Opa vertelt Louis over de stadswijken van Maastricht



de zuidoostelijke (Heugemerveld, Randwijck, De Heeg, Heugem, Céramique)

 

 


Hoogwater in Heugem

Zaterdagmiddag, opa ging op bezoek bij zijn dochter. Hij zat in de kamer toen zijn kleinzoon  Louis enthousiast in zijn pyjama de trap af denderde en binnen stormde.  ‘Hoi opa’ riep hij. Opa: ‘Dag Louis, hoog water in Heugem?’ Plotsklaps stond Louis stil en keek opa onbegrepen aan.

Opa dacht dat een uitleg  wel wenselijk was: ‘van Heugem werd vroeger gezegd  dat het steeds onder water stond, hoog water was. Als iemand in de stad met een te korte lange broek liep werd dan cynisch geroepen  “hoogwater in Heugem?”  Kleding werd vaak langer gedragen of doorgegeven naar een ander en dan kwamen de voeten en een stukje van het been zichtbaar in beeld.’

Louis ontdooide weer en ging lekker tegen opa aan op de bank naast hem zitten. Er werd naar een gespreksonderwerp gezocht. Louis begon over Heugem: ‘Opa, wat kunt u zich nog meer heugen van Heugem? Even was het weer stil totdat opa een antwoord gaf: ‘Wat ik me kan heugen is dat Heugem heel wat te heugen heeft. Ontstaan ergens ver voor het jaar 1000. Maar als ik me tot de laatste honderd jaar beperk, toen  het  aan Maastricht werd toegevoegd, is het nog lange tijd een dorpssfeer gebleven met sociale samenhang en met veel tuinbouwactiviteiten. Dieren waren niet zo geschikt. De omringende landerijen liepen ’s winters geregeld door de Maas onder water. Het dorp zelf minder vaak. Men denkt dat de naam afkomstig is van hoog – heem, hoog gelegen woonbeurt.

Ondertussen was Louis weer wat rechter op gaan zitten en vroeg aan opa: ‘is er nu nog iets van dat hoger gelegen van vroeger te herkennen in Heugem?’ Opa dacht even en zei: ‘Sinds de jaren tachtig is het er behoorlijk “stads” geworden, zijn vele sporen gewist. En dat wil jij weer zeker met eigen ogen zien?’ Louis knikte. Opa: ‘Dan laat ik je Heugem zien en het omliggende gebied als Heugemerveld, Céramique, Randwijck, het hogerop gelegen De Heeg en Heugem zelf.’ Niet veel later was Louis aangekleed, zaten opa en Louis op de fiets en had moeder geen bezoek meer.

 

Heugemerveld

Bij de spoorwegovergang nabij het station fietste ze in de richting waar opa naar toewees en voegde daar aan toe: ‘Daar, richting het zuiden, gaan we de straat Duitsepoort in.’ Louis vroeg zich direct af: ‘Ja, maar Duitsland ligt toch ten oosten van Maastricht, waarom noemen ze deze zuidelijke weg richting het zuiden dan Duitsepoort?’  Tja, dacht opa even maar hij had er toch een antwoord op: ‘De stadspoort waar deze straat naar genoemd is bevond zich niet hier maar enkele honderden meters dichter bij de stad, de kruising Hoogbrugstraat en Lage- en Hoge Barakken en dan een kwartslag gedraaid richting het oosten. De weg van de poort naar het oosten, naar Duitsland, liep hier langs. Het was immers de weg naar Aken. Vandaar.  De wijk hierachter, waar we naar toe gaan,  heeft ook nog een tijdje Akerpoort geheten zoals de poort ook werd genoemd. De destijds onbebouwde velden ten oosten van de stad noemde ze vroeger en nog steeds, Wijckerveld, de velden van Wijck.  Waar wij nu naar toe gaan, het zuiden in de richting van Heugem, noemen we Heugemerveld.

Ze reden de wijk binnen en al snel stuurde opa rechts een stukje Bloemenweg in direct weer links de stoep op waar hij, gevolgd door Louis, stopte. Ze keken het kleine straatje in. Aan het uiteinde was een weg met daarachter iets van palen. Opa ging een toelichting geven: ‘Kijk Louis, de wijk is als een gelijkbenige driehoek. Hier is het noordelijke puntje van de driehoek. Hier aan het einde van de Bloemenweg heb je de Heugemerweg, de weg naar Heugem. Dat is de ene kant de woonwijk, aan de andere kant van de weg stond vroeger een muur waarachter de fabriek Céramique was. Stukken van die muur hebben ze uit historisch oogpunt laten staan. De Céramique bekijken we op de terugweg.  Richting Heugem heb je een stukje verder links nog een straat. Dat is nog een restant van de Oude Gronsvelderweg en noemen ze nu Monseigneur Schrijnenstraat. Aan het begin van die oude wegen stonden toen en nog steeds enkele huizen als lintbebouwing.‘

Ondertussen draaide de hoofden naar de andere kant, daar waar de Bloemenweg aan de andere kant van de straat verder ging waarbij opa vervolgde met: ‘ En deze weg noemde ze vroeger de Oude Heerderweg en vormt de andere kant van de gelijkbenige driehoek, grens van Heugemerveld. Parallel hieraan heb je het spoor naar Luik dat halverwege de negentiende eeuw ia aangelegd met daarachter weer een klein industrieterrein, Mockveld. Aan de noordkant is de zogenaamde “Diek” of “Heugemerdijk”. Deze is in 1935 aangelegd en later is er een kleine weg overheen aangelegd die later uitgroeide tot de Kennedysingel zoals we het nu kennen. Daarmee zie je dat deze wijk erg ingeklemd zit en dus op zichzelf is aangewezen.’

Inmiddels keek opa Louis aan bij het spreken: ‘ Plannen om op deze plek woningen te bouwen waren er al voor de oorlog. Er hoefde nog niet op het geld beknibbeld te worden. Na de oorlog was dat anders. Er waren nauwelijks bouwmaterialen beschikbaar en de materialen  die beschikbaar waren werden gebruikt voor de reparatie van oorlogsschade. Daarnaast behoorde Maastricht tot de steden met de hoogste  woningnood van het land, nog hoger dan in menigeen grote stad die zwaar door de oorlog getroffen waren. In 1947 werd begonnen met de bouw van de eerste huizenblokken. Rondom enkele pleinen met verspreid over de wijk winkels. Mede vanwege het tekort aan bouwmateriaal werden er veelal prefabwoningen  gebouwd, met voorgebouwde betondelen. De kwaliteit van die woningen was niet goed maar dat probleem zou later opgelost moeten worden, eerst zo snel mogelijk bouwen. De woningen hebben desalniettemin toch leuke details meegekregen. Kom maar verder fietsen, rechts de rijtjeshuizen.’

Ze gingen verder de doorgaande straat vervolgen, de Baron van Hövellstraat. Links, op de hoek van de Bloemenweg stond een wit paard-achtig massief ding met vele ronde vormen waar je best wel op zou kunnen zitten. Louis zag het en vroeg direct aan opa: ‘Wat is dat?’ Opa keek er ook naar en zei: ‘dat zijn Betonnies. Toen de wijk een frisse opknapbeurt heeft gekregen zijn deze pony’s in de wijk neergestreken. Ze staan op een aantal plekken in de wijk en geven een echt eigen identiteit aan de wijk.’ Eigenlijk wilde Louis even afstappen om er op te gaan zitten, maar ze waren alweer voorbij gereden.

Even voorbij de eerste zijstraat  rechts zag je de woningen waar opa het over had, sommige hadden een stijlvolle voordeuroverkapping, speelse ronde ramen en stoere betonsteunen onder de overkapping. Bij de tweede zijstraat  rechts herkende Louis weer enkele Betonnies, maar die stonden wel erg ver weg. Er werd goed opgelet, enigszins om naar de huizen te kijken en anderszins  om op het drukke verkeer te letten. Links verschenen enkele winkels, aan het einde van de straat bij een plein, Kardinaal van Rossumplein, werd er rechts gestopt. In de tuin op de hoek was een beeldje te zien van een ventje.

‘Kom maar even goed aan de kant staan’ zei opa, keken naar het midden van het plein waar het meeste te zien was en ging verder met: ‘Hier valt nog wel een en ander te vertellen, over de sociale kant van de wijk. De bewoners die hier mochten wonen werden geselecteerd. De bouwvereniging moest er wel zeker van zijn dat ze de huur konden betalen en moesten ook fatsoenlijk zijn. Als ze er eenmaal woonde werden ze blijvend gecontroleerd. Op de meest onverwachte momenten werd tweewekelijks bij de huizen aangebeld voor de huurbetaling en werd er gekeken of ze zich gedroegen aan de gewenste norm. Anders werden ze er op aangesproken of werden tips gegeven. De veelal  arbeiders die er woonde moest beschaving worden bijgebracht. Toen dat niet naar wens verliep hebben ze het strenger aangepakt maar inmiddels gebeurd dat natuurlijk niet meer.’

Gelukkig dat hiervoor tegenwoordig niemand meer thuis aan de deur komt dacht Louis, zijn moeder vond hij al ruim voldoende, maar wilde wel eens weten wat er gebeurde met de mensen die niet in een dergelijke woning terechtkwamen en vroeg: ‘En als ze niet fatsoenlijk waren kregen ze dan geen woning?’ Opa: ‘Voor de niet socialen, de  asocialen, werd bijvoorbeeld de Ravelijn gebouwd.  Die werden een stuk intensiever begeleid. Je moet weten dat veel van die mensen vanaf hun geboorte gewend waren met vele andere woonde in kleine kamertjes te leven, één kraan en een stinkend toilet dat ze met andere gezinnen deelde. En die hadden ook nauwelijks geld. Hoe kun je dan geleerd  hebben beschaafd te wonen?’ Louis knikte begrijpend.

Opa ging verder: ‘Bijna iedereen die in de wijk woonde was  katholiek en arbeider. Veelal werkzaam bij de grote fabrieken als Sphinx, Céramique en ENCI. Dat alleen al gaf een grote verbondenheid. Er ontstonden vele initiatieven om clubs op te richten. In de hoogtijdagen waren er ongeveer achttien clubs,  soms met meer dan tweehonderd leden. Er was een grote vrolijke verbondenheid onder elkaar. Eén van die clubs waren de Kluivers, de carnavalsvereniging. Een kluiver is een ondeugende jongen die het allemaal niet zo serieus neemt.’  Louis vulde aan: ‘ne batteraof.’ Opa knikte met een kleine glimlach en vertelde verder: ‘Die verbondenheid en clubs zijn er nog steeds al is het wel minder geworden. Maar de Kluivers bestaan nog steeds en sinds 1981reiken ze maximaal eenmaal per jaar de Kluiver uit, een klein beeldje, voor iemand die zich verdienstelijk heeft gemaakt in de wijk. Toen de Kluivers drieëndertig jaar bestonden is dit grote standbeeld er gekomen. Symbool van de Kluivers maar ook  symbool voor de jeugd die in de wijk groot is geworden.’ En ze draaide zich naar het standbeeld van dat ventje.

Louis hield opvallend veel zijn mond zodat opa onbelemmerd kon blijven spreken: ‘Toen de eerste huizen bewoond werden werd ook de parochie opgericht. Hier aan de rand van het plein kwam een noodkerk, gebouwd beton,  eterniet en zogenaamde Zweedse spanten. Nadat de nieuwe kerk in gebruik werd genomen werd het noodgebouw nog enkele jaren gebruikt als parochiehuis waarna het werd afgebroken. Voor de kerk werd ook een nieuw orgel gemaakt en later uitgebreid. Studenten van de muziekschool hebben er nog de nodige melodietjes op geoefend. Inmiddels is het geen katholieke kerk meer. En dan komen we vanzelf in de voortschrijdende tijd van veranderingen.’

Ondertussen had Louis al heel wat bewoners voorbij zien komen, het beeld van de Kluiver, de kerk en hij zag een witte mini pony’s, nieuwere woningen en keek de rechter straat in. Opa was niet zo bezig wat er om hem heen gebeurde, die ratelde nu al aan het begin van de fietstrip al gewoon door: ‘De bewoners werden steeds ouder, de woningen steeds slechter en de mensen die er nieuw kwamen wonen hadden niet het geld om kwalitatief goed te wonen. Er moest iets gebeuren. Woningen werden afgebroken en vervangen door betere. Mensen konden woningen kopen want kopers zorgen doorgaans beter voor hun woning dan huurders. Omdat er zo’n goede sfeer was in de wijk wilde ze graag zoveel mogelijk de oude bewoners in de wijk laten wonen. Zo werden voor de oudere bewoners appartementen gebouwd. Een groot deel van de mensen die in Heugemerveld kwamen wonen hadden vanuit  het verleden al een band met de wijk.  En zie, het bleef een leuke wijk en na veel protest en in het begin was uiteindelijk iedereen blij om nu in een betere woning te wonen.’

Een vrolijke opa stopte even met vertellen, keek scherp naar rechts de Minister Talmastraat in en ging verder: ‘Dit was het sociale verhaal dat ik je wilde vertellen, nu een verhaal van eenzaamheid, van vergetelheid… Toen ze in deze straat het gas- en waterleidingen gingen aanleggen werd er in de klei gegraven en hebben toen een graf ontdekt. De hardwerkende gemeentewerkers merkte het niet direct waardoor er sporen zijn uitgeveegd maar hebben het wel opgemerkt. In dit graf vonden ze een kegelvormig kommetje, diverse scherven bestaande uit zeker drie borden, een geeloranje urn, een bronzen lepeltje en een verweerde speerpunt. Waarschijnlijk is het van een militair geweest. Het is wetenschappelijk gedateerd tot ergens begin van onze jaartelling en is het oudste graf dat er gevonden is in Maastricht.’ Louis begon nu vrolijk te kijken: ‘Gaaf! Werd er toen ook al gecremeerd, ligt dat er nog steeds?’ Het hoofd van opa knikte van ja en daarna schudde hij van nee en voegde daar aan toe: 'in de ijzertijd werd er al gecremeerd, maar nu liggen er gas-en waterleidingen op die plek maar de gevonden voorwerpen zijn wel bewaard gebleven.’

Nog even werd een blik gegeven in de straat geworpen waar ooit een graf was maar vertrokken toch, precies de andere kant op. Links nog enkele winkels, rechts het plein. Op de hoek van het plein stond een groot gebouw met ervoor gestald… enkele bekende pony’s. Huiselijk  te wachten op de baasjes die in het gebouw waren. Als onbekende in de wijk durfde hij er niet op te gaan zitten. En eigenlijk was hij er ook te groot voor geworden. ‘Wie komt er in het gebouw’ vroeg Louis aan opa. Die antwoordde: ‘van alles, een prachtige mengelmoes van peuters in de peuterspeelplaats tot een verzamelplek voor senioren en alles wat er tussen in zit.’ Nu durfde Louis helemaal niet op zo’n pony te zitten. Een klein kind kon hij nog wel aan maar als de pony van een stoere opgepompte man was zou zijn zou het wel heel eng kunnen worden.

Direct achter het gebouw, La Bellettsa, fietste ze naar rechts. Aan het einde van de straat stond op de plek van de afgebroken Lagere school nu een mooi modern appartementencomplex voor ouderen. Is het nu jong dat door oud vervangen wordt of is het oud dat door jong vervangen wordt vroeg opa zich zwijgend af. Goed in ieder geval dat de wijk met de tijd mee gaat. Bij het nieuwe complex fietste ze naar links en snel weer de straat rechts. Aan het einde werd het fietspad bereden dat het tunneltje door ging. Heugemerveld werd verlaten.

