweg van de wijk, weer naar links tot een rotonde met een grote bol in het midden. Vroendaal Louis was het kunstwerk langer aan het bekijken en vroeg na een tijdje: ‘En waarom staat dat het dan op deze plek?’ Opa: ‘Het is een geschenk aan de gemeenschap en een por aan de overheid dat kunstwerken niet alleen in de binnenstad horen maar vooral ook in buitenwijken.’ ‘En wie heeft de gemeenschap dit geschenk gegeven’ wilde Louis weten. Opa: ‘van het kunst liefhebbend echtpaar Van Sint Fiet, en die wonen hier links voor de rotonde.’ Dat huis werd bekeken. Een apart ontwerp met veel ramen waardoor de kunst naar buiten straalde. ‘Wat aardig’ zei Louis weer. Op naar het volgende dacht Louis, hij keek naar opa en die begon al weer te fietsen, Louis er achter aan. Ze staken de rotonde recht over, de wijk Vroendaal in. ‘Dit zijn hier eigenlijk wel grote en hoekige huizen, en allemaal wit’ was het eerste wat Louis opviel. Het eerste erf rechts fietste ze in. Opa keek even waar Louis fietste om hem op de weg op te zoeken. Toen opa naast hem fietste begon hij zijn verhaal over deze wijk: ‘een moderne wijk die in de eerste jaren van tweeduizend uit de grond verscheen. De huizen zijn iets groter en duurder dan gemiddeld. De wijk is gebouwd om de mensen met een iets grotere beurs voor de stad te behouden. Recht voor ons zijn vrije percelen, een eigen ontwerp per woning.’ Louis knikte, kon het niet echt begrijpen. Over iets ouds begreep hij wel en vroeg: ‘Is er ook iets ouds over de wijk te vertellen?’ Opa knikte van ja en voegde daar aan toe: ‘er fietst momenteel iets ouds door de wijk’ en glimlachte, Louis trok een flauw gezicht. Opa: ‘Waar we de wijk in fietste heeft enkele tientallen jaren een boerderij gestaan maar moest wijken toen deze wijk er kwam.’ Even was opa stil om iets tijd te rekken zodat ze bij de tweede straat naar links konden om het volgende te zeggen: ‘Toen de wijk gebouwd werd was er een amateurarcheoloog die met een metaaldetector het gebied afstruinde. In het midden van de straat begon zijn detector te piepen, hij had een bronzen zwaard gevonden van ongeveer zevenenzestig centimeter. Na onderzoek bleek het uit de late bronstijd of vroege ijzertijd te komen, en dan hebben we het over zo’n achthonderd jaar voor onze jaartelling. Dat is best wel oud te noemen.’ Ongemerkt fietste Louis door het midden van het erf waar ooit dat zwaard eeuwen lang gelegen heeft. Opa werd hiermee wel een beetje aan de kant geduwd. ‘Dat ze toen al zwaarden hadden’ zei Louis, maar hij wilde meer weten: ‘En heeft de naam Vroendaal ook nog iets met het verleden te maken?’ Aan het einde van het erf staken ze de weg over naar het volgende erf. Daar gingen ze links voor de huizen langs. Aan het einde volgde ze niet de weg naar rechts maar rechtdoor en gingen voor de bosjes links over een smal pad, rechts bevond zich een bosperceel. Ondertussen gaf opa als antwoord: ‘laat ik eerst zeggen dat ze de naam Grondel voor deze wijk bedacht hadden maar dat is het toch niet geworden. Begin achttienhonderd liep hier de fransman Tranchot rond en hij was het die in dit gebied de eerste topografische kaarten maakte inclusief de veldnamen die toen gebruikt werden. Dit gebied waar nu de huizen van Vroendaal, Eyldergaard en het noordelijk deel van de Heeg is, werd Steynbeugel, of Steynboeckel genoemd. Maar in de Heeg was al een straat met die naam. Het gebied aan de oostzijde van de wijk, de oostzijde van de Molenweg, werd Vroendaal genoemd. En die oude veldnaam hebben ze gekozen voor deze wijk.’ Louis knikte tevreden. Het smalle pad naderde het einde en kwam weer bij de Rijksweg uit. Daar gingen ze weer netjes op het fietspad rijden. Op het fietspad wees opa direct al naar de overkant en zei: ‘Kijk, daar die ronde inham is de ingang van Huis Eyll en die boerderij ernaast, die iets van de weg afligt, is Hoeve De Croon. Korte tijd heette Huis Eyll ook de Croon maar de hoeve heet nog altijd zo. Het hoorde bij oorsprong bij Huize Eyll, voor de bewerking van de landerijen. Het is in 1738 in een traditionele u-vorm gebouwd, met een binnenplaats. Achter de hoeve heb je nog een bakhuis. Aan de zijde van Heer zijn enkele schietspleten aangebracht. Binnen zijn mooie houten schoorsteenmantels en betegelde schouwen. En mooi gemetselde kelders. Ooit streek Pater Kusters hier met pater Remy met zijn geleende paard en kippen in deze boerderij neer om Huize Sint Joseph op te richten. En Huize Sint Joseph laat ik je straks zien.’ De eerste verschijnselen dat de informatie bij Louis een begon over te lopen diende zich aan. Hij probeerde opa te voeden in plaats dat opa hem overvoedde en zei: ‘Opa, wat mij opvalt is dat we nog geen enkel café zijn tegengekomen.’ Dat was een gevoelige snaar die hij bij opa raakte. Hij stopte zelfs met fietsen, net voor de rotonde. Keek naar de grond en vertelde toen langzaam: ‘Vroeger…. had je in Heer zo’n veertig cafés, dat was nog eens een tijd. Bijna elke hoek had er een, hier links is er ook een geweest. Maar ik had nog veel eerder willen leven, in de vijftiende eeuw en later had je in Heer ook een bierkeurmeester…. Dat leek me echt een heerlijke taak om te doen. Hij keurde of het bier wel goed van kwaliteit was en of de juiste hoeveelheden werden geschonken. Maar dat was vroeger… Tegenwoordig is er geen eigen bierkeurmeester meer, nog maar enkele cafés zijn overgebleven en ze schenken tegenwoordig altijd te weinig.’ Opa bleef nog even naar de grond staren. Op de grond viel helemaal niks te drinken of pauzeren. Ze reden verder, rechts de Veldstraat in. Rechts bevonden zich nog enkele oudere huizen. Links van de straat zag uit dat het recenter gebouwd was, de jaren vijftig en zestig. Opveld Een
stukje verder was rechts een moderner gebouw te zien, zwarte stenen,
veel glas. Een soort appartementencomplex met de letters Croonenhoff.
