Opa vertelt Louis over Sint Pieter
|
||
|
(Het grondgebied voormalig dorp Sint Pieter)
De keukentafel ‘Eigenlijk zijn aardappelen best wel lekker’ merkte Louis genoegzaam op. Opa had zijn dochter en kleinzoon Louis bij hem thuis aan de eettafel. Niet dat er een speciale gelegenheid voor was, gewoon omdat het zo uitkwam en omdat het gezellig was. ‘Zijn de aardappelen die ik thuis heb soms niet goed genoeg?’ vroeg opa’s dochter aan Louis. Louis die een aardige opmerking wilde maken zei: ‘Dat wil ik niet zeggen, wel dat deze aardappelen lekker zijn.’ Nu vond opa het tijd er iets op te zeggen: ‘dit zijn aardappelen van Sint Pieter’. Even was het stil waarna Louis dan toch als eerste vroeg: ‘zijn die dan speciaal?’ Opa: ‘ja… die komen uit de grond van de Maastrichtse wijk Sint Pieter. Ik dacht dat het alleen de gedachte was dat ze speciaal waren omdat ze daar vandaan kwamen, maar Louis heeft net het bewijs geleverd dat ze echt speciaal zijn.’ Zo speciaal vond Louis het niet maar hij hield even zijn mond, wetende dat er weer een verhaal van opa achteraan zou komen. Iedereen
was stil behalve opa die het woord nam: ‘Kijk, Maastricht is natuurlijk
veel ouder als Sint Pieter is, maar Sint Pieter bestaat toch al de
nodige honderden jaren. In de schaduw van Maastricht. In 1920 werd het
gebied geannexeerd door Maastricht. Sint Pieter kennen we ook van de
Sint Pietersberg. En…. de enige oude schoolplaat die is gemaakt
over Maastricht is die van de Sint Pietersberg.’ Alles dat maar iets
met school te maken had betekende voor Louis de gevarenzone en dus
vroeg hij voorzichtig: ‘Wat is een schoolplaat?’Opa realiseerde zich maar weer dat hij in een andere tijd als zijn kleinzoon op school had gezeten en antwoorde hem: ‘Voordat er digitale schermen op school kwamen vertelde de schoolmeesters aan de hand van één enkele afbeelding een heel verhaal van wat er allemaal op te zien was. Zo’n ene afbeelding noemen ze een schoolplaat.’ Nu begreep Louis ook ineens waar opa dat vertellen had geleerd. De tablet werd er bij gepakt en opa tikte wat letters in. Even later stond er een ouderwetse tekening op het scherm met de titel “Het Maasdal bij de Sint Pietersberg”. Een berg, een rivier, enkele gebouwen en naast de rivier een kanaal. Opa glunderde dat hij de schoolplaat weer eens zag. “Kijk” zei hij, “hier heb ik uren naar gekeken toen ik zo groot was als jij nu bent, die plaat bleef een tijdje in de klas hangen.’ Opa bleef kijken, totdat hij de stilte weer doorbrak: ‘Stukje afgegraven berg, de Maas, Lichtenberg, het kanaal. Goh, toen was er nog veel groen, stonden er minder fabrieksgebouwen. Deze prent is uit 1947 maar er is ook een versie uit 1924, net nadat de ENCI begonnen was met graven. Het echte graafwerk hebben ze kundig op de plaat verborgen gehouden door een andere kijkhoek te nemen.’ Opa zat met zijn gedachten terug in de tijd. Louis keek een beetje onbegrijpelijk en opa’s dochter keek meer ongeïnteresseerd. Maar het was duidelijk, opa en Louis gingen binnenkort naar Sint Pieter. Bij het opstaan pikte Louis met zijn vingers net nog een overgebleven aardappel uit de pan en ad hem smakelijk op. Nieuwstad Welke
route opa in zijn gedachte had wist Louis niet en volgde daarom zijn
opa. Ze fietste door de Sint Bernardusstraat en aan het einde daarvan
onder de Helpoort door. Aan de andere kant van de poort draaide ze en
stopte met het gezicht gericht op de poort. Opa zette zijn voet op de
grond en daarvan had Louis inmiddels geleerd dat dit opa’s vertelstand
is. Opa begon: ‘Over de Helpoort ga ik nu niets zeggen’ en hij zweeg
weer.‘Waarom staan we nu hier bij de Helpoort, we zouden toch naar Sint Pieter gaan?’ vroeg Louis zich af. Opa: ‘Klopt, maar we staan hier waar ooit Sint Pieter was. Vandaag wil ik naar het gebied gaan wat eeuwen lang de Heerlijkheid Sint Pieter was. Dat is voor een groot deel iets anders dan we nu Sint Pieter noemen. Het oude Sint Pieter begon hier vanaf de vesting Maastricht, het park, Villapark, de Sint Pietersberg tot aan de grens en dat tussen de Maas en de Jeker inclusief Jekerdal, met een klein stukje aan de overkant van de Maas. Tegenwoordig is de wijk Sint Pieter de berg, het Nederlandse dal van de Jeker tot de bebouwing van Wolder. De oorspronkelijke woonkern van het dorp Sint Pieter bevindt zich nu in het Villapark.’ Louis begon het een beetje te dagen dat opa er ooit eerder over vertelde, toen ze de zuidwestelijke wijken van Maastricht bezochten en de vestingwerken. Maar herhaling van wat hij kennelijk vergeten was kon ook geen kwaad. Hij lied opa verder praten: ‘De zuidtak van de Jeker, het riviertje uit de buurt van Tongeren, vormde de grens tussen Sint Pieter en de Vesting Maastricht. Door slibafzetting verplaatste zich het stroomgebied van de Jeker. Voor de verdediging van de stad was dit een kwetsbaar deel en daarom werd in 1487 eeuw een grondwal opgeworpen met houten palen, een palissade, waarlangs de Jeker stroomde. Maar als de Jeker veel water te verwerken kreeg werd de grondwal ook aangetast en dat wil je natuurlijk niet hebben als je een robuust verdedigingswerk wilt uitstralen. In 1517 werd het beter aangepakt, er kwam een stenen muur, met de rondelen “Haet ende Nijd” en de “Vijf Koppen“ en zo kwam er een stukje nieuwe stad bij Maastricht, Nieuwstad zoals ze dit stukje noemen tussen de oude omwalling en de nieuwere omwalling.’ Hij wees een beetje zweverig naar rechts achter en ging verder: ‘Dit deel werd arrogant door Maastricht geannexeerd al bleef de grond tot 1794 wel tot Sint Pieter behoren. De verhouding tussen de mensen uit Maastricht en Sint Pieter waren niet altijd warm te noemen. Soms werden alle huizen van Sint Pieter in het schootsveld door de Maastrichtenaren plat gebrand, werd van hogerhand bepaald dat er geen huizen meer mochten gebouwd worden en deden de mensen uit Sint Pieter dit toch. Terug naar hier. In dit stukje nieuwe stad gebeurde niet echt veel. Hier achter ons stond vroeger een molen om buskruit mee te maken, die is afgebroken en toen in 1775 vervangen door deze molen waar papier werd gemaakt.’ Louis krabde even achter zijn hoofd en vroeg: ‘Dit was toch het Pesthuis?’ Er werd nee geschut door opa, hij zei: ‘dat is een misverstand, zo wordt het inderdaad genoemd, maar het echte Pesthuis stond hier links, waar tegenwoordig nog wel eens een terras is te vinden waar je kunt genieten. Daarna kwam op deze plek in 1824 het slachthuis tot begin negentienhonderd ergens. Bewust langs de Jeker zodat men deze als afvalriool kon gebruiken. En zo ontstond “de bloodbak”, de bloedbak. Aan de andere kant had je namelijk een kanaal waar ik later meer over vertel. Omdat de Jeker er stroomde richting de Maas, moest de Jeker onder het kanaal door, met een duiker. De bak van de duiker kleurde soms helemaal rood van het bloed om het maar niet over de geur te hebben.’ Louis had genoeg gezien en terug in de tijd geroken. Ze reden naar rechts, wees opa naar een kale grasvlakte dat tegenwoordig bekend staat als “de Onze Lieve Vrouw wal” maar zei er verder niets bij, over de hobbelige weg om het Pesthuis heen en aan het einde van de straat links onder Poort Waerachtig door. Stadspark Onder
de poort doorgereden keek Louis nog eens om, ‘dit is geen echte
stadspoort’ vroeg Louis die zich vaag nog iets herinnerde dat opa dat
ooit eens tegen hem zei. Er werd ja geknikt en tegelijk wees opa om bij
de eerste zijstraat, de Van Heylerhofflaan, even te stoppen. Opa
vervolgde: ‘Misverstand nummer twee is inderdaad dat gedacht wordt dat
dit een echte stadspoort is geweest, maar dat is dus niet zo. Hier is
de stadsmuur in 1888 doorgebroken en een poort gebouwd met gotische
bogen en kantelen die niet veel later naar beneden denderde. Victor de
Stuers, de Maastrichtenaar die de grondlegger genoemd mag worden van de
monumentenzorg in Nederland, schreef een gedicht dat aan de
veldzijde in de muur is verwerkt en waaraan de poort ook haar naam
“Poort Waerachtig” heeft te danken. De muur werd hier namelijk
doorgebroken omdat in 1867 de vestingstatus werd opgeheven. Wat van
vestingwerken in de weg stond werd afgebroken. De Sint Pieterspoort in
de Sint Pietersstraat was als eerste aan de beurt geweest. Deze muur
werd hier doorgebroken om een betere verbinding met Sint Pieter te
krijgen en met het Villapark dat hier aangelegd ging worden.’Louis was ondertussen om zich heen aan het kijken en hij zag links het straatnaambord “Sint Pieterskade”. ‘Hebben we hier een kade?’ wilde hij weten. Eigenlijk wilde opa iets anders vertellen maar hij gaf toch een antwoord: ‘Ja, dat lijkt er wel op ja. Net vertelde ik je dat er hier een kanaal was, dat bevond zich ook op deze plek. De overkant van de vijver was al de overkant van het kanaal. De huidige vijver was toen een ruimte bocht van het kanaal. Maar nu ga ik toch even terug naar mijn verhaal, de andere kant, ook een vijver. Voor de bewoners van het Villapark werd er hier, nadat Maastricht geen vestingstad meer was, een mooi park aangelegd. En denk je nu dat hier het oudste stadspark is?’ Er werd ja geknikt door Louis, hetgeen opa ook had gehoopt. Opa knikte van neen en zei er bij: ‘Misverstand nummer drie, toen er nog volop sprake was van een vesting werd al in 1653 voor de Onze Lieve Vrouwenwal een park aangelegd, toen speciaal voor de officieren. Net wees ik naar die kale groene grasvlakte, daar was toen een mooi park. De niet in Maastricht geliefde Dibbets vond het vesting-technisch dat het toch weer moest verdwijnen. Enkele jaren erna, 1836, kwam er een nieuw park. Een Engelse tuin zoals in die tijd meer parken werden aangelegd. Idyllisch mooi. Rechts van de Helpoort bevond zich een hoge brug over de Jeker die toen stroomde over de plek waar nu ongeveer het wandelpad is. Dat park werd uitgebreid richting Sint Pieter en reikte tot de huidige Kennedybrug zoals we nu nog steeds het park hebben. Er stonden overal bomen en mooie slingerpaden. Maar hier een aan de overkant was een kiosk met ernaast een uitspanning, Coffiehuys genaamd. Hier werd de nodige muziek geblazen en getrommeld en gedronken en gedanst. Misverstand vier is te noemen dat er vroeger geen vandalisme bestond en de burgers zich kuis gedroegen. Voor het park werd speciaal een opzichter aangesteld die er op toe moest zien dat er niets gesloopt en gestolen werd en iedereen zich ongekreukt gedroeg. Er was zelfs een hekwerk om het park geplaatst met toegangspoorten die een uur voor zonderondergang gesloten werden. Mocht er in de drinkgelegenheid een avondfeest zijn was er een speciale toegangsweg, met gasverlichting voor de veiligheid. Maar het aangename vertier had natuurlijk wel de overhand, net als de zon die er altijd scheen. Ja, er zijn veel sterke verhalen over te vertellen. In de tijd dat het kanaal werd gedempt, de brede Maasboulevard werd aangelegd, kwam er ook een einde aan dit tijdperk.’ Louis zag alleen maar veel gras met enkele grote bomen staan. Hij kent het park alleen dat het er ’s zomers vol ligt met studenten. Villapark en Jekerkwartier Zijn
vinger wees naar de oude grote woningen en vroeg: ‘Zijn dit de villa’s
van het Villapark? Opa: ‘Misverstand nummer vijf, hier begon het
Villapark. Tegenwoordig wordt dit deel tot aan de Prins Bisschopssingel
het Jekerkwartier genoemd en is niet meer Villapark en niet meer Sint
Pieter.’Louis kreeg niet het antwoord op wat hij bedoelde en probeerde opnieuw: ‘Een villa is toch een groot losstaand huis?’ Opa: ‘oh dat bedoel je, je hebt al misverstand nummer zes te pakken. Je hebt inderdaad niet alleen maar villa’s in het Villapark. Toen er niet genoeg interesse was voor zo’n grote villa met minimaal vijfenzeventig procent van het perceel tuin en aantal aanvullende voorwaarden, werden de plannen enigszins bijgesteld en kwamen er ook niet villa’s, ofwel herenhuizen. Maar nog altijd ruim te noemen hoor.’ Opa ging verder met wat hij echt wilde zeggen: ‘De gemeente was begonnen een villawijk te maken om de middenklasse van Maastricht aan zich te binden. Eerst had de gemeente nog wat klusjes te klaren voor ze echt konden beginnen met bouwen. Het gebied werd ontdaan van de vestingwerken, geannexeerd, de grond werd van het rijk gekocht om het weer een stuk duurder te kunnen verkopen. In 1888 lagen de plannen dan gereed. In een deal met een waterleiding bedrijf uit Rotterdam was er ook leidingwater beschikbaar. Het was ruim van opzet, veel bomen en vooral groen. De opzet was een zestal bouwblokken, A tot en met F met een grote rotonde in het midden. Hier voor ons is blok A, rechts B, daarnaast C en aan de andere kant van de Prins Bisschopssingel, ten zuiden van blok A kwam blok D en zo verder. De gemeente was gewend om nieuwbouwprojecten binnen de stadsmuren per straat aan te pakken. Zo werd het hele project het Villapark genoemd en verder aangeduid met het bouwblok. Later werden pas straatnamen gegeven die ook nog eens veranderde tot de huidige naamgeving.’ De twee kwamen weer in beweging, verder de Van Heylerhofflaan in. Rechts een park, een vijver en de historische stadsmuur op de achtergrond en links de statige herenhuizen en verder overal hoge statige oude bomen. Dat sinds 1888 het autobezit is toegenomen was ook duidelijk geworden. Links passeerden ze een tweetal ruime straten met bomen. Aan het einde van de weg staken ze de Hubertuslaan over. Bij de Hubertuslaan reden ze naar links. De kommen ofwel de koompe Rechts
was de voormalige Tapijnkazerne te zien en daar werd even gestopt.