 

Randwijck

Aan de andere kant van het tunneltje zag het heel anders uit. Kille grote gebouwen maar wel met een bomenrij ertussen. Er volgde een kruising die ze overstaken. Al tijdens het oversteken wees opa weer om de stoep op te rijden zodat ze op de hoek stonden. De fietsen werden gedraaid zodat er ruim zicht was over de kruising.

Daar begon hij, opa ging weer vertellen: ‘We staan hier in de oude zogenaamde Heugemeroverlaat . Het is het gebied tussen het oude dorpje Heugem en Heugemerveld. Heugem en Heugemerveld liggen al van oorsprong hoger dan het gebied hier. Vandaar dat bij hoogwater van de Maas dit gebied onder water kwam te staan en het water via de strook waar nu de autoweg ligt om de stad Maastricht heen kon stromen. Bij extreem hoog water kon het toch gebeuren dat toch de stad onder water kwam te staan, gebeurde in de jaren twintig. In de jaren vijftig kwam het bijvoorbeeld voor dat een strook van driehonderd, vierhonderd meter over de dijk stroomde, zo’n dertig centimeter. Hoog water is niet altijd door een dijk tegen te houden, het water kan ook vanuit de grond naar boven komen. Ondanks de huidige mogelijkheden met pompen en dergelijke kan het toch gebeuren dat mensen voor het hoge water hun huis uit moeten. Gebeurde in de zomer van 2021 nog. Er zijn in Randwijck bedrijven die kelders hebben met waardevolle spullen die ze met een stevige waterdichte deur kunnen afsluiten. Dat is ook de reden dat dit gebied lange tijd niet bebouwd werd. In 1979 verscheen pas het eerste gebouw in Randwijck. Daarin bevond zich onder andere de gemeentelijke gezondheidsdienst met  de ziekenwagenstandplaats. Dat was aan het einde van de straat, hier links en dan aan de rechterkant.’

Louis keek even een straat in waar hij niet zag waar hij naar keek en daarna richtte de ogen zich naar de stoep, die was droog. De mond van opa was voldoende vochtig om verder te spreken: ‘In de wijk kwamen ook woonhuizen. De huizenblok hierachter is van een groep mensen onder de naam Vernieuwend Wonen Maastricht. Veel appartementen, enkele huizen, een gezamenlijke binnentuin, drie gezamenlijke ruimtes, buurtcafé, ateliers en bedrijfjes waar bewoners werken. Het beheer doen ze samen en zijn ook allemaal verantwoordelijk voor een prettige leefomgeving.’  Nu keek Louis achter zich, hij zag toch maar gewone woningen al was de vorm wat speelser. Louis dacht hardop: ‘Vernieuwend wonen en dat al tientallen jaren, ze kunnen het beter Alternatief wonen in Maastricht’ noemen. Er werd bevestigend geknikt.

In het verlengde van hoe ze overstaken fietste ze verder en draaide even verder naar links.  Rechts woningen met beneden garages, een parkeerplaats en links ook een parkeerplaats, imposant glaswerk van het  MECC. De weg liep iets omhoog. Waar rechts een fietspad was stopte ze rechts weer veilig op de stoep.  Met de rug naar het MECC keken ze even om zich heen. Voor zich een verwaarloosd parkeerterrein, links de kolossale gebouwen van het ziekenhuis. Tegenover het ziekenhuis nog een gebouw, veel struiken, veel onkruid.

Opa ging eens goed staan, bereidde in gedachte zijn betoog voor en begon: ‘Door aanpassingen aan de Maas was het steeds minder nodig dit terrein braak te laten liggen. De A2 autoweg vanuit Amsterdam werd in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw doorgetrokken tot aan de grens, over het stuk dat eerst beschikbaar moest blijven voor hoog water. In de jaren zeventig lukte het om met de komst van een medische faculteit stapjes te zetten naar een volwaardige universiteit in de stad. In dezelfde periode werden de steenkolenmijnen gesloten in de Oostelijke en Westelijke  -mijnstreek. En om de werkeloosheid van de mijnwerkers mede te compenseren kreeg  Maastricht de Universiteit, logisch toch. Men was blij in de stad want dat zou veel goeds naar de stad brengen en dat is ook zo gebleken. Direct begon de gemeente Maastricht honderdnegentig hectare grond in dit gebied te onteigenen om plek te maken voor een universiteit, hier in Randwijck. Omdat er door de taalstrijd in België ook een Franstalige universiteit van Leuven moest komen, werd er nabij Brussel een nieuwe stad gebouwd, “Louvain la Neuve” genaamd. Het auto- en vrachtverkeer gaat er ondergronds en erboven hebben de voetgangers alle ruimte om de universiteitsgebouwen te bereiken. Dat zag men hier in Maastricht wel zitten. In Utrecht werd in die tijd ook een dergelijke universiteitsstad gebouwd. Maar dat waren alleen maar grote saaie kille gebouwen, rechte wegen, dat wilde men hier zeker niet.’

Louis keek nog eens om zich heen maar herkende nog maar weinig van het Louvain la Neuve, eerder een lichte versie van de Uithof. Hij luisterde verder naar opa: ‘Maar het liep anders. Er werd besloten dat de universiteit naar het centrum van de oude binnenstad ging. Zo kregen oude grote gebouwen als kloosters, het oude Gouvernement, scholen, herenhuizen een nieuwe bestemmingen, werd de stad een stuk levendiger en droeg bij aan de eigen identiteit van de universiteit. Wel kwam hier in Randwijck het nieuwe ziekenhuis met daar aan vastgekoppeld een medische faculteit. Hier links, het witte gebouw is nu het ziekenhuis en erachter ligt de faculteit. Ruim vijfentwintig hectare is nu in gebruik voor ziekenhuis en universiteit. En wat heeft men nu met de rest van het gebied gaan?’

Het hoofd van Louis zakte tussen zijn schouders naar beneden, keek vanuit die positie nog eens om zich heen en opa wist weer dat hij verder kon vertellen: ‘Hier aan de noordkant, achter ons, verscheen het MECC, een hotel en diverse kantoren. Ooit waren er ook nog plannen voor een permanente ijsbaan en zwembad en het eerste overdekte voetbalstadion van Nederland maar dat ging allemaal niet door. Wel nog diverse andere kantoorpanden en een woonwijk. Aan de zuidkant verscheen een bedrijventerrein, met niet al te zeer vervuilende bedrijvigheid was de voorwaarde.’

Alsof opa aan zittend bij een kampvuur verhalen aan het vertellen was ging hij in de kille omgeving gewoon verder: ‘Om er een gezellige sfeer van te maken was bedacht om een groot plein te maken waaraan de diverse grote instellingen als MECC, ziekenhuis, universiteitsgebouwen gelegen waren. Dat zou een verbondenheid gegeven hebben. Echter, zo ver kwam het niet. Het MECC ligt in een uithoek van de wijk, ver van de stad maar iemand wilde het langs de autoweg hebben, het ziekenhuis was gepland met de voorkant langs de autoweg maar iemand vond het mooier met het uitzicht op de Sint Pietersberg en draaide het honderdtachtig graden. Daarmee kwam het universiteitsgedeelte eenzaam aan de achterzijde te liggen en  de voorzijde een kale bedoeling met een afgezonderd universiteitsgebouw. Vooraf en tijdens de bebouwing van Randwijck zijn er architecten bezig geweest nog iets van sfeer van te maken maar door allerlei eigen belangen is het nu, voor iedereen, een vreemd samenraapsel geworden.’ Het vuurtje van opa doofde en ze fietste verder zwijgend voor het ziekenhuis richting het zuiden.

Er waren dan wel grote gebouwen maar een onderlinge binding hadden ze niet. Ze stonden op zichzelf. Het viel Louis op dat het ziekenhuis, het grote wit/grijze gebouw zo weinig lawaai vandaan kwam, het moet er toch een drukte zijn. Rechts een vijver met twee kromme palen naar elkaar toe met bij de ene een min- en bij de andere een plusteken. Zal vast wel iets met elektrische ladingen te maken hebben. Al begreep hij het niet, dit grote monument, want dat moest het vast zijn, vond hij wel mooi. Opa vroeg hij er maar niet naar.

Bij een straat naar rechts fietste opa weer de stoep op. Louis volgde hem want opa zal vast wel weer iets te vertellen hebben. Op de hoek van de stoep draaide hij de fiets om, richting het ziekenhuis. En ja hoor, daar begon hij weer: ‘Voor dat hier begonnen werd met allerlei gebouwen en huizen te bouwen waren op deze plek weilanden en enkele landwegen en een beekje, "Het Lange water". Waar we net uit het tunneltje kwamen was een voetbalveld van de voetbalclub van Heugemerveld. Hier rechts, doorlopend tot onder die weg waar het verkeer naar beneden en naar boven rijdt, is in de jaren dertig een schaatsbaan gebouwd die inmiddels geheel verdwenen is.’ Even hield opa een korte pauze waarna hij aan zijn kleinzoon vroeg: ‘Wil je een verhaaltje over vroeger of over heel vroeger?’

‘Dat laatste’ antwoorde Louis waarna hij verder naar zijn opa luisterde: ‘Toen hier die schaatsbaan gebouwd werd, later het ziekenhuis en op enkele andere plekken hier in de buurt, hebben ze hier vondsten gedaan uit de IJzertijd. Met name hier in Randwijck en enkele plekken in de binnenstad. Op de plek waar nu het ziekenhuis is, was het een grote opgraving. Ze hebben hier in met name afvalkuilen kommen, schalen, potten en heel veel scherven uitgegraven. En nog een beetje koper en vuurstenen.’  In plaats van een grijs groot gebouw begon Louis al langzaam licht voorovergebogen mannen in berenvellen te zien. ‘Is hier dan een kamp geweest?’ wilde hij weten. Opa: ‘Daar hebben ze dan geen sporen van aangetroffen. De vondsten hier zijn ook niet allemaal uit dezelfde periode, vondsten uit vijfhonderd en zeshonderd voor christus.’

Het was lastig voor te stellen hoe het hier toen uitzag. Goh, voor de Romeinen hier kwamen leefde al mensen. Toen kon je hier nog fikkie steken. Er ging van alles door het hoofd van Louis. Hij had nog een vraagje: ‘Liggen die scherven er nu nog?’ Opa schudde van nee, dan zouden ze ergens in een kelder van het ziekenhuis moeten zweven, ze liggen deels in een depot van de gemeente en een ander deel bij de vinder, amateurarcheoloog Knippels.’ Louis giechelde een beetje en zag denkbeeldig enkele scherven met modder er aan in het ziekenhuis in de lucht zweven.

Ondertussen draaide opa zich om zodat hij nu achter zich kon kijken, Louis volgde gehoorzaam. Opa begon weer te vertellen, Louis zweeg gehoorzaam: ‘Nu een verhaaltje van enkele jaren geleden. Bouwverenigingen in het land kregen de kans om commercieel geld te gaan verdienen. Servatius, de grootste bouwvereniging van Maastricht had bedacht, met name de toenmalige directeur, om studentenhuisvesting te realiseren waar een te kort aan was en enkele voorzieningen voor de universiteit te bouwen. Het moest iets moois worden, een publiekstrekker om toch nog iets van Randwijck te maken en een stijlvolle toevoeging te geven aan de stad. Nu had diezelfde directeur tijdens zijn vakantie een documentaire  gezien van de architect Calatrava. Deze had al over de hele wereld bijzondere eigenzinnige grootse bouwwerken en bruggen afgeleverd. Het station in Luik was er een voorbeeld van. Dat moest ook in Maastricht gebeuren. De architect begon te schetsen en met enkele toevoegingen als een sportaccommodatie en kantoren steeg het budget al van vijfenveertig naar tachtig miljoen euro. Een schitterend schelpvormig gebouw, haaks driehonderd meter aan geschakelde kubussen die de knappe koppen van de universiteit symboliseerde, woontoren  en voor de architect kenmerkende een omvangrijke waterpartij, veel koper verwerkt, plaats voor ruim vijfhonderd wooneenheden voor studenten en medewerkers aan de Universiteit. Echt zo mooi. Tijdens het chique openingsfeestje voor de start van de bouw bezweek de directeur bijna onder de schouderklopjes. Zo’n mooi gebouw, studenten die gehuisvest konden worden, aantrekkelijkheid voor de stad. De kosten waren toen al geraamd om honderddrieëndertig miljoen.’

Louis: ‘Ik voel een “maar” aankomen…. ‘ Opa zweeg maar ging na enkele ogenblikken verder met: ‘Maaaar….  De kosten liepen verder op, tweehonderddertig miljoen ondertussen. De directeur had de heren die toezicht op hem moesten houden niet alles van de overschrijdingen verteld. De bouw werd stop gezet en de directeur op non-actief gezet. Miljoenen aan voorbereidingen waren in rook opgegaan, bedrijven moesten vergoedingen krijgen omdat de opdracht niet doorging, een sporthal was inmiddels afgebroken en moest er toch alsnog komen. De funderingen, ja, die lagen wel al in de grond maar die zullen wel weer gesloopt moeten worden. Servatius moest om niet failliet te gaan een zware lening aangaan en zo’n tweeduizend woningen verkopen.’ Het leek erop of het onkruid tijdens het verhaal op die plek weer een stuk gegroeid was.

‘En wat gebeurde er met die directeur?’ wilde Louis weten. ‘Die kreeg persoonlijk een miljoenenclaim aan zijn broek en kwam in een oud jaren zestigappartementje in Rotterdam terecht met oude meubeltjes’ vertelde opa waarna Louis weer vroeg: ‘En de architect?’ Opa: ‘Met een reputatie bij andere projecten van onderhoudsonvriendelijk bouwwerken en forse overschrijdingen van begrotingen verdiende hij er miljoenen aan.’ Waar Louis op de ene plek mannen in berenpakken zag, zag hij hier een scheef gebouw. Het fietspad waar ze net bij op de stoep waren gereden, werd vervolgd tot een kruispunt met verkeerslichten. Daar werd zwijgend gewacht totdat het licht op groen sprong. Ze staken de weg over en gingen er weer naar links om… te wachten op het volgende rode licht.

 

De Heeg

Toen ook dat op groen sprong werd ook daar overgestoken en het fietspad vervolgd. Langzaam begon de weg  een berg te worden en dat werd na de zijstraat van rechts nog meer een berg. Met een licht gehijg vroeg Louis aan opa: ‘Klopt het dat we nu naar het volgende Maasterras gaan?’ Opa verbaasde zich dat Louis dit uit eerdere verhalen onthouden had. Hij knikte tevreden. Maar bij een knikje liet opa het niet: ‘Het Middenterras, we kwamen net uit het Laagterras met kans op overstroming, en als je bij de molen van Gronsveld naar boven rijdt, kom je op het Hoogterras. Het Middenterras lijkt vrij vlak maar in De Heeg heb je nog twee, drie meter hoogteverschil. Trouwens, deze helling is aangelegd om rondom de aanleg van De Heeg en bij de bebouwing van Randwijck een weg over de autoweg èn het spoor aan te leggen. Eerst was het spoor er en tussen het spoor en de helling van het Middenterras is in de jaren zeventig de autosnelweg aangelegd. Toen hebben ze een beetje van het Middenterras afgesnoept.’

Met een iets zwaarder gehijg kwamen ze boven aan de helling en fietste rustig verder om weer op geruisloze ademhaling uit te komen. Ze keken omlaag naar het spoor en naar de langsrazende auto’s op de autosnelweg en keken beide verder om zich heen. Op de hoek van de uitrit van het tankstation aan de overkant van de weg stond een stenen kruisbeeld. Zolang bestaat deze weg nog niet, dacht Louis en vroeg ter verduidelijking aan opa: ‘Wat is de reden dat het kruis daar staat, zo lang kan dat toch niet geleden zijn, toch?’