Toen ze recht voorbij het moderne weer een ouder gebouw zagen, dat ook
iets meer aan de wegzijde stond, zei opa: ‘stop maar even’ en ze
stopte. Kennelijk had opa toch nog geen droge keel, hij ging weer
vertellen: ‘Veldstraat heet het hier, eeuwen geleden werd het hier al
“Aen gen veld” genoemd. En dit gebouw? Is van oorsprong een landhuis
geweest en droeg de naam “Ridderhof.” Ik denk haast wel dat ridders
hier heel erg hoffelijk waren naar hun vrouwen toe. Halverwege de
zestiende eeuw was hier al iets, alleen nog niet zo groot als nu. Waar
nu het moderne gebouw staat met de letters Croonenhoff, heeft eeuwen
lang een boerderij gestaan die bij Opveld hoorde. Mathias Soiron, de
bekende architect, tuinarchitect, decorateur, meubelontwerper en
wandelaar heeft in de achttiende eeuw het landhuis radicaal opgeknapt
en wel zo radicaal dat het grotendeels vernieuwd is geworden. Toen is
het ook een L-vormig gebouw geworden. Begin twintigste eeuw is er een
schitterend sfeervol kerkje aan de achterzijde gebouwd.’Even was opa stil, hij bedacht zich, en zei: ‘Kom, laat ik je even zien. Kijk nog wel even naar dat witte beeld midden boven.’ Louis keek schuin omhoog naar een wit beeld dat boven in een nes stond van het oude Opveld. Ze fietste een smalle gang in, rechts het moderne gebouw dat ook de naam Ridderhof droeg en links het oude gebouw dat van oorsprong Ridderhof heette. Rechts kille nieuwe gebouwen, links de achterzijde van de oorspronkelijke Ridderhof dat nu Opveld wordt genoemd. En linksvoor een fraaie kapel. ‘Maar
opa, waarom hebben ze hier een kapel gebouwd, achter dit huis?’ wilde
Louis weten. Opa: ‘Omdat hier lange tijd een klooster is geweest, en
een klooster heeft nu eenmaal een kapel. Maar er is ook in het huis een
kapel geweest, toen dit kapelletje er nog niet stond. In 1876 kwamen er
voor het eerst zusters te wonen. Tot die tijd hebben er verschillende
families gewoond. Deze zusters en later paters en weer zusters waren
vanuit het buitenland gevlucht omdat het katholicisme en met name de
combinatie met het onderwijs in Duitsland en Frankrijk onmogelijk werd
gemaakt. Tja, en onderwijs op katholieke grondslag is net datgene die
kloosterorde zich ten doel hadden gesteld. Enkele ordes die hier
verbleven trokken verder. Korte tijd heeft hier weer een familie
gewoond en is het nog een hotel geweest.’Onderwijs was niet echt spannend te noemen voor Louis, heel langzaam begon de aandacht weer te verslapen. Hij begon steeds meer om zich heen te kijken of er toch iets spannender was te beleven. Het meest spannende was een vertellende opa: ‘In 1902 gebeurde het, er verschenen hier de zogenaamde “Soeurs de la charité de la Providence”.’ Zou het dan toch spannend worden, dacht Louis. De ontknoping kwam al snel door opa: ‘het waren de uit Frankrijk afkomstige liefdadige zusters van de voorzienigheid. ‘ Bij Louis verslapte acuut de aandacht, niet bij zijn opa: ‘Ze begonnen met een kleuterschool en op verzoek van mijnheer pastoor ook met een meisjesschool. Tot die tijd was er tegenover de harmoniezaal waar we straks komen de lagere school waar zo’n driehonderd kleine schatjes op school zaten. Na vrij korte tijd kon een deel van de leerkrachten een nieuwe baan zoeken want maar liefst twee/derde was naar de school van de zusters gegaan. Dit onderwijs was ook een inkomstenbron voor het klooster. Ook verbleven er kinderen permanent. In 1912 begonnen ze ook met bejaarden en zieken te verzorgen. Daar maakte vreemde bewoners deel van uit, die extra veel zorg vroegen. Het kreeg de naam Sint Josephzorg en was het eerste in zijn soort in Limburg.’ Louis keek tijdens het verhaal iets meer naar het klooster en vroeg aan opa: ‘allemaal in dit gebouw?’ Opa schudde van nee en zei: ‘De boerderij die op de plek heeft gestaan waar nu het zwarte gebouw met veel glas aan de Veldstraat staat werd ook gebruikt als ruimte en er was nog een bijgebouw dat ze “de orangerie” noemde. Later is de boerderij en “de orangerie” afgebroken en vervangen door een groot schoolgebouw met weinig ramen aan de Veldstraatzijde. Maar ook dat schoolgebouw is weer afgebroken. Verder kreeg het bejaardenhuis een eigen gebouw en opnieuw een gebouw en… werd deze kapel in 1910 gebouwd. Theo van Kan heeft het ontworpen. Hij stierf jong, eenendertig was hij pas. Het is een schitterende kapel met veel bijzondere details. De mergel komt uit de buurt en de kerkbanken zijn gemaakt door Belgische vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog. ’ ‘Maar het is nu rustig hier’ merkte Louis op. Opa knikte, de laatste zusters zijn in 2018 vertrokken naar een ander klooster. Toen werd er al minder gegiecheld. De bejaarden zijn er nog wel maar worden nu verzorgt in de Croonenhof. Ridderhof zijn appartementen die nauwe binding hebben met Croonenhof. De school werd de Annaschool en ging begin vorige eeuw naar de oude kerk waar we al eerder waren. Wat misschien wel de meeste rust hier heeft gegeven is dat de graven zijn geruimd’ en een grijns verscheen op opa’s gezicht. Triomfantelijk vroeg opa: ‘Nog vragen?’ Nu knikte Louis van ja, die haalde adem en vroeg: ‘Wat is dat nu voor een beeld in de gevel waar ik net naar moest kijken.’ Opa: ‘Scherp opgemerkt! Dat is het Heilig Hart beeld, elke kloosterorde die hier gehuisvest is geweest heeft zich “Het Heilighartklooster” genoemd. Er zijn wel meer namen bedacht hier, Sint Josephzorg, Mgr Hanssentehuis, Providentia, Bethanië, Veldmuiskes. Louis wist alweer genoeg. Veldkruisen In
plaats dat ze de weg terugnamen reden ze verder, om de kerk en het
voormalig klooster heen. Wat ooit een mooi aangelegde tuin was, was nu
een bos geworden met hier en daar een monumentje. Ze reden over paadjes
en langs een grasveld en vonden verder een poort die weer uitkwam in de
Veldstraat. Daar reden ze naar rechts. Daar waar de doorgaande weg naar