Louis was hier vaker geweest en kon tegen opa vertellen: ‘Dit is
vroeger een militaire kazerne geweest he?’ Opa knikte bevestigend en
voegde er aan toe: ‘Dit hele gebied tot en met de grasweide aan de
overkant van de Prins Bisschopssingel bevonden zich drie grote
waterbekkens, “koompen” in het Maastrichts. Binnen enkele dagen konden
de kommen met het water van de Jeker blank gezet worden door de sluizen
bij de Reek dicht te zetten. Omdat er een hoogteverschil is werden er
verschillende kommen gemaakt. Daarnaast stonden achter de kommen en het
hele gebied via de Glacisweg tot aan de Maas ook diverse
vestingwerken met water. Toen de vestiging opgeheven werd kwam de grond
vrij waar het huidige Villapark kwam.’ Helemaal vreemd was het
gebied niet voor Louis maar probeerde zich wel voor te stellen hoe
groot de kommen waren en vroeg ter bevestiging: ‘Dus de “koompe” waren
niet alleen die grasweide aan de overkant?’ Opa knikte: ‘Klopt,
misverstand nummer zeven zou je kunnen zeggen, wordt wel vaak zo gezegd
omdat alleen die grasweiden, het voormalige sportterrein van de
kazerne, nog vandaag de dag zo genoemd worden. en het gebied tot aan de
Maas is natuurlijk ook omvangrijk.’Ondertussen begon Louis zich af te vragen wanneer hij het verhaal hoorde over de Tapijnkazerne maar hij hield vol en dat deed opa ook: ‘Ongeveer vierhonderd jaar gelden werd het eerste garnizoen hier gevestigd. Tot die tijd werd de stad hoofdzakelijk door de burgers zelf verdedigd. De eerste soldaten waren huursoldaten uit Wallonië en gehuisvest bij de burgers thuis wat natuurlijk nog wel eens problemen kon opleveren. Er werden voor de manschappen houten barakken gebouwd, denk maar aan de Hoge en Lage Barakken in Maastricht. Die werden later weer vervangen door langwerpige gebouwen volgens het plan van vestingbouwer Vaubon. Luxe en prettig was dat leventje er niet. Toen de kloosters verboden werden en kloostergebouwen vrij kwamen werden die voor een deel kazernes. De dreiging werd minder en zo kromp ook de bezetting van het garnizoen in Maastricht. De vesting werd ook opgeheven. Begin twintigste eeuw begon er wel weer een dreiging te komen. Nu van Duitsland richting Frankrijk. België begon al verdedigingswerken te maken en om niet achter te blijven zouden ze via dit gebied kunnen doortrekken. Er werd besloten een nieuwe kazerne te bouwen en kwam in 1919 hier terecht. Het werd gebouwd volgens het paviljoenprincipe. Verspreid over een ruim terrein kwamen diverse gebouwen met elk hun eigen functie. In de loop der tijd zijn er ook gebouwen gesloopt en bij gekomen. Op het terrein zijn ook enkele bunkers gebouwd. Toen de laatste militair in 2010 de deur stevig afsloot kwam het gebouw uiteindelijk ter beschikking aan de Universiteit en werd het park openbaar gemaakt. Tot die tijd kwam je het terrein niet binnen of je moest wel een hele speciale reden hebben.’ Louis wist wel dat hij een antwoord zou krijgen maar opa ging verder: ‘Niet het hele terrein was voor de kazerne in gebruik. Het deel langs de stadsmuur, waar de Jeker een nieuw stroomgebied had gekregen omdat een rivier door een kazerneterrein niet zo handig is, werd park. Om het peil van vermaak en vertier op te schroeven tot lering kwamen er ook dieren in het park. Herten, een pauw, vogels en beren.’ Nu keek Louis wel heel bedenkelijk: ‘beren?’ Opa knikte weer: ‘ja, beren. De eerste beren arriveerden in 1920 en leerlingen van de ambachtsschool, toen had je nog scholen waar je voor een beroep leerde, hadden een mooie kooi voor ze gemaakt. De stad had twee beren gekocht van een circus en dacht dat de beren beertjes konden maken zodat ze de nodige jaren beren in de stad beren hadden. Het waren echter twee mannetjes en dat in een tijd dat mannetjes nog echt mannetjes waren. De twee beren, Max en Polla, stierven. Er kwamen twee nieuwe beren die de zelfde naam kregen. Zij kregen wel kinderen, Cor, Sjakkie en Jo. De oude kooi was te klein en er kwam in de jaren zeventig een nieuwe kooi, een ronde bak van beton. Maar ook deze was te klein. Max en Polla werden overgeplaatst naar de Zoo in Zwartberg. Hele generaties kinderen stonden aan het hekwerk naar de beren te kijken. Cor en Sjakkie stierven. Maar het was toch ook zielig één beer eenzaam in een betonnen kuil. Jo, werd overgebracht naar Ouwehands Dierenpark. Toen Jo stierf in 1993 is deze nog aangeboden aan het Natuurhistorisch Museum om op te zetten maar die hadden er geen interesse in. Van Jo, met menselijke trekjes, is nog wel een bronzen beeld gemaakt die in de nabijheid op een bankje zit. Het tijdperk van echte beren in het stadspark was voorbij.’ Opa ging nog even door: ‘En nu we toch in de sentimentele hoek zitten van Maastricht kom ik nog even terug op de Kachelpiepers. Toen de Carnavalsvereniging de Tempeleers na de oorlog werden opgericht zochten ze een prinsengarde om de Stadsprins te beschermen. Ze klopte aan bij de Tapijnkazerne en daar was wel een club die de Prins wilde beschermen. De manschappen kregen met carnaval vrij maar mochten geen alcohol. Toen het regiment werd opgeheven werd het beroepskorps vervangen door vrijwilligers en die beschermen de Prins nog tot heden ten dage. Verschil is wel dat ze alcohol mogen drinken.’ ‘Maar wat hebben die nu met kachelpijpen te maken?’ vroeg Louis zich af. Hier had opa ook wel een antwoord op: ‘Het regiment dat hem beschermde waren er voor de bediening van een mortier. Een mortier is een wapen dat uitziet als een pijp met een korte haaksebocht, net als een kachelpijp.´ Louis knikte goedkeurend. Ze reden verder. Bij de drukke kruising werd even gewacht om over te kunnen steken. Louis: ‘Hier rechts waren de kommen dus. En deze weg gaat over de plek wat ooit de kommen waren?’ Nu knikte opa goedkeurend. Louis verder: ‘En helemaal links was voor de knik van de Kennedybrug dat mooie plein met een fontein, totdat de Kennedybrug er kwam en dit een drukke weg werd.’ Opa knikte nu helemaal goedkeurend dat Louis dat van een andere keer onthouden had. Toen
het verkeerslicht op groen sprong staken ze de drukke Prins
Bisschopssingel over en stopte even verder rechts bij het
politiebureau. Dit leek er weer op dat er een heel verhaal stond aan te
komen dacht Louis. Opa begon met zijn verhaal: ‘Vijfentwintig jaar
voordat dit politiebureau er kwam was al duidelijk dat het vorige
politiebureau niet meer geschikt was. Toen werden er al vragen gesteld
wanneer het nieuwe bureau er zou komen. Na de oorlog werd het steeds
drukker voor de politie en nog drukker in het politiebureau. Aan het
Vrijthof, waar nu het Theater aan het Vrijthof is, was toen het
politiebureau maar dat was een stuk kleiner als het theater nu is.
Verdachte personen moesten helemaal door het bureau geleid worden waar
ze ook anderen verdachten tegenkwamen en dat verliep nu niet altijd
even soepel. Het zag er ook ronduit onderkomen uit. In 1979 kwam
dit bureau er en dat was toen hartstikke modern. Overal camera’s voor
de beveiliging, een aparte doka- en fotoruimtes en de verdachten hadden
nu een eigen gebouw zodat ze niet door het gebouw worden geleid.
Ook een eigen sporthal en moderne schietbaan, een grote garage, ruime
kantine met veel betere voorzieningen en fatsoenlijke werkplekken.
Ondanks het toen al ruimer gebouwd werd dan nodig is een uitbreiding
toch noodzakelijk geworden omdat het nu functies voor geheel
Zuid-Limburg vervult. De werkzaamheden zijn ook veranderd. Vroeger
waren er twee meldkamers, één voor de gebruikelijke meldingen en één
voor speciale gelegenheden. Achter het bureau is nu een ovaal gebouw
met het Meld- en coördinatiecentrum. De meldkamer, het callcenter,
kantoorfuncties en dat allemaal als zenuwcentrum van de Zuid-Limburgse
crisis- en rampencoördinatie.Louis wees naar een standbeeld dat tegen het politiebureau hoog op een sokkel stond, een man zittend met een adelaar erboven. Opa zag weer een aanleiding er iets over te vertellen: ‘Dat is Sint Servaas, de patroonheilige van de stad, die de inwoners van Maastricht symboliseert en de adelaar de beschermende taak van de politie. Toen Servaas op de terugweg was van zijn pelgrimstocht naar Rome, werd hij door de Hunnen overvallen en opgesloten in een donker hok. Het verblindend licht van God wist hem te bevrijden. De adelaar bleef de hele terugreis Servaas beschermen tegen het felle licht en vijandelijke aanvallen. Een verhaal uit de Servaaslegende van Henric van Veldeke en verbeeld door Han van de Wetering.’ Louis: ‘Mooi.’ Ze reden verder. Er was geen ander verkeer en daardoor konden ze gezellig naast elkaar fietsen. Bij de tweede weg links, de Glacisweg, wees opa de straat in en zei erbij: ‘tot hier waren de vestingwerken en begon dan toch echt Sint Pieter. Hier links op de hoek, zijde Sint Pieter, staat een oud boerderijtje uit einde negentiende eeuw. Je mag er wel van uitgaan dat het destijds gebouwd is in het open veld. Tot 1977 was het nog in gebruik als boerderij. Later, zoals zoveel boerderijen, verbouwd tot woonhuis. Achter het huis waren destijds allemaal kleine stallen. En recht voor ons heb je dan nog het fort maar daar zijn we al eens geweest.’ Louis knikte, dat kon hij zich nog wel herinneren. Ondertussen kwamen ze bij een vijf-sprong. Mergelweg Daar werd de weg naar rechts gevolgd, de Mergelweg. Rechtdoor naar boven was de Luikerweg. Bij de vijfspring wees opa de eerste straat rechts in en zei: ‘Honderd jaar geleden stonden hier nog nauwelijks huizen en kon je ver kijken. Daar kon je de Champs Elysees zien.’ De jonge aanhoorder keek bedenkelijk. Het bleef even stil maar toen kwam dan toch de vraag: ‘Kon je toen helemaal tot aan Parijs kijken?’ Opa glimlachte en zei: ‘haha, nee, zo goed waren de brillen nog niet ontwikkelt, Champs Elysees was een etablissement, een horecagelegenheid zoals we dat nu zeggen. De Champs Elyseesweg herinnert daar nog aan.’ Een goedkeurend knikje verscheen tijdens het fietsen van de jonge aanhoorder. Omdat opa nog wel eens de neiging had ergens iets te drinken als hij langs een horecagelegenheid kwam, verbaasde Louis het dat hij zonder een woord er over te vertellen langs het café en restaurant onder aan de voet van de Luikerweg fietste. Aan beiden kanten bevonden zich huizen. Rechts aaneengesloten en links tegen de helling van de Sint Pietersberg was het ruimer van opzet. Even voorbij de tweede zijstraat rechts was er links een bij een sportpark een parkeerplaats en daar stopte opa weer. In plaats van te kijken naar het sportpark keek hij naar de huizen aan de overkant van de weg met er boven uit stekende bomen en struiken op de helling van de berg. Opa haalde adem en begon weer te vertellen: ‘Aan de overkant was daar een imposante grotingang waar muffe lucht uitkwam. Tien meter breed en wel dertien meter hoog. De Groote ingang werd het genoemd ofwel de La Grande Entree. Het was de grote ingang tot het grottenstelsel dat zich in de Sint Pietersberg bevindt. In de ingang was een grotwoning en ook hier vooraan stond een boerderij. In deze ingang bevonden zich meerdere ingangen naar delen van de grotten. Het dorp Sint Pieter bevindt zich op en rond deze berg en ik kom er straks nog wel een paar keer op terug. Deze ingang stortte in 1916 in. Er zijn nog andere ingangen tot het stelsel en het loonde zich niet de ingang weer vrij te maken.’ Er werd even naar de huizen met daarachter uitstekende bomen gestaard waarna de vraag van Louis kwam: ´Van wie was eigenlijk die grot?' Opa: 'Laat ik beginnen met misverstand acht, we noemen het hier wel grotten maar het is een groeve. Het verschil is namelijk dat grotten ontstaan zijn vanuit een natuurlijk verschijnsel en groeven door de mens gegraven zijn. De gangen die je in de Sint Pietersberg zijn allemaal door mensen gemaakt en dus zijn het groeven. Maar overal kom je in de spreektaal het woord grotten tegen als we het over deze gangen hebben. Als we het hebben over afgravingen, bijvoorbeeld de ENCI, in de open lucht, dagbouw, dan hebben we het wel nog steeds over groeven. Terugkomen op je vraag, wie de eigenaar is van de bovengrond is ook eigenaar van de ondergrond waar zich de gangen bevinden. De Sint Pietersberg kende verschillende eigenaars, allemaal een eigen stuk grond. Vaak generaties lang in de familie. De grotten aan deze zijde waren gemeenschappelijk bezit van de inwoners van Sint Pieter en zij mochten, na toestemming, voor eigen gebruik hier mergelblokken uithalen.' Een goedkeurend knikje volgde van Louis en opa fietste samen verder. Maar enkele meters verder wees opa al rechts de Drabbelstraat in en volgde het verhaal: ‘Waar nu natuurclub IVN en CNME zit was vroeger de gemeentelijke kwekerij van de bloemen en bomen die je in de stad aantrof. Een stukje verder heb je het buurtschap Lombok. Een drietal molens aan de Jeker op een kluitje. Slaan we nu even over maar kijken straks bij de Nekummermolen. De molens waren de fabrieken van vroeger. Bij de molens van Lombok werd graan gemalen en olie geperst. Ook werden er geweerlopen getrokken. Maastricht stond bekend om zijn geweerfabrieken. In de gladde lopen werden sporen getrokken zodat de kogels die eruit kwamen veel gerichter konden schieten. Eind negentiende eeuw had Nederland een kolonie in Indië. Op het Indonesisch eiland Lombok greep Nederland destijds hard in met gebruikmaking van geweren. De geweren waren afkomstig uit… ‘ Het was even stil totdat Louis stilde zei: ‘Lombok’ waarna het weer even stil was. De Mergelhoof Stil bleef Louis niet lang, als grote jonge merkte hij op: ‘Ik zag net het bord “Speeltuin Mergelhoof naar links” aan de kant van de weg staan, daar hoeven we toch niet naar toe hè opa’. Opa: ‘Nou, dat zou wel leuk geweest zijn, de Mergelhoof is net een voorbeeld van een groeve. Groeve Van der Zwaan. Genoemd naar de oprichter van de NV Kalkmergelmaatschappij Sint Pietersberg op het grondgebied van burgemeester Ceulen. Daar werd gebroken en gezeefde mergel verkocht en dat werd weer gebruikt voor de glasindustrie en landbouw. Probleempje was alleen dat de grote boten niet tot hier kwamen maar wel aan de andere kant van de Sint Pietersberg. Daarvoor werd een kabelbaan aangelegd, een luchttrein, helemaal over de berg. In bakjes aan de kabelbaan konden de mergelblokjes tijdens de rit uitkijken over de Montagne Saint Pierre. Aan de andere kant van de berg werd het gebroken en gezeefd en was het kanaal en kon het verscheept worden. Voor één cent per tien kilo.’ Was een beetje lastig voor te stellen nu Louis niet zag waarover opa spraak maar opa kon gewoon verder gaan: ‘Die kabelbaan was eigenlijk niet zo’n succes, nogal kwetsbaar. Was van hout gemaakt, elektromotoren die geregeld stuk waren en vandalisme. Daarom werd de heer van Shaïk gevraagd of hij een tunnel kon laten maken dwars door de berg zodat het met een klein treintje door de berg gereden kon worden. Dat was nogal een uitdaging. Het eerste stuk ging onder instortingsgevoelige grondlagen door en werd een betonnen delen verstevigd. Een klein stuk door bestaande mergelgang, nieuw gegraven mergelgang en nog een stuk onder instortingsgebied door. Dat was wel best spannend om te maken. Dat werd in gewapend beton gemaakt. Eerst een klein gangetje dat in etappes groter werd. Voor als het mis ging hadden ze ook een ontsnappingsroute gemaakt, rioolbuizen op de treinwagons. Daar hebben ze één keer gebruik van moeten maken. Die tunnel heeft de naam Van Schaïktunnel gekregen. Van Schaïk heeft in de jaren dertig ook veel onderzoek gedaan in de berg. En als we het dan toch over die tunnel hebben, aan de andere kant is er in de oorlog ook een kluis gebouwd die op prima temperatuur en vochtigheid werd gehouden. Die is namelijk gebruikt geworden om de kostbaarste schilderijen van Nederland in onder te brengen. Daaronder ook de Nachtwacht. Die werd er opgerold bewaard.’ Ondertussen was opa sneller beginnen te spreken want het volgende onderwerp kwam in beeld, Café Den Dolhaart. Hier zei hij over: ‘Wat nu Café Den Dolhaart was, was vroeger een boerderij en in één van de kamers begon het café. Dat zag je vroeger wel vaker dat iemand thuis een café begon. Dit café bestaat al sinds 1930 en is tot voor kort geleden in dezelfde familie gebleven. De laatste kasteleinsvrouw van de familie was tweeënnegentig en wellicht één zo niet de oudste kasteleinsvrouw van Nederland. De kleinzoon had het café willen voortzetten, moderniseren, maar dat is toch niet gelukt.’ Louis hield zijn remmen in de gaten want hij dacht dat opa er zou stoppen, maar reed toch verder. De Schark Ze