Tijdens het langs fietsen keken beide naar het stenen kruis  waar onder aan de voet twee duifjes bevestigd waren. Opa: ‘Het is een gedenkkruis. In 1981 liep de driejarige Janice ineens de weg over en werd geschept door een auto en werd dodelijk geraakt door een langsrijdende auto. In 1988, ook op deze plek, stak de elfjarige Wendy over en werd ook aangereden door een auto. Op weg naar het ziekenhuis stierf ze. Er heeft toen eerst een houten kruis gestaan maar omdat het hout eerder verdween dan de nagedachtenis aan deze kinderen, is er dit stenen kruis gekomen.’ Jeetje dacht Louis weer, kneep in het stuur om de aandacht op de weg te houden en wat er om hem heen gebeurde. Even was het stil.

‘Maar ehh opa, waar gaan we nu eigenlijk naar toe, naar De Heeg, maar wat is dat voor een wijk?’ wilde Louis weten. Opa: ‘Eén grote doolhof, parkeerproblemen, vol gescheiden koppels, opgeschoten jeugd en criminaliteit.’ Goedkeurend knikt Louis deze keer en voegde daar aan toe: ‘Ahhh, dat wordt dan gezellig.’

Ze kwamen bij een rotonde maar net voor de rotonde wees opa rechts naar een hekwerk met een pad er tussen. Volgens Louis zijn gedachten was dat niet voor fietsers bedoeld, maar samen manoeuvreerde ze door het hekwerk en fietste verder in de Camphaag, een woonerf. Bij pleintje links en even verder was er weer een pleintje waar ze voor het pleintje naar rechts gingen. Niet meer dan enkele dezelfde huizen stonden naast elkaar, met name bij de pleintjes zag je verschillende soorten huizen, verschillende kleuren baksteen en indeling. Toch hadden ze ook allemaal wel een bepaalde eenheid. Voor de auto’s waren er bij sommige huizen carports naast of in het huis, garages en kleine parkeerplaatsen. Bij het pleintje een speeltoestel. Vervolgens kwamen ze bij een bredere straat. Tegenover een parkeerplaats, links huizen met carport, rechts een hoger huis, tegenover een huis met een soort afdak in de tuin met garage, allemaal zijstraatjes. Hier gingen ze naar links en kwamen uit bij een speels, redelijk nieuw gebouw. Met enkele stuurbewegingen stopte ze voor dit gebouw.

Daar begon opa weer: ‘Hier staan we voor Kindcentrum Ziezo, de vroegere lagere school maar nu met het peutergebeuren erbij en opvang voor als de school afgelopen is. Vroeger stond op deze plek de Schans, een lagere school met in de toptijd zevenhonderd leerlingen. In die glorietijd waren er ook allerlei tijdelijke lokalen bijgeplaatst en ruimtes geschikt gemaakt voor leslokaal. De school fuseerde met de Vlinderboom in Heer en is inmiddels op deze plek verdwenen. Een stuk zuidelijker was de Kring met een stuk of vijfhonderd leerlingen en was er nog een school, die er niet vanaf het begin was, aan de Rijksweg. Perroen genaamd. Die twee laatste scholen begonnen te verouderen, leerlingenaantal liep terug en zijn gefuseerd en hebben hier een nieuwe school laten bouwen. Moraal van het verhaal is dat je wel eens kleiner moet worden om wederom een succes te krijgen.’ Louis bleef even roerloos staan. ‘Oja’ zei opa, ‘school heeft niet jouw grootste interesse’ en fietste richting een kruising die zich enkele tientallen meters oostelijk bevond. Daar fietste ze weer de stoep op die deze keer zo was gemaakt dat je er wel mocht fietsen.

Met de ogen gericht op de kruising begon opa weer aan zijn verhaal: ‘Dit plekje was in vroegere tijden nog gemeente Heer en enkele tientallen meter richting het zuiden was het Gronsveld. Maar in 1970 werd het hele gebied bij de gemeente Maastricht gevoegd, geannexeerd noemen ze dat. Vanaf 1972 waren er plannen om hier een wijk te realiseren. Er waren plannen er één megawijk van te maken  gedeeld in vier kwadranten.  De Heeg plus Eyldergaard plus Vroendaal plus De Wan. De Wan ging al vrij snel niet door. Maar dan moet je weten dat aan de andere kant van de Rijksweg tussen de molen en Gronsveld ook nog Vroendaal is en bebouwd zou worden zo groot als De Heeg. Eyldergaard is een zelfstandige wijk  geworden zonder centrale voorzieningen en dat geldt ook voor Vroendaal. Vroendaal is beperkt gebleven tot het stuk oostelijk van Eyldergaard en stukje De Heeg tot Rekko. Gelukkig maar. Later is ook vastgesteld dat er niet meer aan de oostelijke zijde van de Oude Molenweg mochten bouwen. Maar De Heeg werd toch een wijk met zelfstandige voorzieningen, voor zo’n zevenduizend inwoners.’

Het was duidelijk dat opa weer op zijn praatstoel zat, al was dat slechts een fietszadel. Hij ging door: ‘De Heeg is gebouwd in een stuk of tien fases. Tegenover ons, richting de Rijksweg was de eerste fase. Bij elke fase konden ze leren van de fases ervoor. De eerste bewoners kregen direct al inspraak. Op tweeëntwintig maart 1977 kwamen de eerste bewoners hier wonen en dat is ook de officiële verjaardagdatum van de wijk geworden. Niet dat hier dan overal kaarsjes staan of zo hoor. In de eerste jaren was de wijk natuurlijk nog niet zo groot, hier stopte de weg, ging niet verder. De stadsbus draaide hier om, het eindpunt van de buslijnroute.’

Even maakte opa zijn lippen nat en ging verder met zijn verhaal: ‘Het wegenplan van de wijk was al bedacht, tussen de woondelen zouden snelle ontsluitingswegen komen. Dit is hier de Langendaal en dat was vroeger ook een snelle baan. Te snel want er gebeurde vele ongelukjes en nog veel meer bijna ongelukjes. In 1983 werd hier als eerste plek in Maastricht een bussluis aangelegd. Een plek waar alleen bussen door konden. In het begin begreep dat niet iedereen en probeerde met hun auto alsnog verder te komen. Dat lukte niet altijd en er zijn inmiddels op deze plek al veel auto-onderdelen ontkoppeld geworden van de romp van de auto en dat gold ook voor de vloeistoffen die doorgaans in de onderste delen van een auto in een tankje bevonden. De snelheid en de veiligheid is sinds die tijd het wel verbeterd.’ Het eerste schraapkuchje volgde.

Opa duidde aan om verder te fietsen, langs de bussluis die prima geschikt was voor fietsers. Vrij onverwacht dook hij tegenover de bushalte rechts een fietspad in. Enkele tientallen meters verder stond links een metalen paal. ‘Dat is vast weer een kunstwerk’ vroeg Louis. Opa begon met een droog kuchje en zei: ‘ja, dat is nu kunst. Kunstenaar Frans Slijpen had bedacht om in de wijk in het groen bij woonerven de plekken te markeren bij de doorgaande wegen met kleurrijke verticale stalen objecten. Enkele andere kunstenaars hebben daar invulling aan gegeven. Appie Drielsma heeft er deze invulling als markering aan gegeven.’ Tijdens het fietsen werd het kunstwerk bekeken, je ging er toch over nadenken en dan is een kunstwerk toch alweer geslaagd. Achter het kunstwerk was er dwars op de weg een woonerf, hier gingen ze links, tussen de paaltjes. ‘Die paaltjes’ begon opa, ‘hebben ze feestelijk geplaatst. Deze voorkomen dat de mensen dit woonerf als sluiproute gebruiken sinds de bussluis was aangelegd.’

Ze reden rechtdoor in de Smissenhaag. Verschillende woningen, appartementen, maximaal vijf dezelfde woningen op een rij, wat bochtjes, auto’s in de tuin, kleine en grotere tuinen, parkeerplekjes, dan weer een wat hogere woning maar toch allemaal een bepaalde éénheid. Ze reden het woonerf uit, links richting de kruising, die werd overgestoken en links het parkeerplaatsje opgereden. En daar stopte ze ook.

Het begon weer met een kuchje bij opa maar er kwam toch nog een gesproken woord uit zijn mond: ‘Hier staan we op de kruising midden in de wijk. De straatnamen uit de hoek waar we net vandaan kwamen eindigen allemaal met “haag”, aan deze kant van de wijk eindigen de straatnamen met “borg” en aan het zuidzijde van de wijk eindigen de straatnamen met “daal”. Dan weet je in ieder geval in welke hoek je bent van het doolhof. En dan is er nog de Roserije maar daar vertel ik zo dadelijk over.’

De mond van opa snakte ergens naar. Na dit momentje van droog kauwen kwam de mond in een iets andere beweging, spreekbeweging: ‘Het aanleggen van woonerven was typisch iets uit de jaren zeventig en tachtig. De bedoeling was om de menselijke maat centraal te stellen, de mensen samen te laten wonen en niet die kille lange straten waar ieder maar naast elkaar woonde. Maar juist samen zijn. Al die voordeuren zijn gericht op het woonerf, daar waar gewoond wordt. De achtertuinen waren allemaal gericht op de doorgaande wegen of buitenrand van de wijk. Tussendoor veel groen als gras, struiken en bomen. Dat maakte het huiselijk, geborgen. Rustige straten waar kinderen met elkaar speelden, mensen met elkaar in contact kwamen. Maar er kleefde ook nadelen aan, ze hingen er wel erg dicht op elkaars lippen, inkijken bij de buren of tegen een blinde muur opkijken, kinderen die overal speelde, auto’s die niet goed geparkeerd werden.’

Louis wreef even aan zijn neus en vroeg aan opa: ‘En zo kreeg je dus een groot doolhof, conflicten in de straat, kinderen, auto’s die irritant geparkeerd staan.’ Opa knikte van ja en zei: ‘en zo kom je aan een slecht imago. En als je een slecht imago hebt kom je er lastig van af, het oude beeld blijft maar hangen terwijl het tegenwoordig allemaal best wel meevalt, alles heeft zijn plekje gekregen. Wat in het begin ook aan het slechte imago bijdroeg was dat er veel doorstroom was. Zo’n nieuwbouwwijk is natuurlijk vaak een samenraapsel van mensen die overal vandaan kwamen zonder een binding te hebben met hun woonomgeving. Tegenwoordig zie je dat generaties die vroeger in de wijk opgegroeid zijn nu perse in De Heeg willen wonen omdat het er juist zo fijn is.’ En opa schraapte nogmaals zijn keel.

Enige kleine zorgen begon Louis zich nu wel om zijn opa te maken: ‘Als het er zo fijn is, is er dan ook een café?’ Opa knikte van ja als een soort inzicht dat hij kreeg. Hij maakte nu een beweging om verder te gaan, schuin de parkeerplaats over het heuveltje op tussen kerk en sporthal en kwamen bij een soort pleintje uit met bomen. De sporthal, waar vroeger een café was, maakte een desolate indruk. Een kleine bezorgde teleurstelling was op opa’s gezicht af te lezen maar stuurde om de kerk heen, richting wijkcentrum de Boeckel waar hij zich ook een café kon herinneren. Daar zag het donker uit. Hij bleef op zijn fiets zitten en probeerde de klink van de Boeckel naar beneden te doen. Dat lukte wel maar de deur bleef toch dicht. Als eerste reactie reed hij terug maar stopte toch op het pleintje tussen kerk en sporthal. Om zijn gerstrijke drank nu in een frituur of supermarkt te kopen vond hij toch wel neigen naar een verslaving en daar wilde hij zichzelf van weerhouden. Opa zat op zijn fiets en keek naar de grond. Louis kreeg de indruk dat opa steeds herhalend tot tien aan het tellen was. Na een momentje keek hij weer voor zich uit.

Hij slikte nog een keer maar begon, ongestoord, weer verder te vertellen: ‘Dit plein, de sporthal, kerk, gemeenschapshuis, winkels en vele appartementen wordt de Roserije genoemd. Het winkelcentrum in de volksmond. En ook hier zie je weer dat dit naar binnen gericht is, geen binding met het omliggende. In de oude plannen was bepaald dat alleen in het midden van de wijk hogere bebouwing mocht komen. Voor een groot deel is dat gelukt al staan er ook nog enkele hogere  appartementsgebouwen in andere delen van de wijk. Hoger dan enkele verdieping zijn de woningen hier niet. De winkels hier voor ons hebben gouden tijden gekend. Veel aanloop, activiteiten in de Roserije. Maar er zijn toch ook jaren van leegstand en dat er niet veel meer te beleven was dan baldadige jongeren.’

“Heeft opa nu een grauwe huid gekregen” was Louis zich aan het afvragen. Komt dat door het gemis van een café zijn of treurige verhalen? Hij besloot opa te vragen: ‘is er dan helemaal niks te beleven in deze wijk?’ Deze vraag bracht toch enige glans aan opa: ‘Ow zeker wel,  er zijn heel veel clubs in De Heeg opgericht en dat is toch ook een teken dat men hier graag vertoeft. Niet dat elke club nog bestaat hoor, maar toch, zonder enthousiasme geen clubs.’

‘En welke clubs dan?’ wilde Louis weten. Opa begon na te denken. ‘In alfabetische volgorde’ voegde Louis er aan toe. Opa dacht nog langer na maar begon toch: ‘Kijken of het lukt… Aerobicclub Energy, Bewonerscommissies Beter Wonen en Sint Mathias, Biljartclub Eendracht, Carnavalsvereniging de Boebeleers en Kribbebieters, Ensemble Laudata, Gymnastiekvereniging Sint Lambertus, Handwerkclub Makandra, Herenvollybalclub Phoenix, Jeue de bouleclub la Forge, Jongerengroep Eureka, Jongerenkoor Vivas, Karateclub Shötokan, Kerkgroep Sint Gondulfusgilde, Kinderboerderij Wieringerberg, Kinderkoor Kimogo, Kindertoneelgroep Partout, Kledingruilwinkel de Klamottenshop, Kun fuclub Nggo mnei pai, Missiegroep De Heeg en de Wereld, Parochiekoor Sint Monulfus en Gondulfus, Schutterij Garde des Tiruers du Quartier Vingt Huit, Scouting Fons Olterdissen, Taekwondo Taebaek, Toneelvereniging Klam, Zangroep Evolution, enkele clubs vanuit Traject, denk aan Ut Trepke, de Flits, en verder nog Aikido, badmintonclub, balletgroep, begroetingscomité, Buurtraad, damesgymnastiek, Drumband, Fotoclub, handbalvereniging, hondenclub, Jazzballet, judoclub, Misdienaars en Misdienettes, Ouderen- en Invalidesoos, tafelvoetbalvereniging, Vrouwengroep, Wijkblad, Yogagroep, Zaalvoetbalvereniging, Ziekengilde, Zuid Amerikaanse dansgroep, ehhh.’