links draaide, reden ze rechtdoor tot bij het kruispuntje. Opa wees met
zijn vingertje naar de boom, naar het daarop bevestigde kruisbeeld om
precies te zijn en zij: 'We staan hier op een eeuwenoude kruising van
de weg die van Rothem naar de molen van Gronsveld gaat, Molenweg
genaamd, en de weg die van Heer, barakkenbuurt, naar Keer gaat. Er
waren vroeger minder wegen en het ging allemaal langzamer. Mensen die
zich moesten verplaatsen hadden nog de tijd om na te denken, zich te
bezinnen, filosoferen over zingeving, richting aan het leven geven. De
steun van Onze Lieve Heer was dan ook welkom. Eeuwen bestaan er al
kruisen. Vaak mensen uit de buurt die uit devotie een wegkruis in de
bebouwde kom of een veldkruis langs een buitenweg plaatste. De gemeente
of pastoor wist er vaak niks van. De meeste mensen konden toen nog niet
schrijven. Er is dan ook weinig vastgelegd over het ontstaan van die
kruisen. We weten wel dat begin negentienhonderd veel kruisen zijn
bijgekomen. In eerste instantie van hout. Het kruis van christus was
immers ook van hout. Maar na enkele jaren was dat weggerot en verdween
het of werd het vervangen. Toen kwam er een periode dat ijzeren kruisen
opkwamen, en daar zijn er nog wel de nodige van.’ Heel
langzaam ging het vingertje van opa naar beneden, spreken ging verder:
‘Op deze kruising is na verwachting al tweehonderd jaar een kruis. Deze
Lindeboom is ook al erg oud. Eerst was er de familie Thijssen die dit
onderhield en de recentere jaren de heer Kerkhofs. Voorheen stond op
het bordje “Geloofd zij Jezus Christus” maar dat vond men voor de jeugd
van de school hier niet treffend genoeg en kwam er de tekst “Jezus ik
vertrouw op u”. Er staan verschillende kruisen in Heer, meestal devotie
om het geloof uit te dragen zoals hier en soms een memoriekruis omdat
op die plek iets speciaals heeft plaatsgevonden.’Even knikte Louis dat hij het begrepen had. Samen fietste ze links op en volgde de Molenweg tussen de bebouwing links en het open veld rechts. 'Wat is dat voor een groot gebouw daar rechts midden in het veld' wilde Louis weten. Opa: 'Huize Sint Joseph, daar zijn heel veel leeftijdsgenootjes van je opgegroeid, maar nu kun je er maar beter weg blijven. Nu is het een jeugdgevangenis. Maar het is gebouwd als voogdij, waar kinderen zonder ouders woonde of kinderen die thuis niet verder meer konden opgroeien wegens gedrag.' Louis dacht even hoe het zou zijn als hij zonder zijn familie moest opgroeien. Hij keek er niet vrolijker bij. Huize Sint Joseph Stukje
verder kon je rechts en volgde deze weg totdat ze op een kruising
kwamen met ook een kruisbeeld. 'Heer bescherm Heer.' Ze stopte niet
maar sloegen rechts af, de Oude Steeg. Waar een weg van links kwam, een
y-splitsing, stopte ze. 'Is deze smalle weg de weg naar dat grote
gebouw' vroeg Louis. Opa knikte van en ja maar zei daar ook bij: 'Maar
er is nog een weg naar toe, maar dit is wel de meest gebruikte.' Opa
draaide zijn hoofd naar linksachter zich en zei toen: 'Weet je Louis,
deze weg links leidt naar "In den Hoof". Is dat niet de perfecte plek
om je meer te vertellen over Sint Joseph.' Louis keek dezelfde richting
op en zag een horecagelegenheid. Hij begreep het en knikte van ja. Ze
reden links richting de grote weg, even naar rechts waar de ingang was
en stalde de fietsen voor het huis ernaast waar plek was en niet in de
weg stond. Achter elkaar liepen ze naar binnen en kozen een plaats. Een
ruimte met de gemoedelijkheid waar een cassettedeck uit de jaren
zeventig niet zou misstaan.Een aardige ober kwam vragen wat ze te drinken wilde. Opa had het verhaal van Gerardus nog op zijn tong, dus hij vroeg om een Gerardusbier en Louis een cola. Op het gemak kwam even later de keurige ober de drank brengen. Al snel werd er aan het glas genipt waarna opa weer verder kon vertellen: 'Ja, Sint Joseph zou ik je over vertellen. Bij boerderij De Croon waar we net langskwam streek Pater Kusters met zijn gevolg neer. Daar woonde al enkele van zijn maten van "Het Heilig hart van Jezus." Lange tijd had deze boerderij leeg gestaan en was niet als prettige woonruimte te omschrijven en hebben niet lang daarna elders in Heer een huis gehuurd. De boerderij is wel de plek geweest waar de eerste jongeren gingen wonen. Enfin. Pater Kusters kende een zekere' kapelaan Hillen van de Mathijskerk in de Boschstraat in Maastricht en die was betrokken bij de voogdij aan de Sint Pietersstraat in Maastricht. Maar alleen voor meisjes. Hij probeerde op allerlei manieren Pater Kusters zo ver te krijgen om voor jongens een opvang te starten. Hillen kreeg pater Kusters zo ver. Hij ging er mee aan de slag. Van goedkeuring van de bisschop tot aan de Minister toe waren er gesprekken. Het lukte om met Voogdij Sint Joseph te starten met als doel de goede zorg voor verlaten, hulpbehoevende of verwaarloosde mannelijke personen van elke leeftijd, in het bijzonder de duurzame verzorging van minderjarigen in of buiten gestichten. Er werd een plek gezocht. Maastricht of omgeving moest de plek worden. Fort Willem werd overwogen en Amby maar het werd Heer. Schuin tegen de helling.' Voogdij,
gestichten… Louis vond het wel spannend klinken, opa nipte nog eens aan
zijn Gerardus en vertelde verder: ‘Er kon gebouwd worden. Veel hebben
de broeders en paters zelf gedaan waardoor de kosten beperkt bleven, de
kosten waren nog steeds gigantisch. De grond die vrij kwam om de
helling recht te maken werd gebruikt om bakstenen te maken die ter
plekke in ovens werden gebakken. Uit de achterliggende mergelgroeven en
anderen groeves in de buurt werden de mergelblokken gezaagd die voor de
muren werden gebruikt. Later is uit de achterliggende groeve ook mergel
gehaald voor de bouw van de Lambertuskerk in Maastricht en de
Koepelkerk. Deze laatste kerk is trouwens vanuit dit klooster ontstaan.