reden de stad uit. Eerst netjes aan de kant maar na een paar honderd
meter reed opa naar de overkant van de weg. En daar stopte hij, op de
oprit naar de Schark. Louis dacht al, dat wordt een verhaal. En
inderdaad, opa begon te vertellen: ‘Heel lang geleden was aan het einde
van deze weg Groeve de Schark. Een kleine opzichzelfstaande groeve die
al zeker tweehonderd jaar bestaat. De ENCI, de cementfabriek die een
groot deel van de berg heeft afgegraven, had het recht om het
achterste deel van de groeve af te graven maar heeft dat niet gedaan om
deze groeve zoveel mogelijk intact te laten. Vanwege de culturele
waarde maar ook vanwege de verhoudingsgewijze vele vleermuizen die er
’s winters verblijven. Rond 1825 kwam er een boerderijtje waar de
familie Hameleers ging wonen. In 1920 kochten de Broeders van de
Onbevlekte Ontvangenis van Maria Ontvangenis ofwel de broeders van
Maastricht ofwel de Broeders van de Beyart dit gebiedje. Met mergel uit
de groeve werd er een buitenverblijf gebouwd. Hier, langs deze
weg, liepen de broeders op hun vrije woensdag vanaf de
Brusselsestraat naar hier. Ze vermaakte zich onder andere met sporten,
tuinieren en in de grot maakte ze ware kunstwerken. Een deel van de
oude boerderij werd afgebroken en er kwam uitbreiding van een ander
deel van de boerderij. Daar hebben ook broeders gewoond die er voedsel
verbouwde voor de broeders zelf en hun internaat. Hun boerderij werd
ook wel eens broederij genoemd. Het aantal broeders liep terug en het
verblijf werd ook voor andere doeleinden gebruikt. Op dit moment wordt
het verhuurt voor Dagopvang voor ouderen. En ook deze mensen komen en
gaan via deze weg. De boerderij aan de zijkant is inmiddels een luxe
woonhuis geworden.’Er werd nog eens naar de weg naar de Schark gekeken. Ze kwamen er geen stap op vooruit maar opa wel met zijn verhaal: ‘Grote bekendheid heeft deze plek gekregen in de eerste Kerstnacht na de bevrijding gekregen. Maastricht was in september 1944 bevrijd. De Amerikanen die ons bevrijd hebben liepen hier nog rond. Blijdschap was er maar ook nog steeds spanning. Het Ardennenoffensief was vlak voor kerst in alle hevigheid losgebarsten en dat zou nog wel eens consequenties voor deze streek kunnen hebben. De rest van Nederland was nog bezet. Die sfeer. De broeders organiseerde voor de Amerikanen, die ver van huis waren, zonder familie om hen heen, deel uitmakend van een oorlog, in de grot op kerstavond de Nachtmis. Dat gebeurde in de grot. Met kaarsen was de grot sfeervol verlicht, er was speciaal een altaar gemaakt, een muurtekening, de broeders zongen, er was een broeder die speelde op een harmonium, een soort luchtorgel, Amerikaanse soldaten zongen hun eigen liederen en één van hen begeleide ze op gitaar. En een Amerikaanse pater verzorgde de dienst. De spanning van de oorlog enerzijds, het gemis van familie en vrienden om hen heen, in een ver land en anderzijds de geborgenheid om samen in een grot dit beleven maakte diepe indruk op de honderden aanwezigen. Op de wand werden de namen geschreven van wie er bij waren. Die namen staan er nog steeds. Kort na deze dienst moesten de Amerikanen die hier gelegerd waren naar de Ardennen gaan voor het offensief. Velen die toen hier waren hebben er het leven in de Ardennen gelaten. Begin jaren tachtig zijn in de grotten nog tekens aangebracht ter herinnering aan deze nacht. In 1980 werd de mis in de kerstnacht door tweehonderdvijftig Amerikanen die er toen bij waren wederom gevierd. Dat al die mensen, uit Amerika, hier naar toe komen zegt ook natuurlijk iets. Sinds die tijd wordt vrijwel jaarlijks deze nachtmis nog steeds op hetzelfde moment als destijds gehouden. Van alle herinneringen die op deze plek liggen is de gebeurtenis van toen de belangrijkste. Dat begrijp je nu wel. Geen enkel bezoek aan deze grot wordt gedaan zonder aan die Kerstnacht terug te denken.’ Het was weer even stil toen naar de toegangsweg van de Schark werd gekeken. Nekum Zonder
ook maar één woord te zeggen fietste ze verder. Bij het eerste pad naar
rechts fietste ze in en draaide verder naar rechts richting een
gesloten poort van een sportterrein. Daar werden de fietsen neergezet
en werden de fietsen afgesloten. Ze liepen terug naar de eerder
ingeslagen weg. Daar begon opa met zijn verhaal: ‘Dit is lange tijd het
domein geweest van de familie Regout, die van de Sphinxs en andere
fabrieken. De oude heer Petrus Regout had de stukje verderop gelegen
molen gekocht die hij gebruikte om glazuur te maken en dat had hij
nodig voor zijn aardewerk. Die molen zien we zo dadelijk. Hier liet
Petrus Regout halverwege de negentiende eeuw een villa bouwen. Daar
werd ook een tuin van drie hectare bij aangelegd, drie keer zo groot
als het Vrijthof. Hier ging hij niet zelf wonen maar stelde deze ter
beschikking aan de Jezuïeten. Jezuïeten waren paters en gingen het
gebruiken voor hun ontspanningsdag, net als de broeders van de Beyart
de Schark gebruikte. Ook zij deden er spellen, sporten en gingen ook op
onderzoek uit in de grotten van Sint Pieter. Toen de oude heer Petrus
in 1878 stierf erfde zijn zoon Petrus II de villa met de tuin.
Die wilde er zelf gaan wonen. De paters konden vertrekken. Petrus de II
was niet zo aardig als zijn vader. Later zou hij bekend komen te staan
over de manier zoals hij met zijn arbeiders om ging.’Louis bleef aandachtig luisteren naar opa, die ging verder: ‘Helemaal duidelijk is het niet maar waarschijnlijk heette de villa toen Villa Nekum en is afgebroken waarna het deze villa er is gekomen met de naam Villa Canne. Later liet bouwde Petrus II er aan de rechter zijde een uitbreiding aan met een keuken en dienstverblijf voor zijn huispersoneel. Ook liet hij in 1886 een koetshuis en koetsierswoning bouwen’ en opa wees naar het huis aan de Mergelweg aan het uiteinde van de weg. ‘Toen Petrus II stierf ging zijn zoon in de villa wonen. Die liet in 1905 een tweede koetshuis met paardenstallen bouwen, op de plek waar eerst een andere molen stond, dat zien we straks. Die eerste Jules kreeg ook weer kinderen, ook weer een Jules, en die ging er wonen toen zijn vader stierf. Ook hij was niet onsterfelijk en stierf. In 1957 verkocht de familie Regout het na een eeuw in familiebezit te hebben aan de KNP die het als ontspanningsruimte gebruikte. In de jaren zeventig is het opgeknapt en weer verkocht. Natuurlijk hebben er in de loop der tijd nog enkele verbouwingen plaatsgevonden maar veel is nog van het oorspronkelijke bewaard gebleven. Die beuken bomen hiervooren andere bomen staan op een lijst van bijzondere bomen.' Nu begon Louis nieuwsgierig te worden naar de molen. Ze liepen verder de voor auto’s doodlopende weg in. Links was een buitentoegangspoort waar opa naar wees en vertelde er bij: ‘Hier is het tweede koetshuis in 1905 gebouwd en ondertussen, net als dat eerste koetshuis, ook verbouwd tot een woning. Maar voordat hier een koetshuis werd gebouwd stond hier een molen. Met de aanschaf van die begon het Regout-tijdperk in Nekem. Die gebruikte hij voor de bereiding van glazuur waarmee het aardewerk van een beschermlaag werd voorzien. De poort is er nog een onderdeel van, de rest van de molen is afgebroken.’ Ze liepen enkele stappen verder en toen stonden ze op de voetgangersbrug, over de Jeker zoals het bordje aangaf. Op
de brug bleef opa staan en keek naar links, hij legde zijn handen op de
leuning van de brug en begon weer: ‘Kijk, de molen aan de rechterkant
heeft Regout in 1856 ook gekocht. Zowel links als rechts van de Jeker
was er dus een molen. Er is een tijd geweest dat beide molens een eigen
molenrad hadden en er is een tijd geweest dat ze een gezamenlijk
molenrad hadden. Ook is een tijd geweest dat beiden aan elkaar waren
verbonden met een aandrijfas en er is een tijd geweest dat de molens
zijn afgebroken. In 1869 kreeg Regout toestemming een nieuwe molen te
bouwen die natuurlijk beter was. Die molen was tot 1930 in gebruik.
Toen was de techniek zo verbeterd dat het ook in de fabriek in de
Boschstraat kon. In 1937 werd de molen verkocht aan een oud ijzer
handelaar. Daarna zijn er nog wel plannen geweest met deze molen maar
uiteindelijk, na veel leegstand, ook verbouwd tot woonruimte.’Louis tuurde naar de harde stroom van het water. ´Daar moet je niet invallen hè´ merkte Louis op. Waar komt dit water vandaan?´ vroeg Louis. Opa: 'het water komt uit de Geer' en knipoogde erna direct. Hij ging verder: 'Het riviertje de Jeker heet in het Franstalige gebied de Geer en soms ook Jaer of Djer. Een kilometer of vijftig zuidwestelijk borrelt het water in het Franstalige deel naar boven, stroomt ook door het Nederlandstalige gebied, weer een stukje Franstalig om de laatste vijf kilometer van haar bestaan door Nederland te stromen om in de Maas in Maastricht te worden opgeslokt door de Maas. ‘Zitten hier ook vissen in het water?’ wilde Louis weten. Opa knikte, bewoog zijn vooruitgestoken rechter hand met de duim plat bovenop zijn hand die een kronkelende beweging maakte en verteld daarbij: ‘Ja, vanuit de Maas zwemmen de vissen tegen de stroom in richting Wallonië. Onderweg heb je vier vistrapjes, hier links van de molen, linker deel van de Jeker heb je er één. Met trapjes zwemmen de vissen steeds een trede hoger. Bij de vistrap in de stad worden met electroden het aantal vissen geteld die de trap beklimmen. Vroeger was het de visrijkste rivier van Limburg. Begin negentiende eeuw kwam er in Wallonië een suikerfabriek en die vervuilde de Jeker behoorlijk. Duizenden bewoners in het stroomgebied van de Jeker gebruikte het riviertje als riool. Ze werd ook gebruikt om huisraad in weg te smijten en zelfs kadavers werden er in gedumpt. Maar dat was vroeger, het gaat nu weer beter met de Jeker.’ Het stromend water bleef interesse houden bij Louis, nu vroeg hij: ‘Hoe lang stroomt dat riviertje hier al?’ Het leek erop alsof opa aan het uitrekenen hoe oud hij was toen hij hier eerder was en de Jeker er nog niet stroomde. Maar zo oud was opa niet, hij was aan het denken wat hij zou vertellen: ‘Doe eens een gok’ vroeg hij aan zijn kleinzoon. ‘Honderd?’ sprak Louis twijfelend. ‘Ouder’ was opa’s reactie, ‘duizend?’ er werd nee geschud, ’tienduizend?’, weer een nee, ‘honderdduizend jaar?’ en weer volgde er een nee. Een zeer twijfelende Louis: ‘Eén miljoen dan?’ Opa hield even in en zei toen weer: ‘Ruim anderhalf miljoen’. Even viel een stilte om iets bij dat jaartal voor te stellen. Jekervallei Het verhaal kreeg een vervolg: ‘Eerst stroomde de Maas meer naar rechts. Maar doordat de aardlagen oostelijk van Limburg omhoog kwamen kwam de Maas te liggen waar hij nu stroomt en ontstonden er nieuwe stroompjes. De Jeker was er één van. Hiermee heeft de Jeker verschillende ijstijden overleeft. Als er periodes waren dat het ijs smolt gutste het water door de vallei en sleepte van alles mee in het natuurgeweld. En zo is dit Jekerdal ontstaan.’ En keken ondertussen naar rechts en liepen verder, van het brugje en daar stonden ze weer even stil. Opa ging verder: ‘Op die flauwe hellingen aan de overkant scheen de zon, smolt het water en sleet het dal verder uit. Waar geen zon scheen zijn de hellingen steiler.’ Louis knikte tussendoor. Opa: ‘Honderd jaar geleden was dit dal nog vrij vochtig. Toen het Albertkanaal gegraven werd, een stuk zuidelijker, is het Jekerdal een stuk droger geworden. De Servatiusbron,‘ tussentijds draaide opa iets richting de stad en wees naar de bosje links in het dal, ‘is toen ook droog gevallen.’ Over die bron had Louis al eens eerder gehoord. Langzaam liepen ze verder over de landweg. Opa begon zijn voeten een beetje apart neer te zetten en huppelde wat alsof hij over lava wandelde. De toelichting hierop volgde al snel: ‘Dit Jekerdal of Jekervallei behoort met de wijkenindeling tot Sint Pieter. Vandaag wil ik het eigenlijk alleen hebben over het Sint Pieter toen het nog een dorp was. De grens liep toen tot de Jeker, en daar zijn we nu net overgestoken.’ Nadat hij dit gezegd had, Louis niet reageerde, begon hij ook weer normaal te lopen. Ondertussen
stonden ze nabij een boerderij. ‘Dit is zeker Hoeve Nekum?’ meende
Louis te weten. Er werd bevestigend geknikt door opa waarna de onderste
lip van opa bleef knikken: ‘Deze boerderij stamt uit zestienhonderd
maar werd in dertienhonderd al genoemd. Om deze boerderij was een
slotgracht gegraven. Met name voor de afwatering in dit natte gebied.
Belangrijker over deze hoeve te melden is dat hier geen wortelboer is,
geen geitenboer maar een wijnboer.’ Louis begreep de interesse van opa.