‘Nee dat is wel goed zo’ zei Louis. Opa weer: ‘Er is nog meer hoor…  maar “samenzijn” gebeurd hier in ieder geval. En samen komen doen ze bijvoorbeeld ook hier in de katholieke kerk van Monulfus en Gondulfus. Het is een vaste waarde geworden in de wijk. Bij de eerste twintig bewoners behoorde pastoor Wiertz die hier de parochie heeft opgericht. Zo lang hij hier pastoor was, en er tijd voor kon vinden, ging hij bij elke nieuwe bewoners op bezoek. Hij kende vele bewoners dan ook. Op zijn fiets fietsend door de wijk zwaaide hij al slingerend zwaaiend naar de bewoners die hij tegenkwam. Die pastoor werd later bisschop van Limburg. De misvieringen waren de eerste jaren in de kapel van Opveld te Heer. Voor de samenkomsten in De Heeg waren de eerste gedachten dat ze op zondag een zaal in het gemeenschapshuis mochten huren. Maar dat vond Wiertz toch geen goed idee en wist een eigen kerk te realiseren. Cijfers leerde dat er maar twee tot vijf procent van de inwoners naar de kerk ging en op die aantallen werd de kerk gebouwd. Er werd toen ook nog rekening mee gehouden dat de volledige nieuwe wijk Vroendaal er bij zou komen, dat zouden zo’n vijftienduizend inwoners zijn. Zo’n tweehonderd zitplaatsen en voor de drukke dagen konden er nog veel mensen rondom staan. Dat maakte de kerk ook prettig als het niet zo druk was. Omdat juist de kerk klein van opzet was is ook de reden dat ze anno nu nog steeds bestaat, de lasten blijven betaalbaar. Een goede vooruitziende blik van de bouwpastoor, die geschiedenis studeerde en daarmee goed vooruit kan kijken.’ En knipoogde naar zijn kleinzoon.

Louis kende zijn opa al een tijdje en had de vooruitziende blik dat opa verder ging vertellen, en ja hoor, daar ging hij weer: ‘En ze hebben hier in de kerk hele mooie “kruiswegstaties”. Inwoner van De Heeg Theo Kuypers schilderde ze tussen 1979 en 1983. Op de staties wordt het lijdensverhaal van christus uitgebeeld vanuit het perspectief van bewoners van het Limburgse landschap die op een afstand staan toe te kijken wat er gebeurd. De glas in loodramen aan de zijkant zijn ook van dezelfde kunstenaar, het glasraam aan bovenzijde achterkant komt uit het Europa seminarie Rothem, de kluis op het altaar van de Sint Jozefkapel in Cadier en Keer, banken komen van de Klevariekapel en de vier mergelstenen die voor de eerste steenlegging zijn gebruikt komen uit de crypte van Sint Servaas. De Heeg staat deels op voormalig grondgebied van Heer. Heer behoorde vroeger tot het Kapittel van Servaas en De Heeg is een onvervalste wijk van Maastricht, vandaar Monulfus en Gondulfus, de grondleggers van de Servaasbasiliek.’ Louis was overtuigd dat opa nog wel even zonder een café of terras kon verder gaan.

Het tweetal kwam in beweging, over het pleintje in de richting van het hek tussen woningen en sporthal. Ze manoeuvreerde tussen het hekwerk, bedoeld als snelheidsremmers voor scooters, en bogen links af richting een pad naar beneden toe. Toen ze voorbij het hekwerk waren stonden aan hun rechterzijde allerlei schuinstaande gekleurde palen. ‘Dat is als kunstwerkje een kegelspel?’ Opa keek er naar en knikte van ja en zei: ‘Inderdaad, gemaakt door Rex Willems. Tevens een klimrek voor de liefhebbers. Past bij de kunst van die metalen markeringspalen in de wijk maar staat toch ook op zichzelf, zo hier naast de sporthal. Maar of er een boodschap of een verhaal achter zit is me niet bekend. Kijk, bij die oude wegkruisen heb je dat dan weer wel.’ Louis: ‘Heb je in De Heeg dan ook wegkruisen staan met een betekenis?’ Opa: ‘Zeker, die van die verongelukte kinderen heb je net gezien, zo dadelijk komen we bij een veldkruis en daarna komen we in de buurt van een veldkruis met een verhaal maar dat staat te ver weg om te zien.’ Louis liet zich verrassen.

Ondertussen waren ze beneden bij de straat gekomen. Louis keek nog eens extra goed naar links en rechts of er verkeer aankwam. Toen er niets was staken ze de weg recht over, fietste langs het wandelpad voor de huizen en gingen met enige moeite door het als snelheidsremmer bedoeld hekwerkje. Daar fietste ze in het verlengde van het pad langs de huizen. Nu kwamen ze bij houten schotten waar je tussendoor kon. Maar ook daar wisten ze zich een weg door te heen banen.

Met het zicht op een parkeerplaats werd enkele meters verder gestopt in tegenstelling tot de mond van opa: ‘Hier voor je begon het sociale leven in de wijk. Er was toen ook al een parkeerplaats maar die was half verhard, links stond een langgerekte groenen houten keet en daarin bevond zich de supermarkt. Je kunt je voorstellen dat ze daar heel wat stof hebben kunnen vegen met zo’n half verharde parkeerplaats. In iets stevigere keten waren twee banken gevestigd, dat was in de tijd toen de banken nog service verleende aan hun klanten. In een heel klein keetje was later ook een frituur maar die is afgebrand. Toen het winkelcentrum klaar was vertrokken de winkels en banken naar de Roserije waar toen veel meer winkels van start gingen. Aan de overkant van de Rijksweg, dat witte gebouw, daar zijn heel wat clubs opgericht en hielden daar hun eerste bijeenkomsten. Voor dat het huidige gemeenschapshuis aan de Roserije werd gebouwd,  functioneerde dit als gemeenschapshuis van de wijk. En daar was tenminste nog wel iets te drinken.’ Sneerde opa lichtelijk en slikte nog maar eens.

Ze keken nog even naar enkele kleine bedrijfjes en het gezondheidscentrum en keerde terug, via de houten schotten. Bij het woonerf aangekomen gingen ze nu links, nog even kijken hoe een woonerf er uitziet. Hier waren gewone huizen maar het leek toch wel iets degelijker, duurder uitzien. Even verder was links een groot speelgazon met smalle voetpaden. Over de voetpaden werd verder gefietst in dezelfde richting als ze ook over het woonerf reden. Ze kwamen bij een iets hoger dwarsgelegen pad uit. Daar fietste ze naar links tot het einde van het pad. Links op de hoek stond een houten kruis met de tekst “Boe bis diech” en daar stopte ze.

Louis begon: ‘Dit is één van die drie wegkruisen waar een verhaaltje aan vast zit?’ Opa knikte van ja en zei: ‘Ja, op deze plek stond al ruim honderd jaar een kruisbeeld totdat in 1977 het kruis in de weg stond en als oud ijzer werd afgevoerd. Iemand uit Gronsveld kreeg dit te horen, ging er naar op zoek, kwam uit bij een oud ijzerhandelaar, vond het, kocht het, knapte het op en zette het in zijn voortuin in Gronsveld, op de hoek van de Kampweg en Mgr willigersstraat. Ook nog eens op het originele voetstuk. In 1984 zorgde de toenmalige pastoor Wiertz dat hier een veldkruis terugkwam. Oorspronkelijk zat er een corpus op, een beeldje van Jezus aan het kruis, maar dat was op een gegeven moment verdwenen. Iemand schreef toen op het kruis “Boe bis diech”, waar ben je vertaald. En dat is eigenlijk een hele mooie tekst. Je kent de Heiligdomsvaart?’

Louis knikte van ja en wist te vertellen: ‘Dat is één keer in de zeven jaar, dat er een bedevaart is naar bijvoorbeeld Maastricht om de kostbare relieken in een ommegang, een soort processie, te laten zien aan bedevaartgangers. Ook worden dan allerlei activiteiten rondom georganiseerd.’ Opa stond er weer van te kijken dat zijn kleinzoon dit wist, zo vaak kan hij de Heiligdomsvaart nog niet meegemaakt hebben. Hij ging verder: ‘In 1997 was deze tekst het thema van de Heiligdomsvaart in Maastricht, juist naar dit kruis waar we nu voor staan. “Boe bis diech” kun je je afvragen is waar en wie de mensen om je heen zijn om je te helpen, en wat doe jij voor de mensen om je heen. Wie ben je, wat vindt je belangrijk, waar maak je tijd voor vrij. Horizontaal heb je het dan over de mensen om je heen, maar je kunt het ook verticaal het kruis bekijken, wat betekent God voor mij, wat doe ik voor God.’ Even was het stil. Heel Rooms zei Louis: ‘Ik ben dankbaar dat u al die verhalen over Maastricht vertelt en laat zien.’ Opa hierop: ‘En ik ben dankbaar dat je tijd neemt naar mijn verhalen te luisteren, haha.’

Achter het huis aan de overkant was een molen te zien. Opa keek om zich heen en begon verder te vertellen: ‘Als je kijkt zie je dat we eigenlijk op een zes-sprong staan. En juist op deze kruising hebben ze een molen gebouwd. De grote weg, nu Rijksweg, vroeger de weg Maastricht – Battice maar werd ook Molenweg genoemd. Dit pad waar we vanaf komen werd Heugemermolenweg genoemd, rechts achter de molen de Kleine Molenweg, en links schuin weg lopend de Oude Molenweg en direct links van de molen is de Bronckweg, hebben ze later iets verder van de molenaarswoning verlegd, maar daar vertel ik straks nog iets over. Dat al die wegen naar deze molen genoemd werden zegt iets over de belangrijkheid van deze molen. In 1990 is de molen aan een lijst toegevoegd van honderd belangrijkste monumenten van Nederland. De molen werd in opdracht van de Graaf Joest Maximilaan uit Gronsveld gebouwd. De band met Gronsveld is blijven bestaan ook al is het sinds 1970 grondgebied van Maastricht geworden. Met de Grote Bronk in Gronsveld komt de processie hier langs. In 1618 werd er mee begonnen en in 1623 kwam de molen eindelijk klaar. Men weet nog precies waar de bouwstenen vandaan kwamen, waar de bomen opgroeide en waar de andere materialen als molensteen vandaan kwamen en wie het gemetseld heeft. Die details zal ik je besparen. Het is één van de vier overgebleven torenmolens van ons land. Een torenmolen herken je aan de rechte romp, als een toren en niet van onder breed en boven smaller zoals de meeste windmolens. En waar je in pannenkoekenland Nederland veel wind hebt zijn de luchtstromen hier, bij de zuidelijkste windmolen van het land, toch anders. Oorspronkelijk reikte de wieken tot de grond maar men heeft de molen in 1766 verhoogd. Toen is er een belt gekomen, dat onderste brede deel.  Daar waar het weer smaller wordt is het deel dat verhoogd is. Ooit, 1863, werden aan de Rijksweg bomen gepland maar daar kwam de molenaarsvrouw van destijds voor in het verweer, tot de Kroon toe, omdat de bomen wind zouden tegenhouden. Toen zijn er bolacacia’s gepland die niet zo hoog worden. Mijn kennis reikt niet zo ver dat ik de bomensoort hier bij de molen aan de Rijksweg herken, maar het lijken nog steeds bolacacia’s.’

Louis bleef aandachtig luisteren, opa  ging dankbaar verder: ‘In de periode voor de Tweede Wereldoorlog was de staat van de molen niet al te best. Tijdens de Bevrijding waren er rondom de molen enkele Duitsers opgesteld. Waarschijnlijk per ongeluk is de molens toen door lichtspoormunitie door de Amerikanen in brand geraakt en brandde helemaal uit. Toen de brandweerlieden klaar waren met blussen gingen ze terug naar Gronsveld om de bevrijding mee te vieren. Jaren en jaren later werd de molen weer herbouwd maar raakte ook in weer onbruik. Begin zeventiger jaren is de molen weer opgeknapt en stond te stralen toen De Heeg voor zich opgroeide. Oude elementen als een molen geven herkenning, geborgenheid. De molen kwam in diverse logo’s van Heegse clubs terug. Grappige is alleen dat de molen eigenlijk in Vroendaal staat en niet in De Heeg. Maar dat boeide niet, ook in De Heeg was men trots op de molen. En dat dankzij de vele mensen die in de loop der eeuwen aan de instandhouding van deze molen hebben gezorgd.’

Er was genoeg verteld. Het fietspad naar rechts, richting Gronsveld werd nu opgegaan. Links kon men tegen de verderop gelegen helling aankijken, aan de andere kant was De Heeg met zijn groene hagen, grasperken. Struiken en oude fruitbomen. Een zijweg werd overgestoken om het fietspad te vervolgen. Oude fruitbomen waren in het volgende stuk beter te herkennen. Een stuk verder werd het opener. Achter het struikgewas bevond zich een voetbalveld. Bij de rotonde werd een scherpe bocht naar rechts gemaakt.

Al had opa toch al enkele minuten niets verteld, hij kon het niet laten en begon weer: ‘De weg waar we nu op fietsen is de Maastrichterweg en dat is al een oude weg. Maar er zijn meer wegen die de Maastrichterweg genoemd worden, al lopen die niet meer aan één stuk door. Zijn de wegen onderbroken of hebben andere benamingen gekregen. Wat voorbeelden. Naar het  westen heb je een Maastrichterweg in Lanaken, Zutendaal en Genk, naar het noorden in Beek, Roermond en Valkenswaard, naar het oosten in Meerssen, Valkenburg, Gulpen en Landgraaf. En deze. Die kom je in Gronsveld tegen aan de overkant van de rotonde waar nu het tuincentrum is, dan lijkt het er op dat deze de Kampweg volgt die later Eckelradeweg wordt, kom je een stukje Maastrichterweg noordelijk van Sint Geertruid tegen, een stukje bij Reijmerstok, dan lijkt het weer de weg naar de Planck te volgen tot Hoogcruts en daar begint de Maastrichterweg weer tot  ongeveer in Teuven.’

De wegenkennis om dat te volgen had Louis niet, wilde het onderwerp een beetje afsluiten en merkte  op: ‘Maastricht was toch echt wel belangrijk he?’ Opa knikte  van ja en zei duidelijk: ‘Als je dát maar weet.’ Maar opa ging verder: ‘En nu vertelde ik je net bij de molen dat de grote weg waaraan de molen staat vroeger Maastricht – Battice werd genoemd. Die weg naar Battice is nog steeds goed te volgen. In Wallonië worden grote delen van die weg Rue de Maestricht genoemd. En dan heb je in Den Bosch nog de Maastrichtseweg. Ik denk dat die weg zich erg lang trekt.’

Ze waren bij de Kinderboerderij uitgekomen en daar stopte ze midden op de weg. ‘Gaan we hier naar binnen?’ vroeg Louis. Het zag er gezellig uit, knusse gebouwen, dieren, speeltoestellen. ‘We gaan zo verder fietsen’ antwoordde opa en Louis begreep wel dat opa verder wilde gaan. Maar vertellen deed opa toch: ‘Het gebied van de wijk waar we nu zijn wordt al generaties lang De Heeg genoemd. Een gebied vol grasweiden, hagen en fruitbomen waarvan ze er enkele hebben laten staan. Als de boer van zijn boerderij naar hier ging zei hij tegen zijn vrouw “iech gaon de hègk op”. Vandaar ze de wijk De Heeg genoemd hebben. Van hier tot tussen de kruising in het midden van de wijk waar we net stonden en de bussluis heet van oudsher De Heeg. Noordelijk ervan werd Steynbeukel genoemd en varianten daarop. Deze benaming komt terug in de straatnaam Steynboeckel en in het gemeenschapshuis de Boeckel die zich beide op het oude grondgebied van De Heeg bevinden. Het zuidelijkste deel, zeg maar aan de linkerkant van deze weg, noemen ze De Slek of daar weer varianten op. En als je je nu omdraait wat zie je dan?’