In de leefregels van deze orde staat dat er ook een kerk in dezelfde
gemeente hoort te komen. Waar de Koepelkerk nu staat was toen ook nog
net de gemeente Heer.’ Dat laatste had Louis al eens eerde gehoord.Weer nipte opa even aan zijn Gerardus, Louis dronk snel ook een slokje en luisterde verder naar opa: ’Voogdij Sint Joseph kon in 1912 bewoond worden. Uit het gehele land kwamen jongeren uit soortgelijke huizen hier naar toe. Het waren natuurlijk niet de liefste en gemakkelijkste jongens die ze hier naar toe stuurde, echt ervaring hadden de broeders ook niet. Er zullen in het begin best de nodige gebedjes gepreveld zijn. Maar langzaam aan ging het steeds beter. Er was een lagere school en de oudere kregen er een vak geleerd met diploma.’ Louis: ‘Welke vak kon je dan leren?’ Opa weer: ‘kleermaker, schoenmaker, mandenvlechter, klompenmaker, boer, tuinder, schilder, timmerman, smid, metselaar. Keuze genoeg mits je maar een praktisch vak wilde. Ze kregen er heel veel praktijk en weinig theorie.‘ Louis: ‘En woonde die jongens allemaal bij elkaar?’ Opa: ‘In groepen van zestien tot twintig personen met een vaste broeder om zoveel mogelijk een gezingssituatie na te kunnen bootsen. Je had twaalf groepen die ingedeeld waren op schoolgaand of werkende jeugd en op leeftijd. Bijna tweehonderdvijftig personen. Oorspronkelijk wilde de paters vierhonderd jongens onder hun hoede nemen maar dat vond men toch te veel. Het waren geen lieverdjes. Het waren niet alleen wezen die er woonde, ook zogenaamde regeringskinderen. Die waren ter beschikking gesteld van de regering omdat ze iets uitgespookt hadden. Het was er streng maar er was zeker ook plezier. Zo waren er diverse clubjes waar ze bij konden zijn. Niet iedereen heeft het er als prettig ervaren, zijn er ook dingen gebeurd die absoluut niet hadden mogen gebeuren. Maar er hebben toch duizenden jongens gewoond die hier voldoende bagage hebben mee gekregen om daarna een prettig leven te kunnen leiden.’ Er werden weer enkele slokjes genomen, opa ging verder: ‘Voogdij Sint Joseph heeft twee maal een wereldoorlog meegemaakt. Bij de eerste wereldoorlog was Nederland dan wel niet in oorlog, België wel. Vele honderden gevluchte Belgen vonden hier onderdak. En allemaal maar mee-eten. Spannender en nog triester was het met de Tweede Wereldoorlog. Toen de Duitsers hier over de Rijksweg met de nodige arrogantie binnen marcheerde, schuilde de bewoners in de groeve achter het huis. Ze sliepen er op stro. Elke groep zat in een apart deel van de grot. Er is ook een ondergrondse kapel gemaakt maar die is niet gebruikt. Toen het weer relatief veilig was gingen ze terug naar de voogdij. Later, in 1942, kwamen wegens anti-Duitse gezindheid zo'n veertig bewapende Duitse militairen het gebouw in beslag nemen. De rector werd gegijzeld en kreeg een wachtpost voor zijn deur. De dag erna werden de tweehonderdvijftig jongens en hun broeders weg gestuurd en konden elders onderdak gaan zoeken. Je begrijpt dat ze veel hebben moeten achterlaten. Zo'n honderdvijftig jongens van de Hitlerjugend en hun begeleiders waren de nieuwe bewoners. De "jugend" werden op een vreselijke manier opgeleid. Na de bevrijding hebben de Amerikanen er een hospitaal ingericht. Daarna kwamen er terugkerende dwangarbeiders uit Duitsland. Maar in 1945 trok feestelijk de Harmonie van Heer naar de voogdij toe, met de oudste jongens achter zich aan, de dag er na kwamen de jongste terug. Het gebouw had behoorlijk te leiden gehad, de ambachtsschool was leeggeplunderd.’ Een trieste blik was te herkennen bij opa en zijn kleinzoon. De
glazen waren ondertussen leeg en er werd opnieuw besteld, wederom
een Gerardusbier en een cola. Met verse glazen op de tafel, en
een Louis die het spannend vond, vertelde op verder: ‘Vrolijker is het
verhaal van de Margratentocht. Tijdens de oorlog mochten er geen
wandeltochten gehouden worden, vrolijk he. Maar na de oorlog wel en dat
wandelen gaf een gevoel van vrijheid dat ze enkele jaren niet gekend
hadden. Die vrijheid was te danken aan de Amerikanen die ons bevrijd
hebben. Vele Amerikanen zijn hierbij gestorven en liggen op de
Amerikaanse militaire begraafplaats enkele kilometers verderop. Om hun
te eren werd er een tocht georganiseerd naar het kerkhof. De eerste
tocht vertrok vanaf het Vrijthof, met de boot naar de grens met België
bij Eijsden en van daaruit werd min of meer dezelfde route gelopen als
de bevrijders destijds deden. Ruim vijfhonderd deelnemers waren
er. Sinds die tijd is elk jaar een tocht geweest. De organisatie zakte
wel eens in. In 1953 namen de Globetrotters onder leiding van paters
Modestus en Wenceslaus de organisatie over. Deze waren verbonden aan
Huize Sint Joseph en van daaruit vertrokken ook de wandelingen. In
begin waren ze al met blij driehonderd deelnemers. Maar langzaam aan
groeide het aantal verder en verder. Men
kreeg een medaille als de tocht uitgelopen was. Steeds was er aandacht
voor de bevrijders die voor ons gestorven waren. Zoals gezegd groeide
het aantal deelnemers. Op het hoogtepunt waren er eind jaren zestig en
begin zeventig zo’n zesduizend deelnemers. Overal waar je op
Hemelvaartsdag keek, de dag dat de tocht jaarlijks plaatsvond, zag je
wandelaars. Vaak in groepen al zingend. Rond Huize Sint Joseph stonden
duizenden fietsen gestald. Na vijfentwintig jaren stopte de broeders er
mee en namen verenigingen in Sint Geertruid de organisatie over. Nog
steeds is er elk jaar de Margratentocht. Wel is men iets meer van de
omgeving gaan genieten en is het oorspronkelijke idee ter verering van
de Amerikaanse bevrijders een beetje naar de achtergrond geraakt.’De slokken van de tweede ronde werden iets minder gewaardeerd en werden wat onbesuisder gedronken. Louis vroeg zich af: ‘De ene keer hoor ik Huize Sint Joseph en de andere keer weer voogdij, is er een verschil tussen?’ Opa, dronk nog maar eens en zei: ‘Het is gebouwd met als naam Voogdijgesticht Sint Joseph en die naam is gebleven tot na de oorlog. Hierna werd het Huize Sint Joseph en later nog eens Sint Jozef. Het is meer een aanpassing aan de tijdsgeest geweest. De tijdsgeest zorgde er ook voor dat er op een gegeven moment twee villa’s in de buurt werden aangekocht waar ook jongeren konden wonen. Meer de geborgen gezinssituatie nabootsend. Er kwam ook een lagere school en een technische school waar kinderen van buiten Sint Joseph ook naar toe mochten. Maar het aantal broeders nam af en trokken zich langzaam aan terug in het naastgelegen Huize Sint Gerlach. In 1982 werd Stichting Jeugdzorg Sint Joseph opgericht en werd een en ander opgesplitst. Ook werden er paviljoens gebouwd waar de jongens van het grote huis in kwamen te wonen, mits ze niet naar elders waren vertrokken. In het grote huis kwam Keerpunt, eenvoudig gezegd een jeugdgevangenis. De paviljoens werden ook overgenomen en zo zal er nog wel het een en ander blijven veranderen. Huize Sint Gerlach Het leek alsof de aandacht van Louis weer begon te verslappen. Om zichzelf op te peppen bedacht hij een vraag: ‘En wat is dan wel Huize Sint Gerlach?’ Opa hief zijn bierglas en zei: ‘Gerlachus…. Heer is verbonden aan Gerlachus en het lijkt er op dat Gerlachus verbonden is aan bier. Links achter Huize Sint Joseph staat Huize Sint Gerlachus. In dezelfde stijl als Huize Sint Joseph gebouwd alleen iets kleiner. Het werd gebouwd voor de opvang van drankzuchtigen. Alleen bleken er te weinig drankzuchtigen te zijn en ging al weer vrij snel dicht. Voor dat de bouw klaar was verbleven er zo’n vierhonderd Belgische vluchtelingen. Toen de rook van de vluchtelingen en vooral van de drankzuchtige was opgetrokken namen de priesters van het Heilig Hart van Jezus er hun intrek. Het werd een huis waar aanstaande geestelijken konden proeven of een leven in het klooster wel bij hun paste, een noviciaat, en een opleidingsinstituut voor kloosterling, een juvenaat. Dat was een succes, in 1963 werd er achter het huis zelfs bijgebouwd maar in 1971 moest het weer sluiten wegens te weinig belangstelling. Even was er sprake dat er een zusterklooster zou komen maar dat vond de baas van het naastgelegen mannenklooster toch niet zo’n goed idee. Het werd een tijdje antikraak bewoond door enkele paters en toen er van alles veranderde in Huize Sint Joseph trokken de paters van Sint Joseph in 1983 naar dit klooster. In 2005 waren er nog maar zo weinig paters over dat het huis gesloten werd, de paters gingen in andere kloosters van dezelfde orde wonen.’ Even was het stil. ‘Een opbloei en een neergang van wat er met een gebouw gebeurd, steeds weer’ concludeerde Louis. Opa inderdaad, en weet je, op de Rijksweg had je ietsje verder zowel links als rechts een klooster. Links Sociëteit voor Afrikaanse Missiën en rechts Sint Jozef met de Zusters van Barmhartigheid. Beide hebben ook een bloei gekend en zijn weer verdwenen. Het klooster links is in de bloeitijd afgebrand en is er een nieuw klooster gebouwd. En weet je Louis, weet je wat in het Missieklooster is geweest?’ Louis schudde van nee. Opa: ‘Een bierbrouwerij!’ Louis zuchtte eens. De glazen waren leeg. Er werd besloten te vertrekken. Opa rekende af en liepen weer naar buiten. Daar was direct al het lawaai van de drukke Rijksweg te horen. Met enige stemverheffing begon opa weer te praten: ‘Had je vandaag al verteld dat er van Maastricht naar Vaals een tramlijn is geweest. Die tram kwam ook hier langs en er is hier zelfs een eigen halte geweest.’ Louis knikte heftig van ja en zei er bij: ‘Zeker om het Gerardusbier naar de volgende halte te brengen van de Gerardusdrankzuchtigekliniek.‘ Opa glimlachte even onschuldig en zei: ‘Nee hoor, achter de parkeerplaats tegenover Op den Hoof, aan de andere kant van het bosje, ging het tramspoor rechtdoor naar Sint Antoniusbank. En dat is niet naar Huize Sint Gerlach.’ Maar de opmerking zette opa wel even aan tot denken: Zou ik te veel gedronken hebben? Hij besloot toch maar op zijn fiets te stappen en extra voorzichtig de drukke weg over te steken. Louis volgde gehoorzaam maar keek zelf ook goed uit. Keerderstraat Aan
de overkant van de weg was er een smalle weg die links schuin van de
Rijksweg af liep. Daar reden ze naar toe en stopte opa bij het begin
van de weg. Opa zal toch niet te veel gedronken hebben dacht Louis
eventjes. Nee hoor, hij ging gewoon weer door met vertellen: ‘Je zou
bijna gaan denken dat de Akersteenweg die we net overstaken door de
Romeinen werd gebruikt om naar Aken te gaan, maar dat is niet het
geval. Deze weg is pas in 1825 aangelegd. Dit smalle weggetje waar we
nu staan is de Keerderstraat, de weg van Scharn naar Keer. Die ging aan
de achterkant van “Op den Hoof” verder, recht op Huize Sint Joseph af.
Tegenwoordig de Pater Kusterweg. Tot 1828 was Heer en Keer nog één
gemeente. Toen is Keer samengegaan met Cadier omdat die min of meer al
tegen elkaar aan waren gegroeid en Keer meer met de buurman had dan het
dorpje onder aan de berg’.Automatisch werd tegen de weg omhoog aangekeken zonder dat er ook maar iets van Keer of Cadier te zien was. Opa was wel te horen: ‘Als je al die bomen en struiken zou weghalen, zie je links van de weg van die kleine torentjes aan de rand van het Maasterras staan. In elk torentje is één van de kruiswegstaties te zien, bij het voormalig klooster. Op die plek zijn de Romeinen wel actief geweest, daar is Villa Bakkerbosch geweest. Een grote Romeinse villa in de luxe categorie. Er zijn kunstvoorwerpen gevonden. Toen hadden ze er al een verwarmd bad in de badkamer. En niet alleen dat, er was ook al centrale verwarming aangelegd. Er zijn diverse bijgebouwen geweest. Boven aan de rand van die helling staat een kapelletje en onder de rand hebben ze de golfbaan iets opgehoogd om enkele oude delen van die villa te laten rusten. En wees maar blij dat je toen geen dakdekker was, de pannen wogen zeven kilo per stuk, van die half ronde buizen. Maar de villa is geplunderd en ook afgebrand. Zonde natuurlijk, leek me wel leuk om er te wonen met die ruimte, dat uitzicht.’ Louis vroeg ter verduidelijking: 'Is dat het klooster van de Sociëteit voor Afrikaanse Missiën?' Opa knikte van ja. Sportief Heer Louis staarde nog even tegen de heuvel. Voldoende speelruimte. Hij keek even terug naar de smalle Keerderstraat. Opa was al vertrokken. Bij de eerstvolgende kruising vertelde opa: ‘Dit is een kruising van de Keerderstraat en Molenweg, een kruispunt waar je vaker van oudsher huizen ziet staan, ook hier oudere woningen. De straat bleven ze volgen, soms kwamen ze nog een oude fruitboom tegen uit de tijd dat hier nog boerenweiden waren. Ze reden de brug onderdoor en reden vervolgens links Laan in den Drinck in. Ook deze straat bleven ze volgen. Bij een kleine inham rechts had je een toegangspoort naar het veld van RKSV Heer. De poort stond open en ze reden een stukje naar binnen. Op het veld waren ze fanatiek aan het trainen. Een deel slalomde met de ballen tussen de pionnen door, de anderen oefenden met sprinten. Ze, sprinten een stukje, stoppen, sprinten. Je voelde de spieren alleen al in de benen als je er naar keek. ‘Waar denk je aan als je al deze mensen ziet sporten?’ vroeg opa. ‘Aan lenige ADHD-ers’ antwoorde Louis. Opa: ‘Dus niet aan lam en stijf?’ Tijdens het nee schudde herinnerde Louis zich het liedje van de LP eerder die dag. Nee, dacht Louis, ook dat klopt niet aan het liedje van de LP. Met flinke vaart kwam er een voetballertje in voetbaltenue aangefietst. Opa en Louis maakte plaats voor hem en hij sjeesde voorbij. ‘Vroeger’ begon opa, ‘In 1923 waren er twee voetbalclubs in Heer, Fortuna en Scharn. Een fusie tussen die twee lukte niet en beide clubs werden opgeheven. Twee jaar later werd een nieuwe club opgericht met speler voornamelijk uit de oude clubs. Deze club kreeg de naam Concordia. Maar in Delft was er al een voetbalclub met dezelfde naam en de naam werd gewijzigd in VV Heer. En later weer in RKSV Heer. Ze speelde periodes in de tweede of derde klas. En vandaag de dag spelen ze nog steeds. In 1951 werd VV Scharn opgericht en is met tientallen teams een van de grootse voetbalverenigingen in Limburg.’ Louis werd er moe van en wil de verder. Ze reden de poort uit, en kwamen weer de Laan in den Drinck. Daar naar links. Stukje verder werd de straat niet naar rechts gevolgd, maar rechtdoor over het voetpad, langs de flat naar de Akersteenweg. Daar stopte ze weer even. De langsrijdende auto’s maakte het er lawaaiig, maar dat was geen bezwaar voor opa, die sprak iets harder: ‘Als je tussen 1930 en 1937 hier rechtdoor zou lopen tot aan de Steegstraat en linksvoor je zou kijken, zag je er een prachtige houten wielerbaan liggen waar vele wedstrijden gereden zijn waar de beste teams, ja zelfs internationaal, hun best deden. Met name halverwege de vorige eeuw was de wielrensport erg populair. Maar er kwamen zoveel alternatieven voor de wielrenners dat het aantal bezoekers van deze baan ook weer sterk afnam. De baan werd verkocht aan Valkenburg.’ Louis knikte en reden verder naar rechts, naar beneden. Hebios Opa begon even te zingen: ‘In Hier daor is ‘nen Hebios, daor zitte alle steulkes los, fiederelala, fiederelala, fiederelalalala…. Klopt dus ook niet.’ Louis voelde zich bij de neus genomen, opa ging verder: ‘maar vrij snel na de opening van de bioscoop kwam de oorlog en mochten alleen maar Duitse films getoond worden. Bij gebrek aan beter vermaak werd de bios toch nog goed bezocht. Na de oorlog is er voor Amerikanen die Heer bevrijd hadden hier nog een dankconcert gegeven, yeahhh. Later zijn er ook nog lezingen gegeven en andere bijeenkomsten geweest. Maar de hoofdmoot bleef toch films. De films werden ook gekeurd. Drie heren van de keuringscommissie bestaande uit een schooldirecteur en twee raadsleden en de politie hadden altijd gratis toegang tot de bioscoop. De eigenaar van de bioscoop was een strenge katholiek, dus het was wel in orde met de films die aan de bevolking getoond werden. Toch is er ook commentaar geweest, dat het slecht is voor de opvoeding en zo. Er glipte ook heel wat jeugd naar binnen, zonder te betalen. Met de opkomst van de televisie was een bezoek aan de bioscoop steeds minder in trek. Je had toen ook Vermaakbelasting die over de winst van de bioscoop werd geheven. In Heer was die al een stuk lager dan in Maastricht. Heer was ook de eerste gemeente die deze belasting afschafte om de bioscoop vooral open te houden. Het mocht niet baten. In 1970 ging de bioscoop dicht.’ En zo ook even de mond van opa. Harmonieën in Heer ‘Had er iemand een valse noot gespeeld’ giechelde Louis even. Opa ging door: ‘De oud leden richtte in 1906 een nieuwe harmonie op en gaven deze de naam “Heer Vooruit”. Ruim een eeuw later wordt er nog altijd gesproken over de “Nui” en de “Aw”, de nieuwe en de oude harmonie. Beide hebben op concoursen in binnen en buitenland successen behaald. Ze kregen beide ook een eigen accommodatie. Hier staan we nu bij de accommodatie van de Koninklijke, achter het café. Ruim anderhalve eeuw inzet, saamhorigheid, muziek… prachtig. In Huize Sint Joseph is er ook nog een harmonie geweest met tientallen leden, opgericht door pater Kusters. Maar die speelde niet zo vaak in de openbaarheid. ‘Maar opa…’ vroeg Louis met een bedenkelijk gezicht, ‘als in harmonie betekent dat het in de juiste samenhang is, dan kan het toch niet anders dat het om een groep met meerdere mensen gaat; en als er nu nog steeds twee harmonieën zijn; hebben we het toch over een groter aantal mensen.’ Opa knikte en Louis ging verder: ‘dan kan het toch niet zijn dat er maar twee mensen in de harmonie zitten zoals ze in dat ene liedje beweren?’ Opa knikkend: ‘Jij zegt het.’ Opa sprak verder op lage toon: ‘En ehhhh’ en toen op hoge toon: ‘ehhhh’ en nu op nog hogere toon: ‘ehhhh…’ maar toen sloeg zijn stem even over. Hij vervolgde met zijn standaard stem met te vertellen: ‘ze hebben in Heer ook koren. Het Ceciliakoor is het oudste. Opgericht in 1857, net als de Ridderbierbrouwerij in Wijck. Het koor bestaat zowel uit vrouw-en als man-nen, dus echt wel meer dan twee.’ Louis knikte met een brede lach. Raadhuisplein Z Voor Louis was het cryptisch wat opa vertelde, een hele tijd geleden waarvan je je al bijna niks kunt voorstellen, geen aanknopingspunt uit die tijd op het plein, niemand die iets weet… ‘Maar wat is nu het Servaaskapittel?’ vroeg hij. Opa keek even bedenkelijk, precies wist hij het ook niet maar zei: ‘Vroeger had je kanunniken die vaak veel macht en geld hadden en aangesloten waren bij een kapittel. Het Servaaskapittel was lange tijd een groot en machtig kapittel. Het had ook veel bezittingen: boerderijen, landgoed, kloosters, kerken en grond. Het Servaaskapittel had ook een elftal-haha dorpen in bezit waar ze bepaalde rechten hadden. Heer was een van die dorpen. Plaatselijk was er een bestuur maar ook die waren merendeels door het kapittel samengesteld. Om de zoveel tijd kwam de proost op bezoek. Als hij op zijn paard langs de caféterrasjes kwam hielden alle mensen op het terras hun glas omhoog en zeiden dan in koor: “proost”. Die proost had veel te zeggen. Ook over de rechtspraak. Drie keer per jaar was er een bijeenkomst en mocht er één persoon per huishouden bij zijn. Dan werd recht gesproken. Ook bepaalde opbrengsten gingen naar het kapittel. Dat systeem functioneerde goed want het is tot eind achttiende eeuw in stand gebleven totdat de Fransen het hier voor het zeggen kregen. Tot die tijd waren er vele kleine rijkjes met allemaal hun eigen regelgeving, de Fransen zorgde dat er over een groter gebied dezelfde regels kwamen. Toen is ook de basis gelegd voor de bestuursvorm die we nu nog kennen al is die natuurlijk wel op tal van plaatsen aangepast.’ Louis begon een beetje bedenkelijk te kijken. Hij had ondertussen weer veel informatie te horen gekregen, maar hij zat prima op zijn bagagedrager en luisterde verder naar opa. ‘Ondertussen werd België opgericht en was Heer Belgisch, awel en even later’ opa sprak nu even iets harder ‘Nederland’. Hij ging normaal verder: ‘Heer was een behoorlijke grote gemeente. Boven op de berg Keer, Vroendaal, groot deel van de Heeg, Eyldergaard, Heer zelf, Scharn tot aan de voormalige stadsmuren van Wijck – Maastricht. En dat tussen het grondgebied van Heugem en Meerssen. En Meerssen reikte ongeveer tot en met het Centraal station van Maastricht. Waar nu het Academisch ziekenhuis is, het Mecc en zelfs het Gouvernement, het hoofdgebouw van de Provincie, was grondgebied van Heer.’ Louis: ‘Dat is best wel een groot gebied’ Opa knikte en ging verder: ‘maar het werd kleiner. In 1828 werd Keer er af gesnoept. Het westelijk deel van Heer, waar nu Witte Vrouweveld is, Wijckerveld, Heugemerveld, Heugem, Céramique en Randwijck ging in 1920 naar Maastricht.’ De
oogjes van Louis begonnen langzaam iets kleiner te worden, anders was
het gesteld met de mond van opa, die werd steeds groter: ‘In hetzelfde
jaar dat Heer kleiner werd, is dit grote raadhuis gebouwd.