‘De familie Bollen woont hier al enkele generaties en besloten in 1988
een wijngaard aan te leggen. Niet zo heel lang geleden dus maar wel het
op één na oudste wijngoed van Nederland. Eerst was achter ons de
wijngaard maar dat lukte niet echt. Nu hebben ze op andere plekken de
wijngaard aangelegd en dat gaat goed. En om er een Argentijns oranje
tintje aan mijn verhaaltje toe te voegen, wijn van deze wijnhoeve werd
gebruikt tijdens de bruiloft van Koning Willem Alexander en zijn
Maxima.’Even dacht Louis na en kwam met de verwachting: ‘Dan zijn ze zeker Hofleverancier?’ Opa: ‘Dat zou je denken, misverstand nummer negen, hofleveranciers hebben niks met leveringen aan het hof te maken. Het is een ere predicaat dat bedrijven en eigenaren keurig gedrag vertonen en minimaal honderd jaar bestaan. Daar komt zelfs de oudste professionele wijngaard van het land nog niet voor in aanmerking’ en wees naar rechts de weg af, naar een boerderij die bovenop de heuvel stond. Ze draaiden naar rechts om de boerderij op de heuvel goed te zien en opa vertelde verder: ‘Daar heb je de Apostelhoeve. Daar zijn ze pas in 1970 weer begonnen met wijn te maken. Het is ook een van de grootste wijnboeren van Nederland. Ruim honderdduizend flessen worden er ongeveer jaarlijks gebotteld.’ ‘Maken daar de apostelen de wijn?’ wilde Louis weten. Opa kwam in de denkstand terecht: ‘Vraag mij eigenlijk af of er vandaag de dag nog wel apostelen bestaan, maar om een antwoord op jouw vraag te geven: nee. De naam Apostelhoeve is al heel lang aan deze hoeve verbonden en komt af van de Twaalf Apostelen. Niet die twaalf die bij Jezus waren maar twaalf oude heren in een bejaardenhuis.’ Nu begon Louis toch wel een beetje aan opa te twijfelen. Zag hij daar nu ineens opa als een bejaarde apostel staan, in een lang grijs kleed, met lange witte baard en een goed glas wijn in de hand? Wat moest hij zich daar nu bij voorstellen? Opa vertelde verder om een beter beeld te schetsen: ‘In 1476 werd in de binnenstad van Maastricht, in de Bogaardenstraat op precies te zijn, een huis opgericht waar oude heren naar toe konden voor hun oude dag. Nu was die oude dag echt wel een oude dag want ze mochten er pas komen als ze minimaal zestig jaar waren en dat was het dubbele van de normale levensverwachting. Een andere voorwaarde was dat ze Maastrichtenaar waren, althans al lange tijd daar woonde. In het begin was er plek voor twaalf bewoners, vandaar de naam de Twaalf Apostelen. In die vijfhonderd jaar is er wel iets veranderd maar de werkwijze is voor een groot deel al die eeuwen hetzelfde gebleven. De laatste jaren begon de overheid steeds meer regeltjes te verzinnen waar men zich aan moest houden. Dat is de doodsteek geweest van vijfhonderd jaar zorg en het huis werd in 1988 opgeheven. Op de plek waar dit huis eeuwen heeft gestaan wonen trouwens nog steeds oudere mensen, maar nu zelfstandig. De stichting van de Twaalf Apostelen bestaat ook nog wel steeds en probeert op een andere wijze te zorgen voor de oude generatie. Terug naar die hoeve. Die hebben ze vrij kort na de oprichting cadeau gekregen. Die oude heren gingen er niet zelf naar toe om aardappelen te poten, graan te zaaien en koeien te melken. Een boer pachtte de hoeve, betaalde er pacht voor, zeg maar huur, of gaf producten van het land aan de Twaalf Apostelen. En dat heeft eeuwen lang zo geduurd. Pas vrij recentelijk is de hoeve verkocht geworden.’ Louis was weer helemaal bij de tijd van vandaag. En hij wist dat opa dat ook weer was. De Campagne De
wijsvinger van opa wees naar een gebouw in het groen, iets links van de
Apostelhoeve, boven op de Lauwberg en daarmee begon ook weer de
volgende uitleg: ‘Villa De Campagne. Lang geleden kwamen één dag in de
week daar heren bij elkaar, in lange bruine kleding, een pij genaamd.
In die bruine pij, zeg maar een kleed met een rok tot op de schoenen,
gingen ze gezelschapsspellen doen, lekker een sigaartje roken of
volleybal. Dat was in de zomer goed zweten in die pij. Het waren
studenten om Jezuïet te worden en hun docenten.’Bij Louis kwam de gedachten naar boven dat hij weer honderd jaar terug in de tijd was en nu naast een pater stond in een bruine pij, met een kortgeschoren hoofd en een rond brilletje. Opa merkte niks van de gedachtendwaling van zijn kleinzoon en ging onverstoord door: ‘Wat was er aan de hand? Toen Petrus Regout II in 1878 zelf gebruik wilde maken van de villa in Nekum hadden de Jezuïeten geen buitenverblijf meer. Nu hoort in de leefregels van Jezuïeten dat ze voor hun verplichte ontspanningsdag zo’n buitenverblijf hebben op loopafstand van het klooster, aan de Tongersestraat in dit geval. Nu wil het toeval dat één van de kleinzonen van Petrus Regout ook graag Jezuïet wilde worden, net op het moment dat de oude Petrus I is gestorven. Die kleinzoon, de jezuïet Leo Regout, niet te verwarren met verzetsheld jezuïet Robert Regout, erfde daar geld van zijn opa en van dat geld werd een stuk grond gekocht, dat stukje in het groen op de Louwberg. Er kwam in 1880 een gebouw te staan dat lange tijd voor de wekelijkse activiteiten en de vakantie werd gebruik. In twee of drietallen liepen de studenten er naar toe. De Campagne was een pracht plek om te verblijven maar ze keken ook wat er in de buurt te beleven was. Zo ontdekte ze in 1893 een mergelgrot die niet meer werd gebruikt om mergel uit te halen. Daar maakte ze tekeningen en gingen er uit mergel allerlei mooie sculpturen, kunstwerken maken. Ieder deed wel iets dat bij hem paste. Zo waren er ook die met het aanwezige water in de grot een heel waterwerk met kanaaltjes en watervalletjes wisten uit te hakken in de mergel.´ Louis merkte op: 'Grappige hobby'. Opa knikte en zei weer: 'Het klooster in Wittem kende ook zo'n buitenverblijf in de buurt van Mechelen , was ook een opleidingsinstituut met studenten. Die hadden de zogenaamde keiclub. Ze verzamelde allerlei keien die ze in de buurt vonden. Geen steentjes voor in de broekzak maar de kleinste woog vijf ton, de grootste dertig ton. Elke steen kreeg ook een naam, soms naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis. Het was samenwerken, tegenslag verwerken, doorzettingsvermogen en vooral slim proberen te zijn.´ Een glimlachje verscheen even op Louis zijn gezicht maar opa ging verder: 'Drie tegenvallers waren er wel over de grot die ze eerder ontdekt hadden op te merken. Een heel groot deel van de grot stortte in waardoor het stelsel kleiner werd maar ook veel kunstwerken verloren gingen. Twee was dat ze te maken hadden met vandalisme. Het derde was dat landschapsbeheerinstantie het Limburgs Landschap het naastgelegen Chateau Neercanne met omliggende grond, waaronder de grot, wilde kopen. Limburgs Landschap wreef al in haar handen want zij hadden bedacht om in de grot excursies te organiseren en daar geld mee te verdienen. De Jezuïeten werden uitgenodigd om bij het bestuur van het Limburgs Landschap te komen om te horen te krijgen dat ze per direct geen toegang meer kregen tot hun grot omdat zij de grond hadden gekocht. Toen kwam er een jezuïetenvingertje de lucht in met de mededeling dat de Jezuïeten net het moment ervoor het stukje grond hadden gekocht om toch gebruik van de grot te kunnen maken. Bij het ene deel van het gezelschap verschenen grote ogen, bij het andere deel van het gezelschap een vrolijk, lichtelijk geniepig, smile op het gezicht.’ Die smile was ondertussen ook te vinden bij Louis op zijn gezicht en dat was weer een teken dat broeder opa doorging met verhalen te vertellen: ‘De grot staat ondertussen bekend als de Jezuïetenberg en is nog geregeld te bezoeken. Echt heel mooi om daar eens te gaan kijk. Maar je komt er geen Jezuïet meer tegen. In 1967 werd de Campagne gesloten omdat het minder wekelijks bezocht werd en het mogelijk was om in het buitenland op vakantie te gaan. De Campagne was een tochtig gebouw en is afgebroken en er verscheen een nieuwe villa. De naam Campagne leeft nog wel lustig voort in Maastricht want een mooie woonwijk die toen werd gebouwd is hier naar genoemd.’ Toen viel opa even stil. Louis hoofd was naar beneden gezakt. Langzaam struinden de ogen over de landweg en zag twee redelijk hippe schoenen staan. De ogen richtte zich naar de schoenen en kropen langzaam omhoog. Het bleek opa te zijn. Voor de tweede keer in korte tijd keerde Louis weer naar het heden. Ze liepen de landweg terug, over het bruggetje en kwamen weer bij de fietsen uit. Daar stapte ze op, maakte was slinkse bewegingen en keerden terug naar de Mergelweg. Ze fietste er naar rechts. Rechts beneden waren de tuinen die ruim een eeuw van de familie Regout waren geweest met een tussenfase dat de Jezuïeten rustig zaten of zwabberde in hun pijen. Aan de toegenomen vergezichten was te merken dat ze het stedelijk gebied verlieten. Het waren nog niet de vergezichten van Groningen of Flevoland, opzij hooguit tweehonderd meter, maar toch. Nog geen kilometer verder gaf opa aan naar links te gaan. Een landweg bestemd voor fietsers. Ze reden richting de bosrand en namen daar de afslag naar rechts. Daar begon de weg al te stijgen. Omdat de fietsen niet voorzien waren van accu’s ging de aandacht naar het bovenkomen en niet naar het vertellen. In de bocht naar links was er rechts een poort. Daar stopte ze met het nodige gehijg. Kasteel Neercanne Ondertussen
was het uitzicht schitterend te noemen. Louis wees naar een kasteel in
de verte en vroeg: ‘Wat is dat voor een kasteel?’ Opa bewoog naar een
stabiele vertelstand en begon weer: ‘Dat is kasteel Neercanne ofwel
Agimont zoals het vroeger werd genoemd. Rond dertienhonderd was er al
iets gebouwd en Daniël van Dopff, generaal, militair Gouverneur,
Commandant van de Vesting Maastricht, heeft in 1698 opnieuw laten
bouwen en dat is wat je nu nog ziet. Delen van de berg zijn afgegraven
en delen zijn weer opgevuld om de horizontale oppervlakte op de helling
groter te maken. Van Dopff heeft toen ook het achterliggende
sterrenbos, een bos met bomen in stervorm laten aanleggen. Maar daar is
na driehonderd jaar nog maar weinig van te herkennen. Aan de voorkant
van het kasteel kwam een mooie tuin met fonteinen. Die verviel en is
een aantal jaren geleden weer opgeknapt tot een mooie tuin voor het oog
met buxushaagjes en zo.’Een voorzichtig vingertje van Louis kwam omhoog met de vraag: ‘Is dit nu België?’ Opa schudde voorzichtig van nee en vulde aan: ‘Toen België zich afscheidde van Nederland wilde de toenmalige bewoner graag bij Nederland horen. De vrouw van Dibbets, Dibbets is die man die ervoor zorgde dat we nu in Nederland staan, was familie van de bewoner en zodoende bemoeide Dibbets zich er ook mee en zelfs de Koning hadden ze zover weten te krijgen. Vandaar het bij Nederland kwam. Vlakbij het kasteel staan de grenspalen. Die grenspalen staan ook in het achterliggende bos. Het bos hoort ook bij het kasteel.’ Er kwam weer een vingertje tevoorschijn, ditmaal van opa dat wees naar de bossen achter het kasteel, en zei: ‘Achter het kasteel is een grot waar de mergelstenen vandaan komen waar het kasteel mee is gebouwd, rechts is de voormalige Boschberg, waar van 1954 tot 1993 het Hoofdkwartier van de Navo is geweest. Daar werkte toen in het geheim zo’n driehonderdvijftig personen en bij oefeningen soms tot duizend personen. Het was als ondergronds kantoor ingericht en verblijfsruimtes en konden daar een tijd verblijven. Nu zijn er nog de betonnen wanden van overgebleven. En daar weer rechts van is de Jezuïetenberg waar we het net over hebben gehad.’ Een kleine rimpeling verscheen weer op het voorhoofd van Louis en die vroeg weer: ‘Maar die Jezuïetenberg was toch niet meer van het kasteel?’ Opa knikte en voegde daar aan toe: ‘Dat is waar. Freule Poswick, een ongetrouwde en ongecorrigeerde nazaat van de eerdere bewoner, was eigenaresse. Zij leefde nogal vrijzinnig. De kolenvoorraad liet ze in de onderste vertrekken van het kasteel storten en ook de paarden mochten van die ruimtes gebruik maken. De sigarenrookster met merkwaardig mutsje moest haar kasteel verlaten toen de Duitsers in de oorlog het wilde gebruiken. Die Duitsers hebben ook het eeuwenoude archief verbrand, de smiechten. Daarna kwamen de Amerikanen erin waarna het even onbewoond kwam te staan. In die tijd is er veel geroofd. Het kasteel kwam te vervallen en toen kwam het Limburgs Landschap die het voor verder verval wilde behoeden en het gekocht hebben. Behalve dan de Jezuïetenberg.’ Opa slikte even en ging verder: ‘Brandbier had bedacht dat het goed zou zijn om kwaliteitsrestaurants te openen waardoor het merk Brand als kwaliteitsmerk te boek kwam te staan. Denk dat dit de reden is dat het biermerk nog steeds bestaat. Zo kwam ook hier een kwaliteitsrestaurant in, Chateau Neercanne, en na het eerste jaar lukte het al om een Michelinster te krijgen. Toen in Maastricht in 1981 een Europese Top was waar de leiders van de Europese landen bij elkaar kwamen werd er hier gegeten. En ook in 1991 was er een Europese Top. Koningin Beatrix nodigde de leiders uit om er te dineren. De Minister President van toen Lubbers, wilde nog snel enkele besluiten nemen in het Gouvernement waar toen de Top plaats vond. Hij wilde broodjes met kaas serveren. Toen Beatrix dit hoorde schoot haar rechter knie omhoog en weer omlaag en dat een paar keer achter elkaar waarbij haar schoen elke keer met een klap op de grond terecht kwam. Ze wilde perse dat het diner doorging. Ze had immers haar keukenpersoneel meegenomen en zelfs het servies en bestek. Het diner verliep in een prima sfeer en de besluiten die genomen moesten worden werden plotsklaps gezellig genomen. Eén van die besluiten is de invoering van de Euro geweest. Met name de restauranteigenaar zegt dan ook steeds dat de Euro daar in het kasteel geboren is. Dat klopt natuurlijk niet maar is wel een mooi verhaal om hier op deze plek te vertellen. De echte handtekeningen van het Verdrag werden pas in 1992 gezet. Eigenlijk hadden die in Hongarije gezet moeten worden maar dat land was nog niet klaar om zo’n grote Europese Top te organiseren. Toen mocht de handtekening toch, in het Gouvernement, te Maastricht gezet worden en daarmee werd het Het Verdrag van Maastricht en niet van Hongarije. Al tientallen jaren hebben ze daar steeds weer profijt van. Qua toerisme maar ook vanuit zakelijke kanten.’ Dat klonk wel heel sjiek. Louis keek weer even naar de grond. Wat stoppeltjes gras, verdwaalde steentjes en verder alleen het geruis van de wind. Zelfs opa was even stil. Al die keurige mensen in het kasteel waren al lang weer terug naar hun huis gegaan, hadden de pantoffeltjes om hun voetjes gedaan en hun oude versleten kleren aangetrokken om op de gedateerde bank en dronken uit de theekopjes waar ze al dertig jaar geleden ook uit dronken. Het was weer een gewone dag geworden. Het oude houten hek werd geopend en de fietsen werden ertussen gefriemeld om over het gras aan de andere kant van het hekwerk voorzichtig te fietsen tot het volgende hekwerk. Ook hier werd er door gefriemeld en werd over het pad verder gereden. Duivelsgrot Het