Beide draaide zich om en keken tussen de spijlen van het poorthek  door naar een gebouw. En daar hing een groot bord op met de rode letters “De Slek”. Louis: ‘Maar dat hangt dus in De Heeg en niet De Slek.’ Louis had het begrepen. Wat hij nog niet begreep: ‘Wat is dat voor een gebouw?’ Opa: ‘Het clubhuis van Scouting Fons Olterdissen, een van de oudste clubs van de wijk en heeft al heel wat clubs overleeft.’ Louis die daar weinig boodschap aan had: ‘Is dat zo’n club waar je dingen moet leren als onzinnige knopen maken, vuur maken zonder lucifers, op harde matjes slapen en braaf zijn? Dat heeft niet zo mijn interesse.’  Opa schudde voorzichtig nee en zei: ‘het belangrijkste hier is plezier hebben, echt iets voor jou.’ Louis zweeg onwetend.

‘Even terugkomen op De Slek’ begon opa en vervolgde met: ‘Vroeger had je hand- en spandiensten, als burger deed je dan werkzaamheden voor de gemeenschap. Zo waren ze in 1848 zo’n tweehonderdvijftig meter in zuidoostelijke richting, om het in scoutingtermen te houden, bezig  in een groeve grind af te graven om de plaatselijke wegen mee te verharden. Daarbij vond een verzakking plaats waardoor acht mensen, vijf vrouwen en drie mannen, bedolven raakte onder de grind en ter plekke stierven. Ter nagedachtenis aan deze droeve gebeurtenis is er een stenen herdenkingskruis opgericht en dat staat er nog steeds, langs de Slakweg.’

De fietsen kwamen weer in beweging. Rechts nog een weide, veel meidoornhagen, links de Kinderboerderij. Daar reden ze Maastricht weer binnen in een woonerf. Nu allemaal huizen die er stuk voor stuk anders uitzagen, een stuk groter dan eerder te zien waren. De Maastrichterweg werd hier Holdaal genoemd. Bij de bocht naar rechts maakte opa de opmerking: ‘Hier ging vroeger, toen de autosnelweg er nog niet was, de Maastrichterweg rechtdoor, tot het spoor.’

Ongeveer honderd meter verder was er een kruising met een fietspad, hier gingen ze links tussen de paaltjes door en over het fietspad werd het woonerf verlaten. De weg liep naar beneden waardoor ze  harder gingen. Voor hen was een nog hogere heuvel te zien. Onderaan stonden in het gras nog een kunstwerk van enkele palen uit de markeringsroute maar werd geen aandacht aan gegeven.

De weg draaide naar rechts en daarna was er een lange rechte langzaam stijgende weg. Links een dichte rij struiken en rechts ging het nog verder omhoog. Van de huizen was alleen soms een stukje van de daken te zien. Er viel Louis iets op, hij vroeg om uitleg: ‘Opa, het valt me wel op dat ik hier de auto’s hoor van een weg en ik zie veel struiken.’ Opa: ‘De autoweg ligt op het Laagterras, De Heeg op het Middenterras en toch hoor je die weg hier goed. Behalve op dit stuk maar de andere delen tussen de wijk en de autosnelweg hebben ze een hoge grondwal gemaakt en die houdt het geluid in De Heeg aardig tegen. Enkele jaren geleden is zelfs op een deel een hogere wal gemaakt. De grond is afkomstig van het Mosae Forum in de stad en is kalkrijk. Zo zijn er op de grondwal ook allerlei speciale plantjes gaan groeien die het goed doen op een kalkrijke grond. Op dit stuk hebben ze het geprobeerd met struiken te planten tegen het geluid maar werkt minder goed dan grond.’

Met het verder rijden over de stijgende weg werd De Heeg verlaten. Tijd om de balans op te maken dacht opa en sprak: ‘En Louis, wat is De Heeg voor een wijk?’ Een korte zin van opa dacht Louis maar nu moest hij dan toch iets gaan zeggen: ‘We hebben niet achter de voordeuren gekeken en weet niet hoe het nu met die scheidingen zit, een doolhof heb ik niet ervaren als ik achter iemand aan fiets en heb geen spiegel gezien met opgeschoten jeugd. En verder? Best wel een groene wijk, veel auto’s in de woonerven, maar een verfje en een knipbeurt zou hier en daar wel op zijn plaats zijn. Maar onder die laagjes zitten wel kleine pareltjes, er gebeuren ook mooie dingen. Volgens mij is het hier niet verkeerd wonen.’

Even was alleen het geluid van de auto’s van de snelweg te horen totdat opa dat overstemde met zijn  geluid en sprak: ‘je zegt wel veel auto’s in de wijk, maar in één deel van de wijk, aan de andere kant van de autosnelweg, zijn per inwoner nog veel meer auto’s te vinden. Daar zijn allerlei autobedrijfjes waar bewoning naast het bedrijf is toegestaan. Dat noemen ze de Karosseer en die plek werd vroeger Vinkenslag genoemd. Voor dat De Heeg in aanbouw kwam werd in 1975 hier, in het bijzijn van de spelende politiekapel, een van de grootste woonwagenkampen van het land geopend. Heel mooi, met een buurthuis en voetbalterrein. Bijna dertig  jaar later speelde de politie ook weer maar nu met blaffende honden, donderende helikopter en ronkende shovels. De politie kwam met tweehonderdvijftig mensen terug voor een grote inval.’

‘Dan was er iets aan de hand’ merkte Louis op waarop opa zei: ‘Directe aanleiding was dat tientallen bewoners van Vinkenslag de A2 nabij de Geusselt zeven uur lang blokkeerde met allerlei troep de weg versperde waardoor uren lang mensen in de auto vast zaten en niet naar hun afspraken konden, niet voor behandelingen in het ziekenhuis terecht konden. Geraamde kosten van deze actie was vijf miljoen. Maar er ging natuurlijk iets aan vooraf. Vanaf de jaren negentig werd er geen toezicht meer gehouden op Vinkenslag waardoor er een soort vrijstaat ontstond. Er werden meer wooncaravans geplaatst dan er plekken beschikbaar waren, elektriciteit werd illegaal afgetapt, bodemvervuiling, illegale bebouwing, hennepplantages, belastingontduiking, bedreiging van ambtenaren. Nu was eerst een bestemmingsplan aangenomen dat er alleen nog maar autobedrijven mochten zijn met woonfunctie. Na de inval van de politie werden de woonwagens over kleine kampjes verspreid door de stad. De kleine kampjes waren beter beheersbaar. Het hele terrein van Vinkenslag werd gesaneerd en opnieuw ingericht en kreeg een nieuw naampje. Kosten van het project waren ruim tweeënveertig miljoen. Nu zijn er allemaal ruime percelen met een woonwagen en auto’s er om heen. Het ziet er een stuk fatsoenlijker uit.’

Ze waren bovenaan gekomen bij het einde van de weg, nog even tussen de paaltjes door om auto’s tegen te houden. Louis herkende een straatnaambordje wat hij ook liet weten: ‘Kijk opa, de “Steynboeckel”, komt deze weg tot bij de kruising in het midden van de wijk?’ Opa knikte bevestigend.

Ze gingen naar links, fietste  over een viaduct van de autosnelweg en vrijwel direct erna over een spoorweg. Zonder Louis ook maar iets kon zeggen begon opa al: ‘dit is de  spoorweg naar Luik die ook langs Heugemerveld komt. Als je links kijkt, zie je links van het spoor loodsen van de Karosseer.’  Op de weg waarop ze fietste kwamen auto’s langs en daarom reden ze achter elkaar,  de berg naar beneden. Van het Midden- naar het Laagterras. Enkele meters voor ze beneden kwamen was links een weg, nadat het hoofd over de schouders was gegaan gingen ze hier naar links. Bij de driesprong met een boom en kruisbeeld hielden ze links aan maar stopte even verder.

Opa kwam weer in de vertelstand: ‘De weg voor ons heet nu Vogelzang, maar is eigenlijk de weg naar de molen van Gronsveld, de eerder genoemde Heugemermolenweg. De autosnelweg heeft deze doorgang doen verdwijnen. Tussen de witte boerderij links en de woning erachter was een landweg richting achterliggend weilanden. De andere kant op, dus van links tussen de boerderij en woning naar de overkant van de Vogelzang waar nu nog een fietspad is, dat was tot de spoorweg de Maastrichterweg. Die weg die we ook al in De Heeg tegenkwamen. Naar de witte hoeve links is dit buurtschapje genoemd, Vogelsanck, Aen den Vogelzang, Vogelzang.  In 1435 wordt deze hoeve al genoemd. In 1668 werd de boerderij overgedragen aan het Broederschap van Kapelanen van het Onze Lievevrouwe Kapittel in ruil voor een aantal misintenties van de overleden boer. Tot de Franse Tijd, begin achttienhonderd, want toen werden de kerkelijk bezittingen verkocht. Het kam toen in handen van de familie Frijns en de nazaten daarvan wonen er nog steeds. Frijns en Van den Booren zijn namen die nog steeds veelvuldig in Heugem voorkomen. Het mooiste van Vogelzang was echter het huis rechts er van. Het schijnt dat daar ooit een café is geweest’ en opa maakte met zijn tong zijn lippen nat.’

Zonder er verder woorden over te gebruiken ging opa verder: ‘In de hoek van dat oude cafépand zit iets bijzonders, een beeldennisje. Heugem heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog relatief weinig leed gekend en uit dankbaarheid heeft de parochie in elke van de negen straten waaruit het dorp destijds bestond zo’n nisje laten aanbrengen. Kunstenares mevrouw van Noorden-Heine heeft de Mariabeeldjes gemaakt en de plaatselijke bouwvakkers hebben de nisjes gemaakt. In 1947 kwam bisschop Lemmens ze allemaal persoonlijk inzegenen. Aan de overkant een boerderij uit het begin van de vorige eeuw die gaaf is gebleven. Op zich niet bijzonder maar geeft wel een beeld hoe het hier lange tijd heeft uitgezien.’

Heel langzaam aan begon Louis over te lopen aan informatie. Om het wat te doen opschieten zei hij: ‘Ik zie hier zo een boerenknol voorbij tjokken en de koeienflats op de modderige straat liggen met een sterk riekende geur.’

Opa hield even zijn mond, ze draaide om en fietste de andere kant op. Na een kort moment begon opa dan toch weer: ‘Hier rechts waar we vandaan kwamen is een stukje Maastrichterweg die ze maar Oude Maastrichterweg hebben genoemd om een onderscheid te maken met de Maastrichterweg in De Heeg. Het veldkruis bij de boom is typerend voor deze streek maar het kruis zelf heeft zijn beste tijd gehad. Zal in de afgelopen tientallen jaren heel wat voorbij hebben zien komen.’

Ze waren in beweging gekomen, staken de weg over en vervolgde de Gronsvelderweg. Links een woonwagenkampje, rechts voetbalvelden. Even verder was rechts zorgcentrum La Valence en gemeenschapshuis de Klaekeburg. Ze reden nog verder door. Op de hoek met de Heugemerstraat maakte opa weer aanstalten om op de stoep te parkeren zodat hij veilig zijn verhaal kwijt kon.

Louis volgde gehoorzaam en wist dat de tijd was aangebroken om naar opa te luisteren: ‘Heugem is van oudsher een boerendorp. Deze Oude Maasstraat, vroeger de Koestraat genoemd, is de zuidelijkste straat van het oude Heugem, de Heugemerstraat, vroeger de Dorpsstraat, de oostelijke, de verderop gelegen Sint Michaelsweg, vroeger Vredesweg en daarvoor de Maarlanderweg, is de westelijke en dan heb je er nog enkele straatjes tussenin. Langzaam aan verdwenen de boeren en tuinders. De bewoners werden meer en meer arbeiders die in de stad werkte. Afgelopen eeuw is de ruimte tussen de oorspronkelijke boerderijen bebouwd geraakt. In de afgelopen vijftig, zestig jaar en vooral vanaf de jaren tachtig zijn tegen de kern aan hele rijen huizen of soms hele wijkjes gebouwd. Van eenvoudige woningen tot de grotere twee onder één kapwoningen. De boerderijen werden omgebouwd tot sfeervolle woningen. Helemaal in het zuiden werd Maasveld gebouwd, een locatie voor mensen met lichamelijk en geestelijke beperkingen.’

Er werd wat om zich heen gekeken door Louis. Zo interessant vond hij het nu ook weer niet maar opa ging door: ‘Men verwacht dat Heugem al zeker duizend jaar bewoond is, misschien wel een paar honderd jaar meer. We weten dat het rond 1150 van de Heren van Gronsveld is geworden en met wat opvolgers is het tot 1920 bij Gronsveld gebleven. In dat jaar werd Heugem door Maastricht opgeslokt.’

Nu vond Louis het toch weer wat interessanter worden en vroeg aan zijn opa: ‘Maar Heugem is toch ook door de Maas geregeld opgeslokt?’ Eigenlijk wilde opa later over het hoge water terugkomen maar deed dat nu alvast: ‘Dat klopt maar het was nu ook niet dat het elke winter alles onder water stond. De kern, het oude deel  van Heugem, ligt iets hoger dan de omgeving. De omgeving inclusief de toegangswegen stonden geregeld onder water. Heugem zelf zo’n twee keer per eeuw echt onder water. Een gemiddelde want in de zeventiende eeuw was het bijvoorbeeld vier keer. Met de gammele huizen van destijds moest er elke keer weer opnieuw opgebouwd worden. Maar Heugem kende een veel grotere lastpost, de stad Maastricht. Op zich nog niet eens de stad zelf maar wel de aantrekkingskracht die de stad had om belegerd te worden.  Zeer geregeld is de stad belegerd en de legers met ongemanierde soldaten verbleven dan buiten de stadsmuren. Inderdaad ook op de velden rondom en in Heugem. Zoveel plastic als op Pinkpop achterblijft zal toen niet achtergebleven zijn maar het zal het gras en de gewassen geen goed hebben gedaan. Deze soldaten moesten eten. Ze waren ook niet te beroerd om te plunderen. Als Heugemse boer kon je daar weinig aan doen en de plaatselijke veldwachter met krulsnor, zelfs niet met hooivork, maakte niet veel indruk op de heren soldaten. Uit voorzorg vluchtte de inwoners soms naar de stad binnen de stadsmuren maar je kunt je wel voorstellen wat ze aantroffen als ze terug kwamen.’ Keurig gewacht totdat opa even uitverteld was wees Louis naar de overkant van de weg en zei: ‘Kijk daar is weer zo’n Marianisje dat in elke straat van toen te vinden is.’ Nu zag opa het ook en knikte bevestigend.

Nadat opa weer op adem was gekomen ging hij verder: ‘Op één straat van toen na is het zover ik weet niet zo’n Marianisje geweest, richting het hoge plateautje langs de Maas, de Hoogenweerth.’ Louis keek een beetje bedenkelijk maar opa ging verder: ‘In de vijftiende eeuw komt de naam Houweert het voor het eerst voor in de archiefstukken, het is dan nog een hoeve. In 1675 wordt het verbouwd tot landhuis met een hoeve. Daarna volgen er meer verbouwingen. Begin twintigste wordt het een bezit van de bekende familie Regout en die verbouwd het restgedeelte van de hoeve helemaal tot een groot landhuis. Dan koopt de Provincie het in 1970 met name om de bijbehorende landerijen voor grindafgraving. In 1975 is er een brand in het leegstaande complex. Het raakte in verval maar in de jaren negentig van de vorige eeuw is het weer opgeknapt en nu is het  een mooie feestlocatie en het gebied met de inmiddels  gegraven grindgaten is nu voor recreatie bestemd.’ Nu keek Louis minder bedenkelijk en merkte op: ‘Maar een weg naar een landhuis in een recreatief gebied is geen straat, dus dan kan het wel kloppen dat in elke straat zo’n Marianisje is.’ Beiden waren tevreden.