Architectonisch niet bijzonder, het is geen monument. En het plein hier
is ook al geen toonbeeld waar de Welstandscommissie zich druk om heeft
gemaakt om het aantrekkelijker te maken. Er is zelfs géén café!’ Nu was
opa welk heel hard aan het spreken, een voorbijganger keek al vreemd op.Op gepaste toon ging hij verder: ‘En is dit nu een plein waar je kunt spelen, waar je kunt knikkeren, huive.’ Er werd door beide heren op de fiets nee geschut. Opa: ‘Dus geen plek dat de gemeenteraadsleden hier konden knikkeren.’ Louis herinnerde zich de tekst van het liedje en trok wederom een flauw gezicht. Serieus ging opa weer verder: ‘Ondanks dit plein waren de bewoners erg trots op “hun Heer”. De bewoners voelde zich op hun plek en leefde er zoals ze wilde. De grote stad Maastricht keek met grote ogen van allure naar Heer, de stad wilde zich ontwikkelen en moest daarvoor groeien. Men keek naar de omliggende dorpen Borgharen, Itteren, Amby en Heer. Er werden rapporten geschreven. In Heer waren ze er niet blij mee. “Heer blijft Heer” en in het dialect: “Hier blijf Hier” is een leus die op allerlei manieren kracht bij werd gezet. De burgemeester en wethouders lieten ook een rapport schrijven om het tegendeel te bewijzen. Van elke bladzijde van het rapport droop het af om de gemeente Heer vooral de gemeente Heer te laten. December 1969 besloot de Tweede kamer dat Maastricht de omliggende dorpen en een stuk van Gronsveld, Cadier en Keer, Bemelen en Meerssen mocht annexeren. Een voorwaarde was wel dat er zoveel mogelijk behouden moest blijven. Straatnamen die hetzelfde waren werden in Maastricht veranderd, niet in het geannexeerde gebied. Tijdens de laatste raadsvergadering van de gemeente Heer werd, geheel bescheiden, besloten om de slechts vier jaar zittende burgemeester, de voormalig wethouder en toenmalige secretaris een eigen straatnaam te geven. Zo kwam er de Burgemeester Cortenstraat, Wethouder van Caldenborghlaan en een Secretaris Wijnandsstraat. De oude straatnamen verdwenen.’ Met enig ongeloof luisterde Louis verder naar opa: ‘Op één juli 1970 was het zover, op één juli, op één juli…’ Even was het stil. ‘Ow! Dat is die straatnaam’ riep Louis, ‘dat is de reden dat ze die weg in het begin één juliweg hebben genoemd’ en hij was blij dat hij het nu wist. Opa knikte en ging weer verder over die één juli: ‘Sinds die nacht bestond de gemeente Heer, Amby, Borgharen en Itteren niet meer, Maastricht was een stuk groter geworden. Het enige wat die woensdagochtend in Borgharen opviel was dat de vuilnis werd opgehaald door de Maastrichtse vuilnisdienst. Toen de eerste stadsbus, Maastricht had toen nog een eigen busbedrijf, voor zeven uur in de ochtend Itteren kwam binnenrijden stonden er bewoners om de bus feestelijk te versieren. Vele Itterse bewoners wilde hun nieuwe stad graag gaan bekijken. Tot in de middag was de busdienst ontregeld. Amby had meerdaagse festiviteiten. In gemeenschapshuis Ambyerhoof was de avond ervoor een groot afscheidsfeest geweest. De volgende ochtend was al voor zeven uur het terras voor de Ambyerhoof bezet met veertig personen om ook met de stadsbus een rit te maken door hun nieuwe gemeente. In Heer was het er minder vrolijk aan toe gegaan. De vlaggen hingen halfstok, de nacht ervoor liepen “al wenend” Heerdernaren door de straten van Heer.’ ‘Knikkerende raadsleden had ik nog wel leuk gevonden’ zei Louis, ‘Zie op het oude raadshuis ook een herdenkingsplaquette voor de mensen uit Heer die door de oorlog gestorven zijn, niet echt vrolijk allemaal hier.’ Opa: ‘Ja, heeft Charles Vos gemaakt, jaarlijks vindt hier nog een herdenking plaats, heel mooi. Maar echt gezellig is dat niet allemaal.’ Ze maakte aanstalten om verder te fietsen, ze gingen op het zadel zitten. Rechts van het raadhuis verlieten ze het plein en reden de Raadhuisstraat rechts in. Bij het kruispunt met de Dampstraat stopte ze weer. Dampstraat Ze
keken rechts de Dampstraat in. Wat is hier nu weer over te vertellen
vroeg Louis zich af. Opa wist het wel: ‘Links van die straat is in de
twaalfde eeuw en later een kasteel, een burcht geweest met een gracht
er om heen. Wat we ook weten is dat het er in 1640 niet meer was.
Verdampt’ grinnikte opa even en ging verder: ‘Totdat ze hier enkele
tientallen jaren geleden alles hebben volgebouwd waren vanuit de lucht
de contouren van het kasteel nog te herkennen. Kastelen zijn nooit
klein te noemen, het reikte tot ver over de straat die we zo dadelijk
oversteken, de Adelbert van Scharnlaan. En wat is nu het toeval… in het
kasteel woonde ook iemand met precies dezelfde naam, Adelbert van
Scharn. Het kasteel zelf werd iets genoemd als huis Scharen en stond in
het gebied dat De Dam, Damme of Damp werd genoemd. Vandaar ook de naam
van deze straat.’ Nog even bleven ze staan maar toen vertrokken ze
toch. De Raadhuisstraat reden ze uit en staken de dubbele Adelbert van
Scharnlaan over. Louis keek bij het oversteken naar rechts waar ooit
het kasteel stond en verbeelde zich een edelman die daar door de lucht
door zijn kasteel liep.Vredesbuurt Toen
ze in het straatje aan de overkant waren begon opa weer: ‘Hier zijn we
in het deel van Scharn waarvan iedereen het wel Scharn noemt, maar
Scharn is veel groter. Je kunt het in vieren delen. Als eerste het oude
deel, rondom de huidige kerk. De Akersteenweg is op de grens aangelegd
tussen Heer en Scharn. Het gemeentehuis van Heer is dus in Scharn
gebouwd. Destijds wilde ze tussen Heer en Scharn het centrum maken van
de gemeente Heer. Je had er ook de harmoniezaal en aan de overkant waar
nu de supermarkt is was vroeger de school. Maar we hadden het over
Scharn. Nu komen we echt in het deel rondom de kerk van Scharn. Hier en
daar staan nog oude boerderijen en landhuizen. Achter de kerk is
gebouwd in de jaren dertig en het deel waar we nu staan met de twee
halve cirkels voor de kerk kwam er in de jaren vijftig en zestig.
Hiervoor is het Landhuis van Bosch afgebroken. Dan heb je het tweede
deel en dat is Scharn-West en dat reikt tot aan de Groeneloper. Dit
deel van Scharn is gebouwd toen het nog gemeente Heer was. Toen Heer
door Maastricht geannexeerd was geworden is er verder uitgebreid.