pad draaide naar links en daar was ineens een grot te zien. Louis
herkende het van de foto’s uit de folders van Maastricht. Links een
rond gat en rechts ervan een hoge ingang. ‘De Duivelsgrot heet dit hè
opa’? vroeg Louis bevestigend waarna opa goedkeurend knikte. Bij
knikken bleef het niet bij opa, die wist er weer iets over te
vertellen: ‘Officieel is dit de Wijngaardgroeve maar in de
volksmond vooral bekend als Duivelsgrot vanwege het grote gat dat op
een oog lijkt dat over het Poppelmondedal waakt. In de grot is overal
daglicht te zien dus groot is het niet. Hele groepen jongeren hebben
hier feestjes gehouden waar veel rommel bij achterbleef en fikkie werd
gestookt. Daarna is het ook nog een beetje bouwvallig geworden en
daarom hebben ze het afgesloten met een ijzeren plaat.’Ze stonden inmiddels stil en keken naar de hoge grot voor zich omhoog. Even was Louis aan het bedenken wat hij er van vond: ‘Ik vind die ijzeren plaat eigenlijk nog enger uitzien als dat een-oog.’ Opa: ‘Maar er zitten wel gaten in de plaat in de vorm van lieve vleermuisjes.’ Louis reageerde daar niet op maar vroeg wel: ‘Waar komt die naam Poppelmondedal eigenlijk vandaan?’ Opa haalde even diep adem en gaf als antwoord: ‘Op zo’n plek als deze, zeker als er ook nog een vuurtje wordt gestookt met iets te drinken erbij, ontstaan allerlei verhalen. Zo gaat het verhaal dat popppel staat voor populieren, een boomsoort. Monde afgeleid van berg en dan kom je uit op populierenberg. En als je het gebied een beetje doortrekt tot het dal heb je weer Poppelmondedal.’ Laat het vuurtje maar lekker knetteren dacht Louis en begon te lopen. Opa volgde en gaf de weg aan, rechts onderlangs totdat ze met de fiets naar boven konden. Bovenaan was een weg, stapte ze weer op de fiets, en gingen ze links op verder. En waar links-beneden de Duivelsgrot was draaide de weg naar rechts. Die volgde ze verder, boven langs een bank en bij een bos aangekomen iets naar links en iets verder rechts het bos in. Encibos Een mooi open natuurlijk bos met grote bomen met hoogte verschillen aan de zijkanten. Het geluid van de steentjes op de half verharde weg was te horen totdat opa dat geluid weer overtrof: ‘Rechts van ons heb je de ENCI-groeve en zien we straks. Maar voor ze in aan de mergellagen kwamen hadden ze nog een pakket grond en grind van zo’n vijftien meter dik waar ze iets mee moesten. Dat werd met kleine treintjes tussen 1925 en 1935 naar dit gebied gebracht waar ze later, van 1938 tot 1939 dit bos hebben aangelegd. Inheemse bomen zijn er geplant om het er zo natuurlijk mogelijk te laten uitzien. Vanuit de ENCI , het bedrijf dat deze groeve gegraven heeft, was het ook bedoeld om de mensen in Maastricht iets moois terug te geven zodat ze gunstig gestemd waren over de ENCI.’ ‘Gunstig gestemd?’ vroeg Louis. ‘Nee’, zei opa weer ‘Dat de beeldvorming over de ENCI positief was, gunstig gestemd waren over de ENCI. Er is natuurlijk heel wat verdwenen en dat zie je straks. Onder het grondpakket van dit bos was honderd jaar geleden nog een grot, twee zelfs. De Nieuwe en Oude Marendaalgroeve waarvan we weten dat de oude al in 1748 bestond en de nieuwe zeker in 1816. De Nieuwe Marendalgrot is later helemaal afgegraven. Toen in België de Eerste Wereldoorlog gaande was is in 1914 een boer met zijn gezin en vee uit België voor vijf jaar in de oude grot ingetrokken. Die heeft ook nog mergel uit de grot gebroken en dat leverde gesteggel op met andere groeve-eigenaren omdat hij de mergel goedkoper verkocht als de anderen. Ze kwamen dan bij hem of kregen er minder voor.’ ‘Enfin’
ging opa verder: ‘Toen de deze plek vol lag met grond en grond en de
ENCI verder mocht graven, hadden ze ook een nieuwe plek nodig om de
deklaag van grond en grind kwijt te kunnen. Dat is die bult geworden
die we D’n Observant noemen, een kunstmatige berg. Ook daar is weer een
bos aangelegd. Enigszins om verzakking van de grond te voorkomen maar
ook om er iets moois van te maken.’Ze volgde de doorgaande weg, de van Schaikweg. Waar links een hekwerk stond begon opa te remmen. Binnen het hekwerk was een heuvel van een meter of dertig doorsnede met bomen. Zo te zien niets bijzonders. Toen ze stil stonden begon opa uit te leggen waarom ze hier gestopt waren: ‘We staan hier bij de Tombe, Motte, Spaanse Heuvel, Franse Batterij, Brommelen Trom, Ouborch en zo zijn er nog wel meer benamingen voor deze plek. Er wordt beweerd dat het uit de Romeinse tijd stamt. De heuvel die je ziet is kunstmatig, die is handmatig aangelegd. Dat noemen ze de motte. Honderd jaar geleden waren bij een opgraving nog fundamenten te zien van een vierkante toren boven op de plek, een ommuring en resten van poorten. Maar het is al sinds de dertiende eeuw een bouwval. Spaanse soldaten, Franse soldaten en Staatse soldaten hebben hier met veel gekrakeel gevochten. Sinds de Broeders van de Beyart het stukje verderop gelegen de Schark inclusief dit gebied honderd jaargeleden kochten, is er geen oorlog meer geweest, er heerste vrede. Inmiddels is het in beheer van Natuurmonumenten en die hebben dit Rijksmonument laten opknappen. Het is er weer stil geworden, de beestjes en plantjes voeren weer de boventoon.’ Louis zat naar een berg grond te kijken. Opa vertelde: ‘Kom verder’ en stapte van zijn fiets af. Louis volgde, zette de fietsen op de standaard en liepen links langs de afrastering naar beneden. Beneden, aan het einde van een pad was rechts een, inmiddels overwegend met gras begroeide, inham in de berg te zien, met mergel wanden. Opa vertelde wat ze zagen: ‘Deze plek is een verlaten dagbouw mergelgroeve. Deze kennen we onder twee namen, de Tombe, genoemd naar deze plek en Groeve Duchateau, de naam van de uitbater van de groeve. Eerst was het een klein gangenstelsel, later is men tot dagbouw overgegaan. Zoals deze uitziet zagen ook die andere kleinere groeves uit.’ Louis bekeek de steile hellingen waar nog oude paadjes te bekennen waren. Ze
liepen terug naar de fietsen en fietste verder over de half verharde
weg, de Van Schaïkweg. Alleen de banden en het gerammel van de fietsen
was te horen. Een lichte glooiing was in de weg op te merken. Maar het
viel Louis ook op dat de Sint Pietersberg hier eigenlijk best vlak is,
en dat voor een berg en dat noopte hem de vraag te stellen: ‘Is de Sint
Pietersberg nooit hoger geweest dan nu het geval is?’ Opa: ‘Misverstand
nummer tien, de Sint Pietersberg is helemaal geen berg. Ooit was hier
de zee. De bodem is in de loop der vele vele jaren hier en daar wel
gestegen en gedaald. Daarna kwamen er rivieren als de Maas die een
Maasdal aan de rechterkant hebben doen uitslijten en het riviertje de
Jeker dat aan de linkerkant het Jekerdal heeft doen uitslijten.
Daardoor fietsen we niet op een berg maar op het oude zeeniveau en is
links en rechts de grond weg gesleten.’Dat was toch maar een raar verhaal, Louis vroeg verder: ‘Maar waarom noemen ze het dan berg?’ Opa: ‘Die heet sinds mensenheugenis zo en de exacte reden weet ik niet, maar als ik ga gissen denk ik dat vroeger de mensen niet ver kwamen, zeker kwamen ze niet tussen de bergen in Zwitserland en geen internet om de blik op de wereld te verruimen. Een berg was waar je naar boven liep en dat kon je hier, dus was dit de berg.’ Louis knikte bescheiden. De weg draaide naar rechts en enkele tientallen meters verder stond rechts een van cortenstaal gemaakt muurtje met rechthoekige gaten erin uitgezaagd en zelfs het woord “kiekoet” uitgezaagd. Ze stopte maar bleven wel op de fiets zitten. ‘Wat is kie-koet eigenlijk?’ wilde Louis weten. Opa corrigeerde hem met: ‘kiek-oet’ en wist er meer over te vertellen. ‘Kiekoet is het Maastrichts voor etalage, de kijk-uit, kiek oet. Als je door de gaten tuurt kijk je uit op de Oehoevallei. De Oehoe is één van de grootste uilensoorten die we in de wereld kennen en zo’n oehoefamilie woont in de mergelgroeve. De marketingafdeling van Natuurmonumenten bedacht dat Oehoevallei er wel een mooie naam voor was. De Oehoe is ruim zestig centimeter groot en als hij of zij de veren spreidt heb je een meetlat van minimaal één meter zeventig nodig. In de wand zijn vakjes en daar wonen ze. Met een verrekijker en een beetje geduld kun je ze hier bekijken, met name als het schemert.’ Louis: ‘Cool, maar heb je dan wel een verrekijker nodig als ie zo groot is?’ Nu was opa even stil maar zei toen: ‘Het gaat om de details… de uitstraling van de ogen…. En als ie rustig tegen de bergwand aanzit, met zijn schuilkleuren, kun je met de verrekijker toch nog naar hem of haar kijken. ’Begluren’ vulde Louis aan. Door de gaten werd niet gekeken. Onzin om juist door de gaten te kijken, als je naast het bouwwerkje kijkt zie je net zoveel. Het tweetal kwam weer in beweging. Bij de kruising gingen ze rechts. Daar was de weg weer geasfalteerd. Spontaan begon opa weer te vertellen, nu over een gewoon stuk akkerland links: ‘Of ze nu precies hier vandaan komen, er zijn ook andere akkers, maar het zou zo maar kunnen zijn dat hier de, en dan herhaal ik nog maar eens het woordje de, de aardappels van Sint Pieter vandaan komen.’ Daar had Louis zich wel meer van voorgesteld dan een akker, saai, op de vlakte en in de wind. Hij keek lichtelijk beteuterd voor zich uit. Maar zijn opa voegde er wel aan toe: ‘Je ziet het ook niet gebeuren, het speelt zich allemaal onder de grond af, daar waar geen licht bij komt.’ Daar kon Louis ook al niks mee. Luikerwegtrap Ze
fietste verder. Enkele tientallen meters voordat de geasfalteerde weg
naar links draaide, was rechts een pad dat schuin afboog. Hier wees opa
naar toe om daar in te fietsen. Maar daar was ook van alles te zien.
Betonnen muren, een vreemde bestrating en in de verte veel licht.
Enkele seconden later werd er gestopt en werden de fietsen geparkeerd
en afgesloten. Er was een grote uitgegraven kuil te zien en onderaan
een groen meer en enkele niveauverschillen. De wanden waren deels
begroeit en tussendoor was nog iets van gele grond te ontdekken. Links
was een fabriek te zien en erboven een schitterend vergezicht over
heuvels. In de wand links waren horizontaal zwarte gaten te zien.Rechts was een wandelmolen met erachter een trap naar beneden. Bijzonder was dat de weg een stukje doorliep over de kuil. Aarzelend werden de eerste stappen gezet over de doorlopende weg. Het was namelijk een weg waar je doorheen kon kijken, de diepte in. En de weg hing aan de muur, een soort springplank. Na de eerste aarzelingen liepen ze verder en de momenten daarna werden in stilte beleefd, om de weide omgeving in zich op te nemen. Aangezien opa nooit echt lang stil kon zijn begon hij weer: ‘De weg over de Sint Pietersberg waarover we net fietste, noemen we de Luikerweg, het was de weg naar Luik. Een hooggelegen weg was tenminste ook met hoogwater en drassig weer begaanbaar. Over de lengte van de heuvel waar de Apostelhoeve is heb je ook zo’n weg. Toen de groeve er kwam, je ziet hier de Enci-groeve, verdween dit stuk Luikerweg en met deze springplank waar we nu op staan loopt de weg toch weer een stukje verder.’ Een kleine glimlach verscheen weer bij Louis die zei: ‘dus waar we hier de lucht voor ons zien, liepen vroeger mensen?’ Daar vulde opa op aan: ‘In zwarte lange kleding, met zwijgende paarden en kwijlende honden’. Louis keek tussen zijn voeten door naar beneden. Veel bewegen durfde hij nog niet. Toen opa zijn kleinzoon zo lichtelijk angstig zag staan kijken begon opa een beetje op zijn plek te springen, op de zogenaamde springplank. ‘Kan dat geen kwaad’ wilde Louis weten. Opa schudde van nee: ‘Dit hebben ze echt wel stevig gemaakt. Deze stalen balken van achttien meter zitten twee meter in de wand, er is een hele betonnen constructie gemaakt en op sommige plekken zit het wel tot zes meter diepte verankerd. Als dit helemaal vol staat met mensen, zo’n vierhonderd man passen hier op, en die beginnen te springen, is er nog steeds niks aan de hand. Een vrachtwagen kun je hier rustig parkeren.’ Een klein zuchtje van ontspanning werd er uitgeblazen. Er kwamen andere mensen aanlopen die ook kwamen kijken. Maakte het kijken toch minder rustgevend. Louis had wel een vraag: ‘Wat zijn die zwarte vierkante vlekken in de gele muur?’ Opa: ‘Dat zijn opengesneden gangen. In de berg zijn in het verleden gangen gegraven en toen die berg werd afgegraven, kwamen ze die gangen tegen. Het zijn gangen waar het donker is.’ Louis had nog een vraag: ‘Hoe komt dat water toch zo groen en blauw is?’ Opa: ‘Een reactie op de kalk die er in de grond zit en het zonlicht, zo ongeveer. Omdat het een uniek gebied is heb je er ook unieke natuur. Planten en dieren.’ Louis zag een trap naar beneden gaan en dat bracht weer een nieuwe vraag: ‘Kunnen we onder gaan kijken?’ Opa keek naar het diepe gat naar beneden en wist dat als je naar beneden gaat je ook weer de trappen naar boven moet lopen om bij de fiets terug te komen. Hij begon ja te knikken maar voegde daar bij wel aan toe: ‘het is ook wel leuk om naar beneden te lopen maar de vlakte bij het meer is afgesloten.’ Dat accepteerde Louis en liepen samen de springplank af en liepen naar links, door het wandelmolentje. Daar bleef opa staan want hij wilde iets zeggen: ‘Deze Luikerwegtrap gaat veertig meter diep, kent een leuninglengte van tweehonderdvijftig meter, bestaat uit vijftigduizend kilo staal en ruim tweehonderd kubieke meter beton, verdeeld over tweehonderdtien traptreden. Elke traptrede is bijzonder. En waarom? Daar kom ik onder op terug’. Louis
bleef staan luisteren wat opa te vertellen had: ‘De aardlaag waar we
hier staan is in miljoenen jaren opgebouwd. Hoe dieper je gaat graven
hoe verder je terug gaat in de tijd. De bovenste laag is bijvoorbeeld
komen aanwaaien vanuit de zee, dat noemen we löss. Al die lagen van de
aarde zijn ontstaan in een bepaalde periode. Als de omstandigheden op
aarde of ter plekke veranderde, veranderde daarmee ook de opbouw
van de lagen. De ene omstandigheid duurde langer dan de andere, de
lagen zijn dan ook niet gelijk. De wetenschap heeft er een geologische
tijdschaal van gemaakt en daar zijn wat varianten in. Om een beeld te
scheppen, je hebt een hoofdlaag die ze Eon noemen, die verdeeld is in
Era’s, die verdeeld is in Periodes, die verdeeld is in Tijdvakken of
Serie en die zijn dan weer verdeeld in Tijdsnedes of Formatie of
Systeem of Etage en soms heb je daarna nog de verdeling in Horizont.