Louis was nog tevredener want ze gingen verder, de Heugemerstraat in. Het dorpskarakter was nog volop te herkennen aan de oude woningen, opgevuld met recentere woningen er tussen. Plotsklap kneep opa in zijn remmen en stond stil. Louis vroeg zich af waarom hij stopte maar had het ook wel snel door. Ze stonden voor een café. Op het gezicht van opa zag hij net nog de gelaatswisseling van een blij mens naar een teleurgesteld mens. Het café was dicht. Zonder verder iets te zeggen werd er verder gereden. Na enkele meters  riep Louis: ‘oh kijk opa,  weer een Marianisje, daar links’ en als een boer met kiespijn grijnsde opa even. Het eerste straatje links fietste ze in, de Heugemermolenstraat en keken even op het straatnaambordje.

Een smal straatje waar de huizen soms terug gelegen en soms zelfs deels op de straat stonden. Ook weer oude en nieuwe huizen maar het gaf toch vooral een gezellige rommelige indruk met iets teveel auto’s geparkeerd. Louis vroeg zich hardop af: ‘Waar staat hier een molen?’ Nu wist opa eens geen antwoord te geven: ‘Géén idee, veel wind zal hier niet komen en een waterstroompje hebben ze hier altijd proberen weg te houden. Misschien was er hier een hand- of rosmolen, een molen die door paarden werd aangedreven. Maar ook dat is onwaarschijnlijk omdat de molen in Gronsveld en dus ook van Heugem een banmolen was, waar je verplicht was om naar toe te gaan als je iets gemalen moest hebben. Nee, vroeger werd dit de Kattenstraat genoemd, daar kan ik me we wel iets bij voorstellen. Toen Heugem bij Maastricht kwam moesten er enkele straatnamen gewijzigd worden omdat die ook al in Maastricht bestonden, de Kattenstraat in Maastricht was er al. Soms is dat opgelost geworden door er “Heugemer-“ voor te zetten. De Heugemerkattenstraat had ook gekund.’

Nu zei Louis niks, maar wees op een woning links, ook weer met een Marianisje. De straat werd uitgereden en het stuur draaide naar rechts. Rechts weer oudere huizen, links, de buitenkant van de wijk,  een grasveld. Opa begon weer: ’Dit is de oude weg naar Eijsden en Maarland en zo. In 1974 is hier de dijk gekomen waar nu de weg over gaat om Heugem te beschermen tegen de Maas en eigenlijk ook voor het voorbijrazende verkeer.’

Ongemerkt waren ze bij een kerkplein aangekomen en stopte er aan de kant van de rustige weg. Aan de “buitenkant” stonden dennenbomen dat het pleintje enige intimiteit gaf en een breed monument. De onderzijde was gemetseld, een Heilig Hartbeeld en enkele reliëfafbeeldingen. Hoewel de kerk de meeste aandacht trok keek opa naar het monument en begon eerst daar eerst over te vertellen: ‘Dit Heilig Hartmonument kwam er als cadeautje voor de pastoor in 1937 toen deze vijfentwintig jaar priester was. Ontworpen door Wim van Hoorn en stellen enkele passages voor uit het Nieuwe Testament. En omdat dit wat groot zou zijn bij zijn vertrek om mee te nemen heeft hij er ook een miniatuur van gekregen.’

Ze draaide zich om naar de kerk. Even nam opa zijn rust maar begon dan toch: ‘In 1157 werd deze kerk al de Sint Michaëlskerk genoemd en is opgericht vanuit het Onze Lieve Vrouwekapittel in Maastricht. Sinds die tijd is de kerk al zeker twee keer herbouwd. Wat je hier ziet is een toren  uit medio de achttiende eeuw maar de kerkruimte er achter stamt pas uit de zestiger jaren. De grote trots van de parochie is de klok, die stamt uit 1272. Eén van de oudste klokken van het land, een grote kerkbrand rond zestienhonderd en de klokkenroof door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog overleefd. De klok wordt niet meer gebruikt en staat in de kerk, in zijn oude stoel te rusten, genieten van zijn oude dag. Net als opa.’

Met een schuin oog keek Louis naar zijn opa maar die vertelde als een jong kakelend kipje door: ‘En net als het Lieve Vrouwekapittel deze kerk als dochter heeft gekregen, zo heeft deze dochter ook een zoon gekregen en die staat in Cadier. Die luistert niet naar de naam Louis maar naar de naam Heilige Kruisverheffing. Toch minder stoer dan Louis. Duizend jaar geleden was het land hier nog niet allemaal in gebruik, nog niet ontgonnen. Vanuit hier is Cadier ontgonnen en gingen er ook  mensen wonen. Die wilde niet elke keer voor de kerk hier naar toe komen lopen en vroegen om een eigen kerkgebouw. Dat kwam er in 1266 op dezelfde plek als waar nu nog de kerk is maar bleef wel tot 1768 verbonden aan deze kerk voor bepaalde handelingen. Keer is de zoon van Heer en dochter van het Servaaskapittel. Later zijn pas Cadier en Keer samengevoegd.’

Even slikte opa, maakte zijn lippen weer eens nat en ging verder: ‘En dan kom ik even terug op de Bronckweg bij de molen, dat is de weg tussen Cadier en Heugem. Dat met zo’n naam hier ooit de Bronkprocessie overheen ging mag wel aangenomen worden. Er is ergens een stuk gevonden dat de bronkprocessie van Gronsveld via Cadier en Eckelrade ging. Dat kan over deze weg zijn geweest maar een andere weg zou meer voor de hand liggen. Het kan zijn dat de mensen van Cadier naar Heugem gingen met de bronck. Of wat ook zou kunnen dat de processie van Heugem naar Cadier en Honthem, dat bij dezelfde parochie hoorde ging,  en terug. En dat ze dan een pilsje hadden verdiend. Dat laatste lijkt mij het meest voor de hand liggen.’

De aandacht was weer aan het wegglijden bij Louis. Ze gingen verder, de straat in naast de kerk, de Heugemer Pastoorsstraat. Opa wees naar een gebouw links en vertelde daarbij: ‘In opdracht van het Kerkbestuur werd hier de jongensschool gebouwd. Op zich een standaard gebouw maar met dat beeld van de hand van Charles Vos op de hoek erin verwerkt van de Heilige Michaël die de draak doodt maakt het toch weer bijzonder.’ Louis dacht daar anders over al had dát dan meer te maken met zijn interesseniveau voor scholen in het algemeen.

Opa was al niet meer gestopt met fietsen. Aan het einde van de straat aangekomen wees hij nog naar het gebouw links op de hoek en mompelde iets van: ‘Oud klooster’ en gingen in de Heugemerstraat naar links. Even verder was links de Oude Harmoniezaal achter een frituur. Hier stopte opa even maar bleef wel op zijn fiets zitten, ondanks een Brandbierlampjes aan beide zijden van de ingang hing. Hij keek naar Louis of hij aandacht kreeg en die knikte zodat opa toch even wat kon vertellen: ‘Omdat Heugem toch veel dorpskenmerken heeft heb je hier nog een sterke verbondenheid. De plaatselijke harmonie met de originele naam Sint Michaël, net als de parochie genoemd wordt, draagt daar zeker aan bij. In 1825 opgericht om geen beroep meer op de harmonie van Gronsveld te hoeven doen als er processie was, de week nadat die in Gronsveld was. Ze bestaan nog altijd en hoe. Ze oefenen niet meer hier in de harmoniezaal maar in de Klaekeburg waar we net langs kwamen. En die saamhorigheid is in het hele dorp terug te vinden, ook bij de mensen die er later zijn gaan wonen. Weet je trouwens hoe de carnavalsvereniging van Heugem heet?' Louis dacht even na en zei toen: 'De Michaëltjes'? Opa knikte van nee en gaf het antwoord: 'De Waterratte.’  Louis reageerde met: 'Ook dat is origineel voor hier in Heugem.'

Louis keek verder de straat in en dat was toch weer een teken om verder te gaan. Een stukje verder wees opa naar een wit gebouw rechts en vertelde al fietsend: ‘Hier is ook een zusterklooster geweest die het onderwijs voor de meisjes in Heugem voor hun rekening namen, let ook een op die twee keramieke plaquettes in de gevel.’ Slechts het rechter oog van Louis trok iets omhoog.

Aan het uiteinde van de Heugemerweg staken ze over richting winkelcentrum de Beente. Onder de doorgang door, om de ovale zithoek heen fietsend kwamen ze bij de parkeerplaats. Er waren veel mensen.  Louis observeerde opvallend goed het voetgedeelte van de winkelende mensen. Opa merkte op: ‘Eerst had je de dagelijkse winkels in de Oude Maasstraat maar sinds Randwijck werd gebouwd is nu het winkelcentrum opgeschoven tot deze plek, tussen de twee wijken in.’

De observatie bracht Louis tot een vraag: ‘Is het hoge water dan nu helemaal verdwenen uit de Heugem?’ Bij de parkeerplek fietste ze naar links en kwamen aan het uiteinde van de parkeerplaats een fietspad tegen dat ze namen. Opa gaf een antwoord: ‘Hier links heb je een verhard plateau en als het water in de Maas hoog komt te staan worden op dat plateau grote pompen te geplaatst die het grondwaterpeil doen laten zaken. Er zijn dijken gebouwd en er zijn nog veel meer maatregelingen getroffen. In 2021 is Heugem en Randwijck veiligheidshalve nog ontruimd geweest toen de Maas erg veel water kreeg te verwerken. Maar dat is toen goed gegaan. Of denk je er anders over Louis?’ Ze kwamen bij een drukke weg, wachtte even met oversteken totdat er geen auto’s kwamen. Aan de overkant van de weg gingen ze naar rechts. Louis kon aan zijn antwoord beginnen: ‘Nee dat denk ik ook, ik zag niemand meer met een te korte broek lopen.’

 

Gouvernement

Links was natuur te zien, lager gelegen. Ze reden immers op een dijk. Louis wilde gaan vragen welk gebouw dat nu was links zo half in de Maas. Maar bij de kruising met verkeerslichten stuurde opa naar links op een ruime stoep was. Opa begon al met vertellen voor Louis zijn vraag had kunnen stellen. Opa wees vrij onnauwkeurig naar de overkant en zei: ‘Links op de hoek was vroeger de DGD met ambulances, het eerste gebouw van het huidige Randwijck. De weg hier tegenover was vroeger een stuk smaller en boog na enkele meters naar rechts. Op de plek van het tweede gebouw, met de schuine ramen op het balkon, was een splitsing. De linker weg was de Maastrichterweg die we ook in Vogelzang en Heugem tegenkwamen en doorloopt tot voorbij Gronsveld. Aan de zijkant van Heugem kom je die weg ook tegen met dezelfde oude naam. Rechtdoor was de weg naar Heugem-city, de huidige Heugemerstraat. De rechterweg vanuit hier was de Maarlanderweg, ging langs de kerk, draaide een stukje de Oude Maasstraat naar links en even verder naar rechts richting Eijsden. Tot in de jaren tachtig is dat zo gebleven. Bij die kruising staat ook een veldkruis.’

Ze keerde zich naar een zuil, een monument waarop stond dat hier de Europese Raad vergaderde in 1991 en in 1992 het Verdrag van Maastricht werd getekend. Beide lazen de tekst op het monument en daarop stelde Louis de vraag: ‘Was dat een belangrijk verdrag?’ Opa knikte hevig van ja en voegde er aan toe: ‘Oh zeker, hiermee werd de Europese Unie opgericht en werd de afspraak gemaakt tot één gezamenlijke munt, de Euro. De hele wereld keek mee wat hier gebeurde. Je kunt je voorstellen dat alles toen zwaar beveiligd was. De belangrijkste leiders van de Europese Raad met hun adviseurs zaten hier bij elkaar. Het feitelijke tekenen was enkele maanden later, in 1992, en zou eigenlijk in Portugal getekend moeten zijn. Dat land was toen bij toerbeurt voorzitter maar kregen het organisatorisch niet voor elkaar. Daarmee kreeg Maastricht de naam èn de eer, en die wordt lekker uitgebuit hier.’

Het leek wel of Louis warmte van de zuil voelde afkomen. Hij probeerde het een beetje te begrijpen: ‘is dit dat een gebouw van Europa?’ Nu schudde opa van nee en maakte een gebaar om achter hem aan te komen. Ze fietste een bergje naar beneden waar ze rechts onder een brugje doorgingen. Dat er een bord stond dat het alleen voor wandelaars bedoeld was keek opa even niet naar. Links was achter de muur water te zien, rechts een klein grasperkje. Op het grasperkje stopten ze.

Opa stopte weer en ging in de vertelstand staan, staand met de fiets tussen de benen. Louis stond dan ook zo met zijn gele fiets tussen de benen. Opa begon: ‘Dit is het Provinciehuis van Limburg en wordt alleen in Limburg Gouvernement genoemd.’ Louis: ‘En waarom wordt het hier Gouvernement genoemd?’ Opa: ‘Omdat we hier in Limburg de Commissaris van de Koning, Gouverneur noemen.’ Louis: ’En waarom noemen wij het dan een Gouverneur?’ Opa: ‘Toen in andere provincies de functie Commissaris van de Koning werd ingevoerd hoorde Limburg nog niet bij Nederland maar had toen nog een militaire Gouverneur, en die woonde toen in het Gouvernement.’

‘Aha’ zei Louis en ging verder door met vragen: ‘En waar is Limburg dan naar vernoemd?’ Opa: ‘Dat komt van het Belgische plaatsje Limburg vandaan, Limbourg, een kilometer of vijftien ten zuiden van “ons” Limburg.’ Louis: ‘Maar wat heeft Limburg dan met dat Belgische plaatsje te maken?’ Opa: ‘Eigenlijk niet zo veel, Koning Willem I wilde dat graag om de naam van het oude Hertogdom van Limburg in ere te houden.’ Louis: ‘En hoe kom dat Belgische plaatsje dan aan de naam Limburg?' Opa: ‘Op een rots nabij het riviertje de Vesdre stond een kasteel dat in 1093 “Lintburch" werd genoemd en dat evalueerde tot de naam Limburg. En voor het geval je de vraag zou stellen waarom dat Lintburch wordt genoemd zijn twee verklaringen voor. Dat kan genoemd zijn naar een Lindeboom die bij de burcht stond, "Lint bij de burght." Maar lint is ook een oude betekenis van het woord draak en dat zou dan vertaald betekenen "Drakenburcht." Genoeg over de Gouverneur en Limburg?’ Louis knikte van ja.

Maar toch had hij nog een vraag: ‘Waarom is dat Gouvernement juist hier op deze plek terecht gekomen?’ Opa wilde toch vooral zijn verhaal kwijt maar Louis kwam elke keer met nieuwe vragen. Gelukkig had opa ook op deze vraag een antwoord: ‘Al vele eeuwen was er een militair Gouvernement in de Bouillonstraat in de stad gevestigd. In 1935 werd op dezelfde plek een nieuw Gouvernement gebouwd omdat het vorige niet meer voldeed. De ambtenaren die er werkte vonden het wel lekker in de stad te werken, vooral in de pauze. Er was alleen steeds meer ruimte nodig en op die plek kon er niet meer bijgebouwd worden. In die tijd werd Randwijck volgebouwd en het lag voor de hand dat het in Randwijck zou komen. Het was in Maastricht, enigszins in de buurt van het centrum en prima verbindingen met autosnelweg en spoor. Maar echt mooi werd Randwijck niet en een Gouvernement moet toch enige status hebben, niet weggemoffeld worden tussen enkele kantoorgebouwen. Deze plek lag mooi, had een bepaalde status, alleen kwam het wel eens onder water te staan als de Maas hoog stond. Maar Rijkswaterstaat stemde er toch mee in. Voor de waterdoorstroming moest dan wel het eerder dicht geslipte waterstroompje  open gegraven te worden en kreeg het dezelfde naam, Papenwater.’