Oostelijk, rondom de Keerderstraat, kwam de Doornenbuurt. Herkenbaar
aan de straatnamen die eindigen op doorn. Dat is het derde deel en als
vierde deel heb je ten noorden van de Bergerweg Scharn-Noord. Het
vreemde is dat dit gebied nooit Scharn is geweest. Het zijn wat grotere
huizen en ik denk dat deze meer passen bij het bovengemiddelde Scharn
dan bij het volkse Witte Vrouweveld.’Ondertussen waren ze bij het ruime plein van de kerk aangekomen en stopten ze even en keken even rond. Veel stilte was er niet, opa begon weer: ‘Dit is dus gebouwd in de jaren vijftig en zestig. Door hier huizen te laten bouwen kwam Heer een beetje tegemoet aan de wensen van de stad Maastricht die ruimtegebrek had. De inwoners die er kwamen waren meer georiënteerd op Maastricht dan op Heer. De Tweede Wereldoorlog zat nog goed in het geheugen en het verzoek was gekomen hier met de straatnaamgeving rekening mee te houden. Zo heb je hier de Gerechtigheidslaan, Vredeslaan, Europalaan etc. Op het pleintje staat een monumentje genaamd "Gevecht van Jacob en de engel". Het is het eerste kunstwerk dat door de beste student van het jaar van de Academy voor Beeldende Kunst in Maastricht is gemaakt. De naam van de maakster is echter kwijt geraakt. Op de kopse kanten van de zijstraten waren appartementen gepland maar daar was onvoldoende belangstelling voor. Ze werden wel als twee kavels aangeboden en zo kwam er toch iets bijzonders. Kijk maar eens naar dat tweede van links, dat woonhuis en kantoorpand. Die lijnen in de vormgeving. Gebouwd in 1961 en nog altijd een moderne en sfeervolle gemaakt.’ Ze keken naar het bouwwerk. De kerk Antonius van Padua Witte Vrouwenhof Wethouder van Caldenborghlaan Louis
knikte, die vond het allemaal prima al begon hij ook suffig te worden
van al dat gepraat van opa. Ze fietste rechts de Wethouder van
Caldenborglaan in. Hier en daar was er nog wel een oude boerderij te
zien maar ook veel recentere panden. Een gewone straat, niets
bijzonders van gemaakt. Ook niet bijzonder: opa begon weer. ‘Dit is het
oudste deel van het voormalige gehucht Scharn. In deze straat heb je
maar liefst vijftien Rijksmonumenten, evenveel als bijvoorbeeld in het
historisch toeristische Baarle-Nassau en meer dan in menig gemeente in
Nederland. Dan zullen het toch wel bijzondere gebouwen zijn. De
straatnaam is ook nog wel eens veranderd, bij de opheffing van de
gemeente Heer werd het de Wethouder van Caldenborghlaan en daarvoor was
het de president Rooseveltlaan en daarvoor de Van Akerstraat. En dat
laatste maakt het een stuk interessanter. We hebben hier te maken met
de Romeinse weg naar Aken die door naar Trier gaat en dat is de oudste
stad van Duitsland en ligt naast Luxemburg. Op de splitsing een stukje
terug begint deze weg als een zijweg van de Via Belgica. Achter de
komende kruising is een aftakking naar Keer, de weg waar we net ook al
reden. Het geeft al aan dat het een belangrijke verbindingsweg is
geweest.’Er werd gestopt langs de weg, enkele tientallen meters voor de kruising. Aan de overkant van de weg was een rij oude huizen met het trottoir vlak langs de huizen te zien. De uitdrukking op het gezicht van Louis gaf aan dat hij zo langzamerhand het liefst de weg wilde gebruiken om naar huis te gaan, het zou niet lang meer duren. Opa ging nog heel even verder: ‘Maar niet alleen als doorgaande weg was dit belangrijk, het rechter hoekpand aan de overkant is lange tijd een brouwerij geweest en door een gunstig belastingklimaat in Scharn, dicht bij Maastricht, heeft de drank hier rijkelijk gevloeid in dit deel van de straat. Er is ook een tabaksfabriekje geweest dus ik neem aan dat hier ook het nodige verrookt is geworden.’ Oww,
bier, daar gaat opa weer dacht Louis… Opa was even stil, er kwam
een man langs lopen die zijn hond aan het uitlaten was. Beide keken de
man met de hond na. Man en hond staken het zebrapad over en liepen café
“Aajd Sjaan” aan de overkant naar binnen. De hond had zijn staart recht
omhoog. Opa ging verder: ‘De kruising is eigenlijk het centrum van
Scharn geweest. Het vreemde is dat de linker hoek aan de overkant van
de kruising tot 1970 grondgebied is geweest van de gemeente Amby en er
tot 1970 nooit iets op die hoek is gebouwd.’‘Even een vraagje opa’ sprak Louis ‘Als een hond uit gaat, gaat zijn baasje dan ook uit in het café?’ Opa: ‘Soms wel ja… Maar wat viel je nog meer op aan die hond’. Louis was aan het denken, wat had hij nu ook alweer precies gezien. Hij haalde zijn schouders op. Opa: ‘Het zou wel heel toevallig zijn geweest als het een herdershond was geweest, maar hij liep in zijn blote kont! Fiederelala, fiederelalalala”. Rebolim©2018
BRONNEN: Boeken: De verbeelding van Maastricht, 2015; Historische Encyclopedie Maastricht, 2005; De straatnamen van Maastricht, 2013; Grote topografische Atlas Limburg 1894-1926, 2006; De Nederlandse Monumenten van geschiedenis en kunst, deel V, derde stuk zuid Limburg zonder Maastricht, eerste aflevering, 1962; Monumentengids Maastricht, 2001; Topografische atlas Limburg, 2004; Zuivel, geschiedenis en inventarisatie van de zuivelfabrieken in Limburg, WIEL 2; Sporen van de tram Maastricht-Vaals, 1997; Geschiedenis van Heer, 1957; Kerken van Maastricht, 1979; 100 Jaor ôs toes in Hier, 2005; De Chinezen van Nederland, 1974; 100 Jaar Vereniging Suringer 1916-2016, 2016; Maastricht, wijk in beeld, 2007; Kastelen in Zuid-Limburg in hernieuwde glans, 2007; Architectuurgids 1895-1995,1997; De Straatnamen van Maastricht, 2013; Jaarboek Maastricht 1997-1998, 1998; Boven het maaiveld, 1999; Publications; Wegkruisen in de voormalige gemeente Heer, 1994; De Koepelkerk MS46, 1997; Bewegend beeld VM39, 2004; Van Scharen tot Scharn, 2012; Het middeleeuwse grondbezit van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht in de regio Maas-Rijn, 2006; Herdruk Maasgouw 1879-1881, 1977. Tijdschift: 't Aörke 6, 2000. Rapport: Scharn en Heer, cultuurwaardenonderzoek, deelrapport archeologie, 2011; Rapport van de door burgemeester en wethouders van Heer ingestelde commissie ter bestudering van de door het gemeentebestuur van Maastricht aanhangig gemaakte gebiedsuitbreiding, 1962 Internet: topotijdreis.nl; thuisinmaastricht.nl; bodembouw.com; scharn.nl; rksvheer.nl.
Klik hier om terug te keren naar 'Opa vertelt' |