Die indeling hebben ze bedacht om het wat overzichtelijker te maken.’De wenkbrauwen van Louis begonnen al in een gefronste houding te staan en opa vertelde vol zelfverzekerdheid verder: ‘Waar wil ik het over hebben, één van de Periodes noemen ze de Krijtperiode. Die is verdeeld in Tijdvak van Vroege en Late Krijtperiode. Ook wel genoemd Onder- en Boven-krijt. De Late is verdeeld in Tijdsnede of Formaties en noemen we, noemen we, noemen we, roffel, roffel, noemen we Maastrichtien. En naar Maastrichtien gaan we nu naar toe’. Waarom opa het weer zo nodig weer over Maastricht moest hebben was Louis nog even onduidelijk maar volgde opa op de grote betonnen trap van naar beneden. Stap, stap, stap. Bij het bordes stopte ze. ‘Zo, hier zijn we bij Maastrichtien’’ zei opa. ‘Drie vragen’ zei Louis: ‘Waarom moet dit weer zo nodig Maastrichtien heten en hoeveel jaar duurt zo’n Tijdsnede, Maastrichtien bijvoorbeeld en waarom ging een Tijdsnede voorbij?’ Opa: ‘Waarom het Maastrichtien genoemd wordt vertel ik straks maar vertel je nu wel al dat het ongeveer zes miljoen jaar omvat, van zesenzestig tot tweeënzeventig miljoen jaar geleden. Waar we nu staan is een laag die zesenzestig miljoen jaar geleden zich gevormd heeft.’ Een knikje van Louis betekende dat hij het begreep en opa ging verder: ‘Zesenzestig miljoen jaar geleden sloeg in Mexico een meteoriet in de aarde. Dat was zo’n harde klap dat er van alles met de aarde gebeurde. Grote stofwolken, vulkaanuitbarstingen, van alles. Drie kwart van alle dieren stierven toen uit, Dinosariërs, Mosasaurus, Triceratops. Purgatotius, noem maar op. Dat markeerde zelfs Era en begon het Cenozoïum waar we nu in leven.’ Er echt iets bij voorstellen kostte wel heel erg veel moeite voor Louis. Die bleef stil. ’Kom, dan gaan we nu een stukje in de Krijtperiode’ zei opa en begon de metalen trap naar beneden te lopen. De trap was stijl en Louis liep dan ook een beetje voorzichtig.’ Stap voor stap werd er naar beneden gelopen. Het uitzicht was schitterend maar de tweehonderdvijftig meter aan trapleuning werden stevig vast gehouden. Onder aan gekomen liep het pad op de metalen roosters verder een grot in. Op allerlei plekken was in de muur een naam gekrast. Aan de uiteinde van de gang, een meter of twintig, was een stevige geroeste metalen muur geplaatst en links ook nog een. Er werd even gedwaald maar na enige ogenblikken stonden ze stil. Louis keek om zich heen en had weer een vraag aan opa: ‘Dit zijn dus mergelgrotten?’ Overdreven schudde opa zij hoofd: ‘Dat is wat je noemt een samengestelde fout. Het is geen grot en geen mergel. Over grot hebben we het al gehad bij een vorig misverstand. Dat we hier spreken over mergel is misverstand nummer elf. Mergel heeft een bepaalde samenstelling en de samenstelling van het gesteente dat we hier zien heeft een andere samenstelling dan mergel. Mergel bestaat voor vijfentwintig tot vijfenzeventig procent uit kalk en de rest klei. Wat we hier eigenlijk zien bevat veel meer kalk, tot op enkele procenten na honderd procent, en noemen we officieel kalksteen. Dat is ook witter van kleur. Om nu terug te komen op je vraag, het is iets anders maar we noemen het wel zo.’ Voorzichtig
knikte Louis van ja, maar hoe ontstaan zo’n mergelgrot dan?’ wilde hij
weten. Opa: ‘Hoe de gangen gegraven zijn zie je straks. Ik kan je wel
zeggen dat gangen nagenoeg op dezelfde laag zijn uitgegraven. Waar we
hier lopen is de laag die tweeënzeventig miljoen jaar geleden gevormd
is. Je weet inmiddels dat die lagen steeds afwisselen. De laag waar nu
de gangen zijn gegraven, de laag is waar het gesteente te vinden is dat
ze kunnen gebruiken om er mergelblokken van te maken. En die
mergelblokken zijn onder andere gebruikt om huizen en kerken van te
bouwen. Zien we ook straks. Maar hoe de mergel is ontstaan? Vroeger,
zo’n zeventig miljoen jaar geleden, was op deze plek, en de rest van
Nederland, een ondiepe zee. In die zee leefde allerlei dieren die ook
stierven. De resten hiervan, de kalkskeletjes die niet vergingen, samen
met zand, ontstond zo laagje. Dat groeide heel langzaam, van laagje
naar laagje. En waarom is elke traptrede van de Luikerwegtrap zo
belangrijk? Het duurde ongeveer veertigduizend jaar dat de hoogte van
één zo’n traptrede gevormd was. Aan de huidige tijd gerekend, dat zijn
vijfhonderd mensenlevens lang om de hoogte van één traptrede te
bereiken.’Even was het stil. Louis was zich aan het bedenken en merkte toen op: ‘Opa, dan bent u toch nog niet zo oud he?’ Heel rustig antwoorde opa: ‘Klopt, het verschil in leeftijd tussen jou en mij is niet zo groot.’ Ze liepen een stukje naar buiten maar gingen ook snel weer terug. De trap op, in stapjes van veertigduizend jaar. Bijna veertig meter aan traphoogte. Ze stegen, net als de ademhaling. Er werd niets verteld. Boven aangekomen liepen ze weer door het wandelpoortje naar buiten. De trap en de springplank hadden ondertussen wel meer betekenis gekregen als toen ze aankwamen. Pieterpad Een en ander werd nog eens bekeken. ‘We lopen nog een klein stukje door’ zei opa en liepen rechtdoor, rechts was de springplank. Enkele meters verder was links een bank, rechts een soort raamwerk. Opa ging op de bank zitten, Louis volgde. “Sint-Pieterberg Maastricht, einde/start Pieterpad” stond er op het raamwerk. Het
bleef even stil. Opa wilde zijn kleinzoon de ervaring geven van
wandelen in stilte. Maar dat hield opa niet lang vol en begon al na
enkele tientallen minuten met te zeggen: ‘Hiervoor je zie je het
eindpunt van het Pieterpad. Een wandeltocht van Pieterburen in
Groningen tot hier op de Sint Pietersberg en kan ook in de andersom
gelopen worden. De met rood-wit gemarkeerde route is ook te lezen in de
beschrijving die in een tweetal boekjes terecht is gekomen. Omdat de
hele route in één boekje te zwaar zou zijn geworden de hele route mee
te slepen hebben ze er twee van gemaakt. Eén voor de noordelijke
helft en één voor de zuidelijke helft. Het midden ligt in Vorden en dat
ligt weer tussen de steden Apeldoorn, Enschede en Arnhem. En als je nu
tot hier bent gelopen, een selfie voor dit bord hebt gemaakt, kun je de
via de Grande Randonnée 5, GR5, doorlopen tot Nice aan de Middellandse
zee.’‘Wie verzint nu zoiets?’ vroeg Louis zich af. Opa die op het vertelbankje zat vervolgde zijn verhaal: ‘Twee Nederlandse vriendinnen, Toos Goorhuis-Tjalsma en Bertje Jens wandelde een uitgezette route in het Zwarte Woud in Duitsland. Ze waren van mening dat in Nederland ook wel een lange afstandswandeling mocht komen. Omdat Nederland klein is bedachten ze om van de noordelijkste stad, Groningen, naar de zuidelijkste stad van het land, Maastricht, een route uit te zetten. Al snel werd bedacht om de route iets door te trekken van Pieterburen, dat ligt even boven Groningen aan de zee tot hier de Sint Pietersberg even onder Maastricht en zo ontstond de naam Pieterpad. Tussen 1978 en 1983 waren ze bezig met uitzetten. Internet was er nog niet, dus landkaarten werden uitgeplozen om een mooie route te maken die ook nog eens de goede richting op ging. Toen ze daar mee klaar waren zochten ze contact met Nivon, een club natuurvrienden. Die brachten en brengen nog steeds de wandelgidsen uit en zorgen ook voor het onderhoud. Soms wordt er bijvoorbeeld een grote weg aangelegd of een industrieterrein uit de grond gestampt. Dan moet de route worden aangepast. Enkele duizenden wandelgidsen worden er jaarlijks verkocht en dat zegt wel iets over hoe populariteit.’ Even moest opa slikken want hij begon een beetje dorst te krijgen maar ging verder met vertellen: ‘En omdat je dit niet in één dag kunt afleggen, is de route officieel verdeeld in zesentwintig etappes. Rond elke etappewisseling is er een slaapplaats gevonden. Zowel in een warm bed als de gelegenheid dat je er je tentje kunt opzetten. En, als je het wandelen te traag vindt gaan is er ook een fietsversie beschikbaar. De GR5 komt uit België en bestaat al langer en start in Hoek van Holland en komt via België hier langs.’ Even was het weer stil. De twee keken elkaar aan en alsof ze al honderden kilometers samen hadden gelopen stonden ze gelijktijdig op en liepen weer naar de fietsen. Ze fietste vanuit de bocht naar links van de geasfalteerde weg verder. Verteld werd er even niet. Lichtenberg Het begon weer met stilte. Even bijkomen van het stuk over de hobbelige landweg. Louis keek naar opa. Het was te zien dat hij iets wilde zeggen. Beetje naar adem happen of was het toch de behoefte aan een hap bierschuim? Een arm kwam omhoog en aan dezelfde arm ontrolde zich een vinger die naar het kapelletje wees. Bij het weer naar beneden gaan van de arm en oprollen van de vinger begon opa’s mond weer in beweging te komen: ‘Kijk, die kapel, de Rochuskapel, stond eerst langs de Luikerweg op de plek waar nu de groeve is en waar we net waren, op een hoek van de vroegere weg naar deze plek. De weg waar we net reden was er nog niet. Eerder was daar al een kapel geweest, die verviel, werd vervangen door een kruis, dat verviel. In 1888 was pastoor Kribs, van de Pastoor Kribsweg, die er deze kapel liet bouwen. Ze werd gewijd aan Rochus omdat er een cholera-epidemie was geweest die veel slachtoffers in Sint Pieter kende. In 1972 werd de kapel verplaatst naar deze plek omdat de groeve daar ging uitbreiden. Inmiddels heeft ze weer enkele restauraties ondergaan en staat ze hier weer fier te stralen, zonder dat er maar één iemand die hier langs kwam cholera heeft gekregen.’ Louis knikte en beide kwamen weer in beweging op de fiets. De weg werd vervolgd. Om de bocht, voorbij een Lindeboom, verscheen een grote hoeve, met een open poort waarboven een verdieping gebouwd was. Maar rechts was een gebouwtje waar opa even naar wees en zei erover: ‘Een oud bakkershuisje dat in de jaren tachtig vervallen was en toen is opgeknapt. En sindsdien worden er weer geregeld vlaaien gebakken.’ Ze reden verder, zonder enige schaamte onder de poort van de hoeve door en kwamen op de binnenplaats. Daar stopte opa weer. Het was duidelijk te zien dat het niet meer gebruikt was als een boerderij maar ook niet zo gelikt uitzag als een gerestaureerd complex waar mislukte pogingen gedaan waren de nostalgie te bewaren door een hedendaags kapitalistische uitstraling er van te maken. Dit was eerder gezellig rommelig met respect voor het verleden. Er werd stevig nee geschud door opa en stelde de tegenvraag: ‘Hoe-gaarden, ehm, hoe kun je zoveel gaarden alleen bewerken? Nee, naast de boer en boerin was er voor de koeien een “koejong“, de varkens hadden een “knorrend junkske”, twee grinnikende knechten voor de vijf paarden en een dienstbode voor de huishoudelijke taken. Die woonden hier ook allemaal. Door de week woonde er ook een stuk of drie dagloners en in het hoogseizoen kwamen er nog enkele seizoenkrachten bij. Uit het dorp Gulpen was er meestal een echte Gulpener bij, ook zo’n blonde uit Wijck, een Wieckse Witte en Hein Eken uit Amsterdam.’ Ondertussen werden de fietsen op de staander gezet en liepen ze langzaam vanuit de toegangspoort gezien naar links. Opa bleef doorvertellen: ‘Maar voordat deze hoeve verscheen was er een ruïne van een kasteel. Dat zie je hier recht voor je, met die toren. Dat kasteel werd gebouwd in de dertiende eeuw, en uitgebreid in de veertiende en vijftiende en zestiende eeuw. Tussentijds is het ook nog tweemaal verwoest, waarschijnlijk door belegeringen en is er Brand geweest en dat zie je aan de oranje kleuren in de stenen in de toren. Frappant was dat een fles met bruingeel water uit de Amstel tijdens de eerste verwoesting op de schoorsteenmantel is blijven staan. Van verschillende families hebben er generaties er gewoond. Ook een Ridder en Hertog jan kwam er ook geregeld op bezoek. Tijdens de belegering van 1568 had Alva hier zijn hoofdkwartier. En die Alva moet je niet verwarren met Alfa uit 1870.’Na een korte stilte vervolgde opa met: ‘Volgens mij heb ik behoefte om bier te drinken.’ Ondertussen riep opa: ‘Op naar Hoeve Zonneberg’. Louis vroeg hierop: ‘Hoe komen ze aan die naam Hoeve Zonneberg en Hoeve Lichtenberg?’ Eén hand van opa ging bij het fietsstuur vandaan van om daarmee een beweging naar de achterkant van zijn oor te maken. Vervolgens bewoog diezelfde hand richting zijn kin waar de wijsvinger een strelende bewegingen maakte over zijn kin waarna de hand weer naar het stuur bewoog om dat vast te pakken. Toen kwam de mond van opa in beweging: ‘Laten we die gespeculeerde naamgevingen van Zonnehoeve en Lichtenberg maar samenvatten als misverstand nummer twaalf. We beginnen bij Lichtenberg. Daarvan zeggen ze dat het afkomt van “Mons Lucis”, berg van licht verwijzend naar lichtbaken langs de Maas door de Romeinen. Onzin. De mergel van de berg die licht kleurt, Lichtenberg. Onzin. Een roofridder die op Lichtenberg woonde en voorbij trekkende kooplieden verlichtte van hun koopwaar. Onzin. Wat zou kunnen, maar ook daar is geen bewijs voor geleverd, is dat het afkomt van Luchtenburg, hooggelegen burcht. Maar te beweren valt er dus niks.’ Ze kwamen bij de kruising en staken over en fietste een stukje de landweg op richting Hoeve Zonneberg maar stopte al na enkele meters. Opa ging weer iets vertellen: ‘De pachter van Lichtenberg kreeg ruzie met de eigenaar en bouwde hier in 1873 zijn eigen hoeve. De voorkant is echt mooi en heeft een schitterend uitzicht over de oostkant van Maastricht. De hoeve Zonneberg zelf staat geregeld in het zonnetje. Terug naar de misvatting over de naamgeving. Dat is echter niet de reden dat ze zo genoemd wordt. Er wordt beweerd dat het een analogie is van Lichtenberg als een soort wraak. Onzin. Al in de vijftiende eeuw werd dit gebied Zonneberg genoemd. Het ligt meer voor de hand dat het naar het gebied is genoemd.’ ‘Kom’ zei opa. En reden terug naar de kruising en met beiden handen aan de sturen reden ze de berg naar beneden. Opa was flink aan het remmen, die wist dat ze een stukje verder weer gingen stoppen. Bij een soort kruising stopte opa en zette de fietst links tegen de wand. Louis was een stukje verder gereden voordat hij in de gaten kreeg dat ze zouden stoppen. Die kon weer draaien en naar boven lopen. Zonneberg en haar grot De
aandacht werd getrokken naar een donkere weg met een soort naar voren
stekend dak in het midden van een soort holle weg. ‘Wat is dát daar’
vroeg Louis en wees naar dat vreemde dak. Opa: ‘Dat is de ingang van
een groeve. Nou ja, in het huidig taalgebruik van een grottenstelsel.