Louis keek eens naar links en merkte dat opa zijn blikveld volgde en zag daar de natuur nogal overwoekerd uitzien. Hij vroeg: ‘Opa, zag het hier dan ook zo uit als daar?’ Opa schudde langzaam van nee en zei: ‘Op deze plek was vroeger met dat waterstroompje een eiland en nog wel op het grondgebied van het tegenovergelegen Sint Pieter. Het werd dan ook Sint Pieterseiland genoemd en er woonde mensen op. Dat was vroeger. De laatste jaren was het een weiland. Nu, links hiernaast, wordt natuurgebied De Kleine Weerd genoemd. Een voedingsrijk gebied waar veel dieren en planten in voorkomen. Voor piekmomenten proberen ze de Maas zoveel mogelijk water door te laten stromen. Het Maaswaterpeil ter hoogte van hier steeg door weerstanden en daarom is op de Kleine Weerd enkele jaren geleden ook weer een waterkanaal gegraven om de Maaswaterafvoer te verhogen. Er komt dan ook meer water door  het Papenwater en dat voorkomt weer slibaanzetting. Ook bijzonder, op dit eiland, richting de Kennendybrug, is Bastion Randwijck geweest om de stad te beschermen. Naar dat bastion is ook deze wijk genoemd. Het is aan de buitenzijde gebouwd in bakstenen en binnenzijde van mergel en ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw afgebroken. Als herinnering eraan zijn enkele fragmenten van dat bastion in de tuin van het Gouvernement weer aangebracht. De naamsteen van Randwijck staat nu in het Gouvernement.’

Ondertussen keek Louis om zich hen en keek naar het gebouw en enkele kunstwerken. Nu kon opa weer vertellen wat hij echt wilde: ‘Tussen 1983 en 1985 werd hier het Gouvernement gebouwd. Een modern baanbrekend ontwerp is niet passend voor een overheidsgebouw en zeker niet passend bij Limburg waar de ideeën behoudender zijn. Het moest wel stijl uitstralen maar ook geen overdadige luxe. Het politieke deel moest zich onderscheiden van de rest. Nou, dit is het geworden. Op het eiland gelegen ronde deel bestaat uit twee verdiepingen, boven de Statenzaal waar de Provinciale Staten vergaderen met er beneden een zaal voor feestelijkheden. Het deel op het eiland noemen ze het bestuurlijk deel.

De andere delen zijn de kantoren waar de ongeveer duizend ambtenaren werken met, heel belangrijk, het uitzicht steeds naar buiten. Dit zijn langgerekte delen rondom vier trap- en liftdelen. Die zijn van buiten te herkennen dat ze iets hoger zijn met een schuin dak. Verder is het zo opgebouwd dat de delen aan de Maas lager zijn dan de delen aan de zijde van het heuvelland. Om het geheel goed te laten uitzien is er een unieke baksteen gemaakt. Baksteen is aan de buitenkant gebruikt, het binnenste deel is gewoon van beton. De lagere delen van het gebouw zijn hoog-Maas bestendig gemaakt. Waterdichte kelders voor archieven en computerapparatuur en door de ramen zijn bij hoogwater de vissen in de Maas te bewonderen. Er is geen luchtverversingssysteem in het gebouw. Wel speciaal is dat op het dak verstopt een vluchtgang is gemaakt, die in het gebouw wel gewoon staat aangegeven. Verder zijn er tal van doordachte details ingebouwd.’

Er werd wat om zich heen gekeken. Van dichtbij is een gebouw imposanter dan veraf. Louis had een vraagje, stak uit reflex een half twijfelend vingertje de lucht in en vroeg: ‘Waar heeft dat Europaverhaal zich eigenlijk afgespeeld?’ Opa wees naar het ronde deel en bevestigde dat met: ‘Daar. Beneden in de feestzaal was de vergadering in 1991 waar alles besproken is en de afgevaardigde ministers hebben het dikke boek waarin het verdrag beschreven is getekend in de bovenste zaal in 1992.’

‘En wie is die man die er als standbeeld aan de overkant staat?’ wilde Louis weten. Opa zei met enige trotsheid: ‘De Limburger. Om die te dienen is dit gebouw hier neer gezet. Hoewel de kunstenaar allerlei argumenten had waarom dit “de Limburger” te noemen  gaf de oud Gouverneur Sjeng Kremers, de man die ook als zogenaamde bouwmeester fungeerde van dit gebouw, bij de onthulling  juist allerlei argumenten waarom dit niet “de Limburger” was. Beiden hadden gelijk, het is alleen hoe je het bekijkt.’

Schuin achter hen stond nog een kunstwerk, een hele grote C waar je in kon zitten. Bij de betonnies was Louis op zijn fiets blijven zitten maar nu zette hij zijn fiets op de standard neer en ging er lekker relax in zitten. Ongevraagd begon opa er over te vertellen: 'Relax & Meet heet het, het winnend ontwerp van een internationale prijsvraag waar de opdracht was een ontmoetingsplaats te maken uit beton.

Maar er is nog meer kunst hier. Aan de voorkant een monumentje van drie stalen blokken met microfoontjes dat een bepaalde verdraaiing aan het geluid via een luidspreker weergeeft. Een stukje verder, komen we straks langs, het Old Hickorymonument gemaakt door Appie Drielsma. Precies  op de plek waar de Amerikanen de Maas overstaken. Van die zelfde kunstenaar, die ook in De Heeg werk heeft staan, staat binnen in de Statenzaal een beeldhoofd van Koning Willem Alexander als een van de kunstenaar zijn topstukken. In de periode toen hij er aan werkte is hij gestorven. In de Statenzaal stond ook een beeld van het hoofd van zijn moeder toen zij Koningin was, daarin verwerkt een leeuwenkop. En zo heeft de provincie ongeveer dertienhonderdvijftig kunststukken in het gebouw staan van voornamelijk Limburgse kunstenaars of die met Limburg een directe band hebben omdat ze bijvoorbeeld hier zijn komen wonen. Veel schilderijen, sculpturen, foto’s, uitgehakt, bewerkte stoffen, noem maar op. Kunst toont, prikkelt, verbindt en zet je tot nadenken. Met de kunstcollectie die zie hier hebben wil de provincie laten zien waar ze vandaan komen en hoe men de toekomst tegemoet wil treden. En dat kunst je tot nadenken stemt was aan Louis te zien. Of lag hij domweg te relaxen?

Er werd aanstalten gemaakt om verder te gaan. Louis klauterde uit de relax-C. Even later fietste ze verder het pad af tussen Gouvernement en Papenwater. Ze murwde zich tussen het hekwerk door en fietste richting de Kennedybrug. Het grote Old Hickorymonument was goed te zien en rechts voor wees opa naar twee mergelstenen muurtjes die in een haakse bocht waren gemetseld  en zei: ‘Die stukje mergelmuur zijn ter herinnering aan het Bastion Randwijck.’ Louis keek ernaar en vroeg nog: ‘Is die plek  precies op dezelfde plaats als de mergelbinnenmuur van dat bastion?’ Opa wees naar de Maas en zei: ‘Daar heeft dat bastion gestaan maar ze hebben een stuk van het eiland afgegraven voor een betere doorstroming van de Maas.'

Dichter bij het grote Old Hickorymonument vertelde opa: ‘Dit monument is geplaatst toen Maastricht vijftig jaar geleden  bevrijd was. Op deze plek staken de Amerikanen de Maas over. Wijck, aan deze rechterkant van de Maas, was een dag eerder bevrijd en daarom staan hier rechts drie delen en aan de linkerkant twee delen. En die bocht helemaal links staat voor de oversteek. De kunstenaar heeft meerdere soortgelijke monumenten gemaakt. Is van Joodse afkomst en heeft dus de nodige ellende gekend.’

 

Céramique

Ondertussen waren ze onder de brug en bogen naar rechts af. Zowel voor als achter de brug was eenzelfde gebouw te zien. Toen ze rechts afgebogen waren, tussen twee hoge gebouwen door kwamen ze bij een soort plein uit. In de hoek van het verkeerslicht, draaide de voorbanden  naar links, evenwijdig aan de weg, de Avenue Céramique.

Er werd weer gestopt en opa begon met: ‘Zet je fiets maar in zijn vrij’ en glimlachte in zichzelf, Louis kon nog geen auto besturen en bedacht zich dat het nu    vrij    lang kon duren eer opa klaar was. Hij legde zijn armen al over elkaar.

Opa was zich aan het bedenken in welke volgorde hij zijn verhaal kwijt wilde maar had dat al na enkele seconden op een rijtje, hij kon beginnen: ‘Nu zijn we in de wijk Céramique wat officieel slechts een onderdeel is van de wijk Wijck. Maar voor nu beschouwen we het als een aparte wijk. Voor dat hier deze wijk werd aangelegd was dit meer dan een eeuw een groot fabrieksterrein met een geheimzinnige muur er om heen, de Société Céremique. Een aardewerkfabriek dat voornamelijk serviesgoed maakte en sier-aardewerk. Vertel je straks meer over toen. In de jaren tachtig waren de meeste activiteiten overgebracht naar elders of gestopt. Het terrein werd niet meer gebruikt en aan de gemeente te koop aangeboden. In steden zie je dat fabrieksterreinen vroeger aan de rand van de stad waren aangelegd en de stad er om heen verder groeit en steeds centraler in de stad komt te liggen. Soms een kleine fabriek en soms een grote zoals deze. Een pracht kans voor de gemeente om op een groot terrein een nieuwe  invulling te geven. De gemeente had haar ideeën om het terrein opnieuw in te richteng maar had zelf natuurlijk niet genoeg geld om alles zelf te financieren. Op dat moment kwam er een engeltje uit Heerlen, het ABP pensioenfonds. Zij wilde wel investeren in precies hetzelfde als de gemeente voor ogen had. Een woonwijk voor het hogere segment, kantoren en publieksfuncties in een gebied dat een uitbreiding van het centrum zou zijn. Het moest wel bijzonder worden, een echte toevoeging aan de stad en van grote allure zijn. Samen met rijkssubsidies kon men gaan beginnen. Een klein probleempje was dat de grond erg vervuild was maar dat is creatief opgelost. Voor de plannen werd architect Jo Coenen gevraagd die een totaal plan maakte. Om de juiste sfeer te behouden die  bij Maastricht past werden uit de regio en het zuidelijk deel van Europa architecten gevraagd gebouwen te ontwerpen.  Het moesten gerenommeerde architecten zijn met een eigen stijl, geen kopieerders maar die zich wel konden aanpassen aan de stijl van deze wijk. Geregeld kwamen de architecten met zijn allen bij elkaar om elkaars ontwerpen te bespreken en zo nodig aan te passen zodat het één geheel werd. Meestal roodachtige bakstenen en natuursteen, met name aan de onderzijde.’

De armen van Louis waren ondertussen van positie veranderd, nu iets naar achteren, Louis zijn handen staken nu in zijn achterzakken. De positie van opa’s mond bleef dezelfde soort bewegingen maken: ‘Als we nu naar de Céramique kijken… wat zie je dan?’ Nu ging de rechterhand  hand van Louis van zijn broekzak naar zijn kin, hij mmmde even en zei: ‘Een grote brede weg met hoge gebouwen, strak, clean, druk’ en vervolgens ging de rechterhand weer in de achterbroekzak.

Even was opa stil zodat Louis de kans had om een ruimer antwoord te geven, maar toen hij niet meer zei ging opa verder: ‘Die brede weg is een verlengde van de Wilhelminasingel, ook breed met bomen. Het strakke is het stadsbeeld, de wijk is immers een binnenstadwijk, verlengstuk van het centrum. Het kantoor van Vodafone waar we net langs kwamen maakt onder de brug door de verbinding met het naastgelegen Randwijck, de brede onderdoorgang van de Kennedybrug werkt daar ook aan mee. Rechts van de wijk staat de oude fabrieksmuur maar nu met open gaten  voor een opener beeld naar de buurwijk Heugemerveld, woningen in Céramiquestijl langs de Scharnerwegtunnel, een brede opening tussen het oude Wijck en Céramique, een brug als verbinding tussen Plein 1992 en de pleinen in het centrum aan de andere kant van de Maas, langs de Maas een park als spiegel voor het park aan de overkant van de Maas en dan komen we bij het Bonnefantenmuseum. Aan de andere kant van het gebouw is een toren. En vanaf die toren zie je vanaf de balustrade de verbinding tussen het oude stadscentrum, de Maas en verdere omgeving. Hiermee zie je dat de wijk in verbinding staat met haar omgeving.’

Louis verschoof tussentijds zijn voeten om niet helemaal stijf te worden. Opa ging door: ‘Oorspronkelijk zou het museum in een oud fabrieksgebouw komen, de Wiebingahal. In 1912 gebouwd, dat jaartal staat uitgebreid op de gevel, voor het maken van sanitair. Het is een van de eerste werken in Nederland van betonnen skeletbouw dat toen gezien werd als het nieuwe bouwen. Maar het was op allerlei punten niet mogelijk daar het nieuwe museum in onder te brengen. Een groot deel is toen afgebroken en dit is blijven staan. En zo kwam er een nieuw gebouw voor het museum.

Louis begon ondertussen ook zijn hoofd wat losser te maken en keek om zich heen. Opa keek al de hele tijd om zich heen afgewisseld met af en toe naar zijn kleinzoon te kijken, maar hij ging gewoon verder: ‘De verbinding met het verleden van de wijk zie je terug in de Wiebingahal, restant fabrieksmuur aan de kant van Heugemerveld, de villa Jaunez  bordenhal en in het museum aan de Maaszijde met die twee pijpen naast de toren als verwijzing naar het industrieel verleden.’

De verveling bij Louis begon verdere vormen aan te nemen, hij keek nu ook naar zijn voeten en vroeg zich af wanneer die nu eens echt van de plaats afkwamen. Opa hield het goed vol: ‘Tjaaa, dan heb je achter ons op de rotonde waar sinds tien jaar na het Verdrag een monument staan met bijzonder gefabriceerde aluminium sterren. Twaalf hoge sterren voor elk land dat toen er aan deelnam en vele kleine voor de landen die er nadien zijn bijgekomen en mogelijk bij gaan komen. En kijk toch ook eens naar de gebouwen aan deze Avenue met hun mooie namen. Hier rechts dat  gebouw met veel donker glas, “Il Fiore”, het rijtje af naar beneden, “Maison Céramique, Jardin Céramique, Governo delle acque, Résidence Cortile, La Fortessa, Arco Iris, Toren van Siza, La Résidence,  Centre Céramique, Résidence Sonneville, La Forme, Patio Seville,”en links langs de Maas de Stoa.’

Opa sprak de benamingen in alle rust uit alsof hij op een zonnig terras zat met in de ene hand een dikke sigaar en de andere hand een goed glas wijn. Louis had wat minder rust, die wilde verder en begon zijn fiets al in beweging te zetten. Ze staken, toen het groen was,  de Avenue Céramique over en reden over het fietspad richting de toren. Amper begonnen met fietsen wees opa  alweer achter de Wiebingahal naar links en zei: ‘Daar in dat straatje op de hoek kwamen door een constructiefout de balkons naar beneden en daar zijn toen ook twee bewoners bij gestorven. Los van de levens van die mensen heeft dat nog miljoenen gekost om dat te herstellen en voor het imago deed het ook geen goed. Op het binnenplein is er nog een monument voor gemaakt. En aan het einde van het straatje rechts zie je nog net een stukje van de oude ommuring van het fabrieksterrein waar ze een doorkijkgat in hebben gemaakt.’