En de naam hiervan is Zonneberg. Dit grottenstelsel is wel genoemd naar
de hoeve die hierboven op de berg staat. En dat heeft weer te maken dat
het grottenstelsel pas zo’n honderd jaar Zonneberg genoemd wordt. Van
Schaïk begon er in zijn befaamde boek over de Sint Pietersberg mee. Het
stelsel werd genoemd naar de ingang. En deze ingang is er pas rond de
vorige eeuwwisseling gekomen.’Louis stond in de denkstand en vroeg: ‘Bestaat dit grottenstelsel dan nog geen honderd en vijftig jaar’? Licht nee-schuddend zei opa: ‘Nee, al honderden jaren, maar het is van andere kanten uit ontgonnen. Vanuit de groeves Slavante, Lichtenberg en andere kanten. De meeste van die groeves hadden van oorsprong een eigen ingang. In de achttiende eeuw is er achter de kerk een nieuwe ingang gemaakt om sneller op de plek te komen waar men de mergel ontgon.’ Men draaide met het gezicht naar de ingang terwijl opa verder vertelde: ‘In die tijd ontdekte men dat men geld kon verdienen om toeristen in de grotten rond te leiden. Groeve Slavante kende een club die toeristen in de groeve rondleidde. Zeker de mensen met een iets dikkere beurs hadden er interesse in. Een hotelovernachting met ontbijt, en die overnachtingen waren niet bedoeld voor de werklui, was nog goedkoper dan een ticket voor één rondleiding. Dat vond de eigenaar van de hoeve Zonneberg wel een interessante gedachte en liet een nieuwe ingang aanleggen op zijn grond. Waarschijnlijk was dat nog niet eerder gebeurd omdat de kwaliteit van de mergel op die plek vrij slecht was. Als je naar binnen gaat zie je dat er ook extra verstevigingen zijn aangebracht. Tussen plan en realisatie van de aanleg van de ingang duurde de nodige jaren en er was inmiddels een nieuwe pachter verschenen. Willems was zijn naam. Even die naam onthouden.’ Louis begon wat verder richting de ingang te lopen. Gooide een blik tussen de dikke tralies naar binnen en vroeg vertwijfelend af: ‘Kunnen wij hier ook naar binnen’? Een glimlach verscheen op het gezicht van opa die gelijktijdig zijn hand in zijn linker jaszak liet glijden en er een zaklamp uithaalde. Vervolgens gleed de andere hand in zijn rechter broekzak en daar verscheen een sleutel van het toegangshek. Ook nu verscheen op het gezicht van Louis een glimlach. De eerste hand gleed wederom in de linker jaszak en daar kwam een tweede zaklamp uit en die gaf opa aan Louis. Niet veel later liep het tweetal de berg in. Met twee felle zaklampen. Steeds dieper en dieper het donkere grottenstelsel binnen. In het begin liepen ze tussen een rij pilaren maar daarna waren het gangen die geheel uit mergel bestonden. Hoge gangen. Het was ook heel stil, behalve de geluiden die opa en Louis maakte met lopen die nu ineens heel goed te horen waren. Louis scheen met zijn zaklamp links en rechts de gangen in. Soms waren het hele korte gangetjes. Dan scheen hij weer naar het plafond. Opa scheen met de zaklamp keurig over de vloer om te zien waar gelopen werd. Er zat een knik in de gang en tegen de wand in de knik kroop de zaklamp omhoog tegen de wand. Daar was een grote tekening te zien met “welkom”. Het was veel ervaren hoe de stilte, de koelte, het zwarte en al die muren tijdens het wandelen aan het oog en gevoel voorbij trokken. Er werden verschillende zagen gebruikt. De methode van blokbreken verschillende nog wel eens. Opa scheen met de zaklamp op de vloer waarover gelopen werd. Na een tijdje draaide de zaklamp naar iets anders. In dit geval hingen er drie grote zagen hoog aan de muur. Nu viel Louis het ook op dat de wand uit rechthoekige vlakken bestonden waartussen ruwe stroken te zien waren. Ondertussen scheen opa weer naar beneden maar elkaars gezichten waren nog wel te zien en opa vertelde verder: ‘De gangen zijn van boven naar de laag eronder uitgegraven en nog een laag daar weer onder. Je zou kunnen zeggen dat het geen hoge maar diepe gangen zijn. Waar ze rekening mee moesten houden was dat ze natuurlijk toestemming van de eigenaar hadden om daar te graven. Maar ook dat genoeg mergel bleef staan om het gewicht van mergel en ruim dertig meter grond erboven te kunnen blijven dragen. Dat is niet overal goed gegaan en zijn de gangen ingestort of is een deel tot instortingsgebied verklaart en waagt zich er niemand meer. Vroeger en nog steeds worden de gangen geregeld gekeurd door het Staatstoezicht op de mijnen. Zonneberg is best wel regelmatig ontgonnen, vier meter gang en vier meter pilaar. Waar ze ook naar keken of er wel de goede kwaliteit mergel was te vinden. Als je in de open groeve kijkt zie je de gangen allemaal op één hoogte liggen, dat was de laag van de goede mergel. Daarnaast kwamen ze wel eens vuursteen tegen. In tegenstelling tot zachte mergel is vuursteen een hele harde grillige steensoort. Soms een losse steen maar door het stelsel loopt ook een hele laag met allemaal vuursteen ertussen. Daar konden ze ook niets mee.’ Langzaam kwam het tweetal weer in beweging. Na een tijdje weer door de gangen gedwaald te hebben kwam er een nieuwe vraag van Louis: ‘Zijn die gangen na het uitgraven ook nog ergens anders voor gebruikt als toeristen rond te leiden?’ Opa knikte van ja en vervolgde met: ‘Hele groepen mensen hebben hier alleen of met hun kleinzoon rond gewandeld om te genieten en doen dat nog steeds. In de oorlog is het gebruikt maar daar kom ik straks nog op terug. Waar het ook voor gebruikt is, is voor de kweek van champignons en kardoen. Champignons hebben namelijk géén licht nodig maar wel een constante temperatuur, vochtigheid en weinig luchtverplaatsing. Op bedden van grond werden ze gekweekt en geplukt. Kardoen is een hele grote groenteplant die in het verleden voor de zogenaamde hogere kringen werd gekweekt. Ze groeide buiten in de volle grond op waarna het laatste deel van het proces in de grotten werden gezet om te verbleken.’ Inmiddels waren ze al langs enkele met zwarte houtskool getekende tekeningen op mergelkleurige ondergrond gelopen. De tekening van Cacao Van Houten chocolade, een reclametekeningen was er weer een in kleur. Na weer door enkele gangen gelopen te hebben kwamen ze bij een tekening waarop allerlei hoofden stonden getekend. Opa scheen op de tekeningen en vertelde daarbij: ‘Dit zijn allemaal leden van de Koninklijke familie. De meeste hiervan hebben ook al enkele malen door dit gangenstel gelopen. En zo heeft Napoleon hier ook rondgelopen en Alva die een tijdje in Lichtenberg verbleef ook. Van hun bezoeken zijn hier in de berg ook herinneringstekeningen gemaakt, soms achteraf. Van Louis is nog geen een tekening gemaakt. Zonneberg en het Sint Pietersbergplan Om te voorkomen dat Louis uren stil moest staan als model voor de wandtekening begon hij alvast te lopen en vroeg ter afleiding: ‘Ik zou nog horen waarvoor de Sint Pietersberg in de oorlog is gebruikt?’ De lippen van opa, snakkend naar enig vocht uit een bierglas, rolde even over elkaar en begon aan zijn antwoord: ‘In de loop der eeuwen zijn er diverse belegeringen in en om Maastricht geweest en deze berg zal toen vast wel als schuilplek dienst hebben gedaan, maar daar is weinig van bekend. Hebben we het over de Tweede Wereldoorlog dan denken we eerst aan de kluis waar veel kostbare kunst in heeft gelegen waaronder de Nachtwacht. Omdat er ingangen zijn zowel in Nederland als in België en vroeger de verschillende stelsels ondergronds met elkaar in verbinding stonden kon er gesmokkeld worden van het ene naar het andere land en dat zal dan ook vast wel gebeurd zijn, zowel goederen als mensen. Daar zijn heel mooie gekleurde verhalen over te vertellen. Ik weet ook dat er radio’s en vast ook andere waardevolle voorwerpen verstopt zijn geweest. Maar ook Zonneberg zelf heeft haar rol gespeeld. De uitrol van het zogenaamde Sint Pietersbergplan is denk ik wel het voornaamste. Daar laat ik je nu iets van zien.’ Louis liet zich verder verrassen. Louis luisterde aandachtig, opa vertelde verder: ‘De Zonneberg was verdeeld in zesentwintig vakken, voor zesentwintig stadswijken, ieder had zijn eigen vak. Zo bleven gezinnen en buurtgenoten bij elkaar en wist men elkaar te vinden. Om de bevolking naar het juiste vak te wijzen waren er gidsen. Op de muur stonden de vakken aangegeven. Die bevolking moest natuurlijk ook over drinkwater kunnen beschikken. Daarom hebben ze op drie plekken in deze berg watertanks gemaakt. Hier zie je er ééntje van. Omdat er in de oorlog niet veel bouwmateriaal beschikbaar was gebruikte ze rioolbuizen. Die hebben ze rechtop op elkaar gezet. In de ruimte hiernaast stond een waterpomp. Die pompte het water veertig meter uit de grond.’ Erg smakelijk zag het niet uit, maar Louis kon zich ook voorstellen dat ze blij waren dat ze überhaupt water hadden. Hij vroeg aan opa: ‘Werd met dit water de WC’s gespoeld?’ Opa schudde nee en lichtte het toe: ‘Een WC staat voor watercloset maar die waren hier niet aanwezig. Wel waren hokjes gemaakt maar het zitvlak was een houten stok tussen de ene en andere wand. Wat men aan de WC toevertrouwde verdween in een uitgegraven gat en werd met wat losse mergel afgedekt. Vergeet niet, een badkamer zoals we dat nu allemaal in huis hebben was toen niet standaard, dat werd in de burgerlijke huizen pas na de oorlog gebruikelijk. De hygiëne was toen niet zoals nu, men was anders gewend. In de jaren zestig werden in een deel van deze grotten ook schuilkelders gebouwd voor een mogelijke atoomoorlog. Die waren toen al luxueuzer als in de Tweede Wereldoorlog. En als er nu iets gebouwd wordt zal dat nog luxer zijn, omdat we dat nu zo gewend zijn en nodig vinden.’ Opa begon weer verder te lopen: ‘De bevolking die hier langer moest verblijven wilde niet alleen drinken, ze wilde ook eten. Er was een keuken gepland maar weet niet waar die was. Wel weet ik dat ze brood wilde bakken en daar gaan we nu naar toe.’ Er werden weer de nodige meters in de gangen afgelegd totdat ze bij heuse ovens terecht kwamen. Hier vertelde opa: ‘Om al die mensen van brood te voorzien waren hier ovens gebouwd. Om de geur van hongerig makende broodjes af te voeren is er een schoorsteen gemaakt van wel dertig meter hoog en één meter doorsnede. In de kerk van Sint Pieter Boven, die zien we straks nog even, lag het graan opgeslagen. Bewaren in de berg is veel te vochtig.’ Er was nog veel te zien en gingen weer verder wandelen. Opa gebruikte de wandeltijd om te vertellen: ‘In zo’n ondergrondse stad in spannende tijden moest er ook snel gecommuniceerd kunnen worden en daarvoor hadden ze zo’n vijfhonderd luidsprekers opgehangen voor mededelingen en andere gebeurtenissen. Er was ook gedeeltelijk elektrische verlichting. Er was dus elektriciteit. Net hadden we het over een bevalling, er was ook ruimte voor een ziekenhuis en zelfs voor psychiatrische zorg. De kerk had toen een grotere rol als nu. Er waren zelfs drie kapellen gepland. Twee katholieke en één protestantse. Die laatste is er nooit gekomen, die katholieke wel en naar de grootste ervan zijn we nu op weg.’ Na door enkele gangen weer gelopen te hebben kwamen ze de bocht om en zagen aan het einde van een gang in de schijn van de zaklamp een groot ijzeren kruis op een altaar staan. In de gang ervoor waren ook tekeningen gemaakt, kruiswegstaties had Louis bij een van zijn eerdere wandelingen met opa geleerd. Hoe langer je bleef staan kijken zag je steeds meer herkenningspunten van een kapel, tekeningen op de muur. ‘Mooi, maar echt sfeervol ziet het nu ook weer niet uit’ merkte Louis op. Opa: ‘Mensen maken het sfeervol.’ En ja, als het hier vol staat met mensen, allemaal gericht om samen een viering te houden, krijgt het een heel andere sfeer bedacht Louis zich ook, zeker als het allemaal katholieke mensen zijn en kaarsjes hebben aangestoken. Opa scheen met zijn zaklamp rechtsboven in de hoek van het altaar waar een gang was te zien en vroeg erbij: ‘Weet je waar die gang voor is?’ Louis schudde van nee waarop opa weer zei: ‘Kom, dat vertel ik je zo direct.’ Ze liepen een gang in, stukje verder tot een soort kruising en draaide opa zich weer om en scheen naar boven naar een soort donkergrijs bobbeltje van een halve meter doorsnede dat aan het plafond hing. Louis begreep het nog niet maar opa gaf antwoord: ‘Groeve Slavante waar de eerste groepen toeristen naar toe gingen, had een eigen museum en had daarnaast als toppunt om te laten zien de zogenaamde negendrup. Een stalactiet die elke negen seconde een druppel liet vallen. Een stalactiet ontstaan als water door het grotplafond druppelt. De kalkrijke waterdruppels, verliezen hun koolzuur en de opgeloste kalk blijft dan hangen. Dat wordt dan na heel veel jaren druppelen een langgerekte kegel. Een stalactiet hangt. Een stalagmiet is een kegel die staat waar de druppels neer komen. Willems, die naam die je moest onthouden, wilde in zijn grot de Zonneberg niet alleen een museum voor de toeristen maar ook zo’n stalactiet. Vernuftig liet hij er een nabouwen. Er werd een ketting opgehangen en die werd bekleed zodat het op een echte stalactiet leek. Hij hing hoog dus van kortbij kon je hem toch niet op detailniveau bekijken. Maar ja, hoe krijg je daar water uit als het er niet is? Daarom kroop iemand, buiten de groep om, naar boven, door een speciaal gegraven gangetje, het gangetje dat ik je net achter het altaar aanwees. Die liet water druppelen als de toeristen aankwamen. Onderaan lag een harde steen zodat het water goed uit elkaar spatte. Toeristen komen voor mooie dingen.’ Even verscheen een glimlach op het donkere schemerige gezicht van Louis om het besef dat hij als bezoeker een beetje voor de gek werd gehouden. Maar hij vroeg zich toch af: ‘Er komen nog steeds toeristen, waarom is dat nu niet meer?’ Opa: ‘Veiligheidsrakkers vonden door de ouderdom de stalactiet te gevaarlijk worden en is in 1990 helemaal verwijderd, behalve die bobbel dan, waarmee ook een stukje historie verdween.’ Zonneberg en het museum Hier en daar waren al zwart-wit tekeningen te zien en voor ze het besefte stonden ze voor het toegangshek van het museum dat zoals gewoonlijk open stond. Het leek er nog donkerder dan in de al pikzwarte gangen maar ook een vorm van beslotenheid. Groot was het er niet en Louis kon er gewoon even alleen een rondlopen. Hij had immers een eigen zaklamp bij zich. Opa keek ook zelf weer rond. Allemaal protreten van mensen. Prins Hendrik, Koningin Wilhelmina, een lezende monnik, getekend naar voorbeeld van een schilderij uit 1643, en een rijtje Maastrichtenaren als Minckeleers van het standbeeld op de Markt en het lichtgas, Joseph Hollman de wereldberoemde cellist, Van de Bergh als ontwerper van de Moerdijkbrug en spoorbrug Maastricht en tevens Minister van Waterstaat en van Sondeijker. De man die vele tekeningen maakte in de berg en dit museum plus de Mosasaurus uithakte. En verder lopend bekeek hij enkele nissen met fossielen. Louis
stond bij de tekening van de Nachtwacht. ‘Is de echte Nachtwacht nu
groter of kleiner?’ vroeg Louis. Opa kwam erbij staan en zei: ‘In
werkelijkheid is deze ongeveer even groot. Dit museum is begin
negentienhonderd gemaakt en men kon toen niet voor mogelijk houden dat
de echte Nachtwacht hier vlak in de buurt opgeslagen zou worden. Deze
tekening is enkele jaren geleden door een professioneel
restauratiebedrijf helemaal opgeknapt. In de jaren tachtig en negentig
kon iedere gek en niet gek hier zomaar de Zonneberg binnenwandelen.