Louis keek  niet om zich heen maar naar de rollende fietsenband die een afstand deed afleggen. Toen ze bij de kruising, voor de bocht naar rechts, aankwamen was het bij het verkeerslicht wachten om wederom over te steken. ‘Dit deel wordt de Noordknoop genoemd, waar we net stonden de Zuidknoop’ zei opa even tussendoor. Ze staken de weg over, reden  de stoep op en fietste de helling op naar het hoger gelegen terrein, Plein 1992 genaamd. Ze fietste rechtdoor langs de trap aan de rechterzijde tot de hoek. Daar kwamen de fietsen weer tot stilstand, met de rug naar het plein, kijkend naar de S-bocht van de Avenue Céramique.

Zou opa zelf in Céramique willen wonen? Hij ging weer enthousiast verder: ‘Hier beneden zie je in een ander steensoort in een vreemde vorm in de stoep verwerkt. Dat is de afbeelding van het voormalige vestingwerk Bastion Parma. En als je voor je kijkt en waar we net overstaken, zien je van die grijze brede strepen in het wegdek verwerkt. Precies daaronder zijn de resten in de grond te vinden van het bastion. Bij het slopen en graven om de wijk te kunnen bouwen ontdekte ze deze resten en dat wekte verbazing. Toen de vesting werd opgeheven is ook opdracht gegeven vele vestingwerken te slopen waaronder deze. Alleen dat hebben de slopers niet helemaal gedaan en daar zijn we nu gelukkig mee. Ook nog een stuk oude stadsmuur kwam aan het daglicht, bij elkaar een halve kilometer. Natuurlijk wilde mensen die stukje vestinghistorie laten zien aan bewoners en toeristen. ABP, de club die geld investeerde in deze wijk om er aan te verdienen was niet zo enthousiast. Uiteindelijk is er een soort compromis gekomen zoals het er nu bij ligt. Aan de andere kant van het gebouw hier, Centre Céramique, is waterstroom waarbij de muur de betekenis van de vestingmuur moet zijn. Maar daar ben ik nog niet van overtuigd dat dit zo is. Dat het eerder een metertje of zo is opgeschoven omdat het architectonisch beter uitkomt. Aan de andere kant van dit plein is de Recentoren nog wel blijven staan en ook daar hebben ze delen van de vestingwerken tot uiting laten komen. Op zich wel mooi. Maar als je weet dat de stadsarcheoloog in die tijd het zwijgen is opgelegd weet je genoeg.’

Stiekem hoopte Louis dat iemand anders ook het zwijgen kreeg opgelegd, maar hij hield nog even vol. Opa ging verder: ‘Bij excursies en dergelijk wordt nu trots hierna verwezen, maar er is nog meer gevonden waar je niets meer van ziet of wat zelfs helemaal gesloopt is. Iets voorbij de bocht was er Lunet Enghien. Voor de punt van die lunet hebben ze nog een putjes ontdekt tot fougassegalerijen. Daarmee kon ondergronds, onder de tere voetjes van de vijand, een ontploffing worden veroorzaakt. En bij de Zuidknoop, bij het Bonnefantenmuseum  was Bastion Van Rooy was. Net zoiets als Bastion Randwijck alleen is dat al verdwenen toen de vestingwerken niet meer nodig waren. Dat is dus wel vergeten en wordt niet geëerd met de naam van een stadswijk of een naamsteen in het Gouvernement. Waar ook een laag grond overheen is gegaan zijn de fougassegallerijen, lage gangentjes,  die bij dit bastion horen. Enkele meters onder de grond, onder de Avenue Céramique.’

Opa draaide zijn fiets de andere kant op. Louis helemaal gelukkig. Drie meter nadat ze verder waren gefietst stopte opa weer en keek naar een grote blanke muur enkele tientallen meters verder. Hij begon weer: ‘Had je al verteld dat op dit terrein de Société Céremique was.

De heren Clermont en Chainaye begonnen in 1851 hier, iets meer richting de Maas, in de oude legerbarakken. Het groeide met ups en downs en in een van die downs, in 1859, werd het Société Céramique en dat werd weer in 1958 overgenomen door de Sphinxs voor wie dit lang een grote concurrent is geweest. Er werd een topklasse product geleverd. Dat gold ook voor de Sphinxs. Sphinxs was meer Engels georiënteerd en Céramique meer op het Waalse, wat frivoler ook. De laatste jaren werden op dit fabrieksterrein alleen nog kaarsen gemaakt van het merk Randwijck en Filtropa koffiefilterzakjes. De frivoliteit was toen wel verdwenen. Hier beneden was de ingang, jaren lang werkte er zo’n tweeduizend mensen. Parkeerproblemen waren er toen nog niet, ze kwamen te voet, met de fiets of met de bus uit een van de omliggende dorpen. In die begintijden werkte de mensen zo’n elf uur per dag. Zwaar en ongezond werk. In de pauze met smerige handen vol gif eten omdat het aantal wasbakken en tijd  te weinig waren, meer dan bloedhete ovens waar de medewerkers in moesten werken. Toch was er ook in die tijd wel zorg om medewerkers. Ze kregen extra melk omdat dan het lood minder snel in het lichaam oploste en bepaalde werkzaamheden mochten ze ook maar korte tijd doen. Ze kregen er ook de opleiding die nodig was om hun werk te doen. Soms was dat echt specialistisch werk, echte vakmensen werden het. ’

Louis keek weer eens om zich heen en vroeg: ‘En hebben deze mensen dan een monument gekregen?’ Er werd nee geschut door opa. Hij hield even zijn mond. Drie seconden, toen begon hij weer: ‘Dat zouden ze wel verdiend hebben, in deze rijke buurt. Dat de luxe waarmee hier gewoond wordt niet voor iedereen is weggelegd.’ Even was hij weer stil en fietste verder. Nu tien meter. Daar werden rechts de fiets neergezet tussen de andere en op slot gezet. Samen liepen ze naar het midden van het plein. Ondertussen wees opa op een tegels. Er waren tegels bij met het Euroteken en met 1992. Louis begreep waar dat mee te maken had.

Ze keken naar het grote gebouw, Centre Céramique. Louis keek even naar zijn opa die weer begon te vertellen: ‘Bij het bouwen van deze wijk wilde ze er een woonfunctie aan geven, een plek om te kunnen werken en een publieksfunctie. De woningen heb je gezien, gewerkt wordt in Il Fiore,  Governo delle acque, het pand van Rijkswaterstaat, Vodafone  en bedrijven op diverse andere plekken. De publieksfunctie was gevonden in het Bonnefantenmuseum maar dat vonden ze nog niet genoeg. Toen de  heren die deze wijk ontwierpen in de trein zaten op weg naar Amsterdam kwamen ze de “baas” van de universiteit tegen. Die zocht een gebouw in de stad om de universiteitsbibliotheek in onder te brengen. Toen ontstond het idee om in de toenmalige stadsbibliotheek de universiteitsbibliotheek te vestigen en op deze plek een nieuwe stadsbibliotheek te bouwen. En zie, hier staat ze. Er worden hier ook exposities gehouden, publieksbijeenkomsten georganiseerd en is er tegenwoordig ook de muziekschool. Oorspronkelijk was hier ook het stadsarchief maar dat is inmiddels weer verhuisd. Leuk om hier te bekijken is een aardewerkcollectie van wat bij de Sphinx is gemaakt en hier bij de Société Céramique. En dan is hier de kleine opstelling van de maquette van Maastricht zoals Maastricht er halverwege de zestiende eeuw uitzag. Oorspronkelijk is deze maquette vier bij viereneenhalve meter. Maar met de kleine opstelling kun je veel beter de stad zelf bekijken en niet zo zeer de ommelanden. Wil je het zien?’

Nu begon Louis nogal dreigend te kijken. Opa draaide zich een hele slag en keek nu naar de Hoeg brök. Opa ging verder maar begon nu wel sneller te spreken: ‘Deze hoge brug uit 2003 is elders gemaakt en kwam in twee delen hier naar toe. Werd hier aan elkaar vastgemaakt en toen op de dragers getild. Tweehonderdzestig meter lang en tien meter boven de normale waterspiegel. Zo hoog en zonder een dragers in het water was een voorwaarde van Rijkswaterstaat om een optimale doorstroming van de Maas hebben. De aanwezigheid van de brug vond men noodzakelijk om de wijk Céramique met de stad te verbinden.’ Nu moest opa naar lucht gaan happen wegens het snelle spreken.’

Maar opa ging snel verder: ‘rechts is nog een woning van de oude directeur Jaunez  blijven staan en…’ Nu draaide hij weer naar links en ging verder: ‘de bisquit- of bodenhal. Daar werd het gebakken aardewerk, de bisquit, met de hand beschilderd waarna het voor een harde beschermlaag nog eens gebakken werd. In de jaren vijftig is de hal verbouwd voor de productie van borden. Vandaar het ook bordenhal wordt genoemd. Voor het beschilderen was veel licht nodig, vandaar de vele ramen. Toen de wijk gebouwd werd was dit een vervallen gebouw maar is aan de buitenkant zo origineel mogelijk opgeknapt. Aan de binnenzijde werd het verbouwd tot theater en wel zo dat het makkelijk in de oude staat terug te brengen is als er andere plannen zijn. Voor het theater moest het anderhalve meter hoger zijn en dat is opgelost door de ruimte iets hoger te maken maar vooral ook door uit te diepen. En weet je wat er nu zo leuk is aan dit gebouw?’

Louis durfde niet te bewegen om te voorkomen dat opa enige interesse zou zien. Maar opa gaf zonder naar Louis te kijken direct al het antwoord: ‘Er is een café.’ Dat was een teken dat ze toch bijna aan het einde van de rit zouden zijn. Ze liepen de trappen op en liepen Café Zuid binnen. Het zag er modern uit, net als de rest van de wijk. Een moderne versie van een serveerster kwam vragen wat de wensen waren. Voor opa een LaFort biertje en voor Louis een cola. La Fort-essa was de naam van het tegenover gelegen gebouw en klonk lekker Waals, het gebied waaruit de Socitété voor een belangrijk deel gefinancierd werd. En dat vond opa een goede reden voor LaFort te kiezen.

Ze keken een beetje om zich heen. Zakelijk correct werd de laFort en cola neergezet. Nu Louis wist dat het einde van de rit in zicht was durfde hij nu ook weer te bewegen en spreken. Hij vroeg: ‘is dit café nu het buurthuis van de wijk?’ Nadat opa toch enkele slokjes laFort gedronken had kwam hij ook weer in actie: ‘Nou, nee. Het is centraal gelegen in de stad en daar komen mensen uit de hele stad bij elkaar. Maar ik denk wel dat een aanzienlijk deel van de keurig degelijke geklede maar ietwat gedateerde kleding van enkele aanwezigen hier uit deze wijk komen. Het Centre Céramique lijkt me ook zo’n verzamelplaats van Céramiquelocals. Maar een buurthuis om te kienen kent de wijk niet en dat wordt ook nog wel eens als een gemis ervaren. Er is ook geen eigen kerk, het behoort hier tot de Martinusparochie van Wijk en de Koepelkerk is ook vlakbij. Maar niks van de wijk zelf. Er is geen sterke wijkbinding. De gemiddelde bewoner is pensionaris of op een andere manier succesvol. Kinderen wonen hier nauwelijks. Het theater in de Bordenhal staat wel in verbinding met deze ruimte en dat is voor de pauzes wel handig, dan komen de bezoekers van de voorstelling hierheen.’

Er werd wat in de ruimte gestaart. Opa bedacht zich wat hij allemaal had laten zien en verteld vandaag. Hij was eigenlijk wel benieuwd wat zijn kleinzoon had opgepikte vandaag en vroeg hem: ‘Wat viel jou op vandaag?’ Louis staarde nog even verder in de ruimte maar daarna kwam dan toch een antwoord van hem: ‘Ehm… wat me opviel is de invloed wat water en hoogte met elkaar te maken en welke invloed dat heeft. Dat Randwijck eerder was volgebouwd zonder dat de Maas er zou zijn geweest, Heugem er al honderden jaren anders zou hebben uitgezien. Ehm…  dat andere plannen andere resultaten hebben en altijd uitgaat van een behoefte op het moment dat de plannen ontstaan. En ehm…  Die oude elementen die je nu nog terug ziet in nieuwe plannen, er wel voor zorgen dat je veel steviger op de grond staat. Dat je weet waar je staat.’

Opa dronk nog eens aan zijn LaFort, in de Bordenhal waar ooit in armoedige omstandigheden mannen en vrouwen bezig waren middels schilderingen hun gevoel in het werk te leggen. Na de slok ging de tong vol smaakpupillen nog eens langs de lippen om al het LaFort tot zijn recht te laten komen, waarna opa zei: ‘Als je dat maar weet te heugen, dat je pas weet waar je staat als je het verleden kent.’

 

 
Rebolim©2021
 

 

 

Bron

Boeken:
Historische Encyclopedie Maastricht, 2005; Monumentengids Maastricht, 2001; De straatnamen van Maastricht en hun herkomst en betekenis, 2013; Good en geistig gezag, 1996; De parochie Heugemerveld, 1963; Architectuurgids Maastricht 1895-1995, 1997; Heugem MS66, Woningstichting Sint Servatius 1902-2002 Cahier SHCL3, 2002; Maastricht wijk in beeld, 2007; De verbeelding van Maastricht, 2015; Historische atlas van Maastricht, 2005; Romeins Maastricht en zijn beelden, 1996; Een vindplaats uit de IJzertijd te Maastricht-Randwijck NAR8, 1989; De parochie Heugemerveld, 1963; Wegkruisen in de voormalige gemeente Heer, 1994; Boe bis diech, Heiligdomsvaart Maastricht 5-15 juni 1997, 1997; 350 Jaar Torenmolen van Gronsveld, 1973; 10 Jaar De Heeg, 1987; De Heeg in woord en beeld, 1992; Kerken van Maastricht, 1979; Het beeld belicht, Appie Drielsma, 1994; De parochie van de Heilige Kruisverheffing Cadier en Keer 750 jaar 1266-2016, 2016; Universiteit Maastricht 25 jaar jong. 2001; Jaarboek Maastricht. 1976, 2004; Natuurlijk Maastricht, 2004; Licht op het zonneleen Gronsveld, 2017; Een Gouvernement aan de Maas, 1986; Een gouvernement met kunst, 2011; Uit en Thuis boek Stichting het Limburgs Landschap, 2001; Cahier Céramique I +II, Maastricht maakt een stadsdeel, 1999; Cahier Céramique III, Maastricht heeft een stadsdeel gemaakt, 2013

Tijdschrift:
De Maasgouw,1952-2; Dagblad de Limburger:,  5-11-1992, 18-12-1992, 7-01-1993, 26-10-2021,  1-11-20121; 150jaarlimburg.nl; Om de Vesting, 1991-1; 1993-4; Keerderkroniek,  1997/1998-3

Internet:
rijksmonumentendienst.nl; triodos.nl; zoutmagazine.nl; zoeken.hetnieuweinstituut.nl; delpher.n; lahn.nl;

Rapport:
Hoogwaterperiode in december 1952 op de Maas in Zuid Limburg, 1955; Cultuurwaardenonderzoek Deelrapport Maastricht Zuid, 2012; Rapport Hoogwaterperiode in december 1952 op de Maas in Zuid Limburg, 1955;  Onderzoek door de  rekenkamer Maastricht Vinkenslag / Karosseer, 2009; Maastricht Zuid, cultuurwaardenonderzoek Deelrapport Archeologie, 2012; Cultuurhistorische rapportage facetbestemmingsplan Maastricht Planologische Erfgoed, 2020; Onderzoek Vinkelslag/Karosseer door de Rekenkamer, 2009


 


  Klik hier om terug te keren naar 'Opa vertelt'