Voor veel mensen is toen ook de liefde voor deze berg aangewakkerd en
hebben de waarde ervan leren kennen. Gingen en doen nog steeds veel
onderzoeken in deze berg. Er waren ook gekken die rommel maakte in de
berg, fikkie stookte en tekeningen als deze krassen doorzette of
doorheen tekende.’Ze liepen verder en stopte bij de tekening met de plattegrond van de Sint Pietersberg. Opa wees in een cirkel naar het middelste deel van de tekening. ‘Kijk’ zei hij, ‘dit deel is de Zonneberg. Ergens anders in de Zonneberg hebben ze een nieuwe uitgebreidere plattegrond gemaakt. Enkele VVV gidsen hebben enkele jaren achter elkaar twee weken vakantie genomen om aan die tekening te werken.’ Treuzelend liepen ze naar een doodlopende gang van het museum en kwamen bij een metersgroot uitgehouwen groot dier uit waar de tekst “Mosasaurus” bij stond. Hier zei opa: ‘Ook dit idee stamt uit het museum van Slavante. We weten dat de Mosasaurus hier zwom toen de mergel ontstond. Maar ik vraag me af of ze ook wisten hoe die dan precies zou moeten hebben uitgezien. In een boek uit 1802 over de Sint Pietersberg, toen al bijzonder dat er een boek over verscheen, hadden ze het over krokodillen. En daar heeft het ook iets van weg.’ Er werd nog even rondgelopen maar toen was het echt wel tijd geworden om naar buiten te gaan. Bij het naar buiten lopen scheen de zaklamp nog één keer op een tekening, van de Helpoort. Hierbij zei opa: ‘In de tijd toen men nog makkelijk illegaal de berg in kon kopen heeft iemand deze tekening van de Helpoort gemaakt, waar we begonnen zijn vandaag. Zeker mooi en knap gedaan maar als je naar de meeste andere tekeningen kijkt in dit stelsel vind ik die toch mooier. Ik wil maar zeggen hoe mooi en bijzonder de tekeningen hier in de Zonneberg zijn. Daar had Louis niets tegen in te brengen. Samen liepen ze naar buiten. Tussen de pilaren door naar het felle licht buiten. Grotwoningen Buiten
voelde het weer heel anders aan als binnen. ‘Ben toch blij dat we weer
buiten zijn, moet er toch niet aandenken dat ik dagen in de grot zou
moeten blijven’ merkte Louis op. Opa reageerde hierop met: ‘Ben toch
blij dat je dit zegt, als bruggetje naar wat ik je nu wil laten zien.’
Louis liep al naar zijn fiets maar daar liep opa langs zonder naar de
fiets om te kijken en begon aan zijn verhaal: ‘Er zijn ook mensen die
in grotten gewoond hebben, dat laat ik je nu zien.’Louis keek zoekende naar wat opa van plan was. Opa stak de verharde weg over naar een onverhard pad en liep enkele tientallen meters verder. Rechts waren enkele restanten van kleine bouwwerkjes te herkennen en tralies voor een grot. Er werd een beetje naar boven geklauterd totdat ze beiden voor de tralies stonden. Achter de tralies was een mergelgang van bijna twintig meter diep te zien, vier meter breed met een mooie tegelvloer. Daar begon opa weer aan een van zijn verhalen: ‘Tot haar drieëntachtigste, in 1971, heeft hier Greetje Blanckers gewoond. Zonder gas, elektra en wateraansluiting en internet bestond nog niet. Een paar meubeltjes als een schommelstoel, een kastje waarachter een bed stond. Heel primitief maar zielsgelukkig was ze. Een hond, katten en konijnen. Ze kweekte en verkocht groente. Heeft pleegkinderen gehad en kreeg veel bezoek uit de buurt. Ook toeristen die naar de Zonneberg waren geweest kwamen op bezoek om te kijken hoe zij woonde.’ Even was het weer stil en toen stelde Louis de vraag: ‘Maar waarom is ze hier komen wonen?’ Opa keek naar het mooie uitzicht over de Sint Pietersberg, naar het groen en begon aan zijn antwoord: ‘Halverwege de negentiende eeuw woonde aan de overkant van de Maas het gezin Claessens. Die familie had geregeld last van de hoge waterstand van de Maas en bedacht dat het handig zou zijn als ze hoger gingen wonen. Op deze plek lieten ze een grotwoning graven en gingen er wonen. Een zekere Maria was toen negen jaar en bleef tot haar dood in 1943 hier wonen. Zij kreeg ook een man, Harie Blanckers, en ook hij kwam hier wonen en kregen samen kinderen. Greetje was de jongste en bleef er ook wonen. Zij wilde nog even zuster worden maar dat vond haar vader niet goed.’ Hoewel er niets meer van meubeltjes of andere vormen van bewoning was te zien, voelde het voor Louis wel aan alsof hij in iemands voortuin stond. De aanwezigheid van ruim honderd jaar bewoning door één familie was nog steeds te voelen. Ze liepen terug naar het pad waar opa bleef staan behalve zijn kaken: ‘Honderd meter verder is nog een grotwoning geweest. Het wordt te laat en gaan er niet meer kijken. Ze noemen het er de Kluis omdat er kluizenaars in hebben gewoond. Dat was al in 1680. Soms woonde er meerdere kluizenaars. Net als bij Greetje heeft er ook een gebouwtje voor de grot gestaan. Toen zij in 1800 uit de grot vertrokken heeft er de familie Hamelers gewoond en anderen. Later is het als stal gebruikt.’ Eigenlijk wilde ze ook daar even gaan kijken maar wilde ook verder. Dat deden ze ook en liepen terug naar de fietsen en lieten zich naar beneden rollen. Ursulinenweg Tijdens
het naar beneden rollen riep opa: ‘Onderaan naar links. Laat ik je een
paar dingen aan de Ursulineweg zijn en komen we hier terug om het pad
naar rechts te nemen.’ Maar inmiddels hadden beiden de bocht al naar
links al genomen. Links een met gras begroeide helling, rechts woningen.Waar rechts tussen een lange grijze muur en een deur open stond stopte ze. Stapte van de fiets af, zette hem neer maar de fietsen werden niet afgesloten. Ze liepen er naar binnen en kwamen in een kapel terecht. Links enkele kerkbanken en rechts was weer open lucht, gestapelde vuurstenen en een Mariabeeld. Toch ook wel weer apart dacht Louis. Ze liepen verder en toen ze helemaal stil waren begon op zachte toon opa te spreken: ‘Dit is een van de oudste Lourdesgrotten van Nederland. In Lourdes, een stadje in Zuid Frankrijk tegen de Spaanse grens aan, verscheen in 1858 dè Maria aan Bernadette. Sinds die tijd is Lourdes het grootste bedevaartsoord van de wereld en overal in de wereld, met name natuurlijk in de katholieke regio’s, werden Lourdesgrotten nagebouwd. Je komt ze ook op andere plekken in Limburg tegen. Een nagebouwde rotswand met daarin een beeld van Maria geplaatst.’ Dat beeld zag Louis hier ook staan in de wand met beklede vuurstenen met het beeld ertussen. Opa ging verder: ‘Claereboets had in 1873 de hier achterliggende Villa Maaszicht gekocht en grondig laten verbouwen. Datzelfde jaar ging hij met zijn dochter naar Lourdes en wilde naar aanleiding van die reis hier een Lourdesgrot nabouwen. Waarschijnlijk is er een voorloper in de tuin geweest maar omdat er steeds meer mensen gebruik van wilde maken weten we zeker dat deze met de deur er in 1890 was. Claereboets waardeerde het werk van de Zusters Ursuline. Die mochten gebruik maken van zijn Villa, hij woonde zelf aan de Grote Gracht. Na zijn dood is het overgedragen aan de zusters Ursuline. Maaszicht is gebruikt als buitenhuis, pensionaat voor meisjes en klooster. Dat twee van zijn dochters ook als zusters waren ingetreden zal er zeker aan bijgedragen hebben. Ondertussen hebben de zusters Maaszicht verkocht maar deze kapel is tot nu toe toegankelijk gebleven en deze weg heet nu de Ursulineweg, vroeger de Observantenweg,.’ Louis liep al vanzelf naar buiten, opa erachter. Namen plaats op hun fiets en fietste een stukje verder en stopte weer, midden op de weg, even voor de eerste woning links. Een langwerpig gebouw haaks op de weg. Aan de wegzijde een op hoogte overdekt terras met ronde bogen en waar ook de voordeur was te vinden. Bedenkelijk keek Louis naar opa en zei: ‘Het sprookje is voorbij, maar wat heeft dit huis er nu mee te maken?’ Opa: ‘Heel goede vraag. Nou, hier op deze plek was het kantoor en werkplaats van die groeve. Langs deze lange kant van het gebouw bevond zich een smalspoor om de afgegraven mergel van de groeve naar het kanaal langs de Maas te transporteren. Rechts zie je een smalle strook verder naar beneden lopen waar de rails lagen.’ Twee hoofden boven de fietsen draaide gezamenlijk van links naar rechts om de oude spoorlijn te volgen. Het oudere hoofd sprak verder: ‘Het zijn twee gebouwtjes. Het achterste deel is uit 1930, dus toen was de oorspronkelijke werkplaats al verdwenen. De harmonie hield er haar repetities en er is ook nog een jeugdherberg geweest. Op dit moment is het een parochiezaaltje, “Aan de Slouw” genaamd. De voorkant is al van 1850 en is meestal bewoond geweest en is dat nog steeds.’ Een knikje volgde van Louis en beiden kwamen in beweging, twintig meter om precies te zijn. Daar werd weer gestopt en ditmaal werd naar rechts gekeken. Een rommelige grasweide met aan de achterzijde een oud breed grijzig gebouw met ramen. Opa wees er naar toe, al was er verder niet veel anders te zien dat bijzonder was. Hij zei er over: ‘Een gebouw uit halverwege de negentiende eeuw. Daar was tot 1932 de Openbare school èn tot 1920 het gemeentehuis van Sint Pieter. De school vertrok naar onderaan de berg waar steeds meer mensen kwamen wonen. Het gebouw werd toen gebruikt voor verenigingen en kunstenaars die er hun atelier hadden. De harmonie ging er spelen en ook verschillende padvinderijclubs namen er hun intrek. Scouting Sint Gerlach kreeg er ook een plek die tot die tijd in de Capucijnenstraat en Bogaardenstraat hun clubhuis hadden. Die hebben er vandaag de dag nog steeds hun clubhuis. Ik blijf nog wat jaartallen strooien. In 1954 moesten padvinderijclubs het pand verlaten omdat er een schippersschool in het gebouw kwam. Schipperskinderen woonde in een internaat in de stad en kwam hier naar school. Soms waren er ook kinderen die maar eventjes op school waren. Het huiswerk werd dan nagekeken, kregen nieuw huiswerk en gingen weer de boot op. Hier in de Maas was er toen best veel scheepvaart. In begin was de school best succesvol maar later werd de behoefte minder omdat veel schippers aan wal kwamen wonen. In 1968 werd de schippersschool gesloten.’ Er volgde weer een knikje van Louis maar dat was toch iets minder als het vorige knikje. Ze reden verder. Nu stopte ze voor de kerk. Opa ging weer stevig staan en Louis luisterde gehoorzaam naar wat opa te zeggen had: ‘Deze kerk heeft al heel wat voorgangers gehad. Het dorp Sint Pieter is van oorsprong een tuindersdorp en de kern van het dorp bevond zich onderaan de berg richting de stad. Alleen vonden daar ook de belegeringen op de stad Maastricht plaats en moest het dorp inclusief de kerk geregeld afgebroken en herbouwd worden om het schootsveld vrij te houden. Na de zoveelste keer vond men het welletjes en bedacht men dat het handiger zou zijn als deze kerk wat verder van de stad gebouwd zou worden. Op deze plek verscheen in 1752 een kerkhof en toen niemand van de bewoners vertrok leek dit een goede plek te zijn hier de nieuwe kerk te bouwen. Dat was nog niet deze, links van de huidige kerk verscheen een klein kerkje met pastorie van mergelstenen en werd later nog aan de zijkant uitgebreid. In 1760 werd het een officiële kerk. Maar het werd te klein, de mensen moesten buiten blijven staan.’ Louis knikte met zijn hoofd van boven naar beneden en dan van links naar rechts en weer naar boven en naar beneden en dan van links naar rechts en dacht erbij “in de naam van de Vader en de Heilige Geest Amen”. Daar merkte opa niks van en ging verder: ‘Toen kwam in 1875 deze kerk, de eerste kerk van architect Kayser en die was in de leer geweest bij de beroemde Kuypers. Kayser heeft daarna nog de nodige kerken in Limburg getekend, meer nog als zijn leermeester. Dat bakstenen werden gebruikt en niet de plaatselijke mergel kwam doordat Kayser bezeten was van de Noord Duitse baksteengotiek. Tja, en dan bouw je met bakstenen. Dadelijk vertel ik meer over de kerk in Sint Pieter maar eerst nog even over het huis achter ons.‘ De fietsen werden gedraaid en gingen via dezelfde weg terug, langs de school, de oude jeugdherberg en de Lourdesgrot. Daar waar ze van rechts kwamen gingen ze nu rechtdoor over een smal pad met veel groen eroverheen gegroeid. Na een tijdje volgde een aftakking naar rechts die ze op wilde gaan. Alleen ging dat wel erg stijl en liepen achter elkaar verder totdat ze bij een terras uitkwamen, wat gebouwtjes en veel groen en hoogteverschillen was te zien. Rechts werden de fietsen gestald. Waar opa nog wel eens uitblonk om te vertellen wat er allemaal te zien was, ging nu zijn aandacht voor een plekje op het terras. Gelukkig was er plek en er was zelfs nog een keuze waar. Er werd gekozen voor een plek links langs de rand. Beiden gingen tegen over elkaar zitten. Opa bekeek de bierkaart en Louis wist al wat hij wilde. Niet veel later werd de bestelling opgenomen. Na een aantal minuten stond er voor opa een Gerardus Kloosterbier Blond en voor Louis een cola. Heel kort daarna waren de glazen al een stuk minder vol. Bron Boeken: Verdwenen Nederland, Nederland in oude schoolwandplaten, 2006; De Calapin van Oud Sint Pieter I, II, III, 1975-1990; Opkomst van de moderne stad, 2000; De straatnamen van Maastricht, 2013; Helpoort en Nieuwstad MS15, 1984; Chateau Neercanne MS50, 1998; De Tapijnkazerne MS59, 2004; De Jezuïtenberg MS70; De Kerken van Sint Pieter I MS48, 1998; Stadspark Maastricht, 2012; Bolwerk der Nederlanden, 1979; Van Generaalshuis naar de koompe, 1979; De verbeelding van Maastricht, 2015; Parochie tussen dorp en stad, 2014; Scouting St. Gerlach, 1998; Maastricht 2000 jaar aan Maas en Jeker, 2005; Architectuurgids Maastricht Next, 2022; De Molens van Limburg, 1991; Het Maastricht boek, 2007; Monumentengids Maastricht, 2001; Limburgse Monumenten Vertellen 1940-1945 VKM1, 1994; Monumentengids Maastricht, 2001; De Jezuïeten te Maastricht 1852-1982, 1952; De Molens van Limburg, 1991; Jekerdal, wandelen door de achtertuin van Maastricht, 2007; Langs Limburgse wijngaarden, 2011; Natuurlijk Maastricht, 2020; Naar de bronnen van de Jeker, 2009; Creatie en recreatie, 2014; Ouderenzorg in Maastricht VM19, 1993; Stichting Het Limburgs Landschap 1931-1956, 1956; Het Verdrag van Maastricht 25 jaar later, 2017; Mergel gebroken, 2002; 70 Jaar ENCI, van mergel tot cement 1926-1996, 1996; Krijt van Zuid-Limburg, 2000; Delftstoffen in Limburg, 1989; Sint Peters bergh ontginningsgeschiedenis deel 1, 2024; ons krijtland Zuid-Limburg, II Geologiscche geschiedenis Zuid-Limburg, 1976; Pieterpad traject II Vorden-Maastricht VV, 1993; ´t Kapelke, kapellen langs de velden en wegen in Zuid/Limburg, 1999; Historische Encyclopedie Maastricht, 2005; Kluizenaars in Limburg, 12950; De monumenten van geschiedenis en kunst in Maastricht II, 1974; Natuursteen in Limburg, natuursteen uit Limburg, 2017; Ondergronds verzet, 1994; Natuurlijke historie van den Sint Pietersberg, 1802; 75 Jaar André Rieu, het verhaal van de maestro, 2024 Internet: industriespoor.nl/sintpieter; 4en5mei.nl; monumentaltrees.com; hoevenekum.nl; apostelhoeve.nl+ natuurmonumenten.nl; vogelbescherming.nl; natuurwijzer.naturalis.nl; heidelbergmaterials-benelux.com; Kadastralekaart.nl; Periodieken: De Limburger 23-08-2018, 12-10-2018; Sint Pieter vroeger en nu, 0, 1, 8, 2004-2008; SOK mededelingen 25, 45, 46, 48, 60, 65, 75, 76, 1996-2021; Maasgouw 1920-11; Natuurhistorisch Maandblad 71, 1982 |