Opa vertelt Louis over zijn omgeving

het Savelsbos en Sint Geertruid 1v2





Naar het plateau

Het was gezellig druk toen Opa en Louis aankwamen bij Eetcafe De Bosrand halverwege de weg van Eijsden naar Sint Geertruid. Er stonden net enkele mensen van hun plaats op om te vertrekken en Louis zei ‘daar wil ik zitten’ en ging er meteen zitten. Opa kwam bij hem zitten. ‘En wil je ook wat drinken’ vroeg Opa aan Louis. ‘Cola’ was het korte antwoord.

‘Weet je’ begon Opa, ‘ooit was dit een boerderij en in de zomer halverwege de jaren vijftig kwamen hier fruitplukkers kamperen. In die jaren kregen de mensen steeds meer vrije tijd en waren er meer mensen die interesse hadden om te kamperen. En zo is de camping hiernaast ooit begonnen’. ‘Klopt’ zei Louis en ging vrolijk verder: ‘Gaspard en Jef Nelissen zijn met hun vrouwen er mee begonnen en Jef’s dochters Wilma en Bianca hebben het samen met hun mannen Toni en Jos voortgezet’.  Een verbaasde blik van Opa volgde. ‘Staat toch te lezen op die papieren placemat die hier op tafel liggen’ riep Louis wijs. Opa hield even zijn mond. Al snel kwam er een serveerster en vroeg wat ze wilde drinken en zij ruimde in één beweging de tafel leeg. ‘Een Grimbergen voor mij en een cola voor mijnheer’. Louis kon toch een beetje verlegen kijken. ‘Komt er aan’ riep de serveerster, en weg was ze.

Louis keek om zich heen, elk detail nam hij in zich op. Opa deed hetzelfde maar keek eerder wat er veranderd was. ‘Op, al vaker hier geweest’ vroeg Louis. ‘Zeker‘ zei Opa. ‘Hoe bent u hier dan terecht gekomen’ wilde Louis weten. Opa: ‘nou, ik had eens ergens gelezen dat dit een terrassencamping is. Dat sprak mij wel aan, net als op het Vrijthof in Maastricht of Onze Lieve Vrouweplein, terras naast terras, allemaal terrassen maar dan op een camping. Toen ik hier kwam bleek dat het om vlakke stukken grond ging met een talud aan de zijde, een smal stukje grond dat stijl naar beneden gaat en dan het volgende vlakke stuk grond komt zodat de mensen ’s nachts niet uit de tent rollen’. Ondertussen kwam de serveerster de drank brengen en ging Opa verder met vertellen.‘Die vlakke stukken tussen de stijle stukken noemen ze ook terrassen. Toen ik op deze camping een keertje een tent heb opgezet om samen met Oma een gezellig weekendje te gaan kamperen, begon ik dit soort terrassen ook mooi te vinden en wilde meer van de omgeving weten’.

‘Enne’ zei Louis en hief zijn hoofd iets omhoog van laat maar komen. Opa nam een slokje Grimbergen en begon te vertellen. ‘Het is best wel een bijzonder gebied hier. Miljoenen jaren geleden was hier de zee die tot wel een 60 meter dikke laag Krijt heeft afgezet. Toen de zee weg was kwam er later de Maas stromen, die overigens ook door grote delen van Zuid-Limburg gestroomd heeft. Die heeft een grintrijke laag van 20 meter achter gelaten en daar overheen is löss komen aanwaaien. Löss heeft best wel een fijne korrelstructuur en kon het verste met de wind meewaaien, tot hier dus'.  

'De Maas is blijven doorstromen en langzaam naar het westen verschoven’. ‘Maar waarom heeft de Maas zich dan verschoven’ vroeg Louis. Opa: ‘Je moet je voorstellen dat de bodem uitziet als een stuk lasagna, allemaal lagen maar dan wel lekker stevig op elkaar geplakt. Die hele massa aan lagen zijn volop in beweging, gebroken stukken die schuiven. Zo kwam er druk vanuit de Eifel en daarmee kantelde de lagen die hier de bodem vormen. Het hele gebied, we beperken ons even tot het huidige Zuid-Limburg, kwam bij Vaals, de oostelijke zijde,  naar boven en aan de Maastricht zijde, de westelijke, iets omlaag. De Maas stroomde eerst over oostelijk Zuid-Limburg en schoof zo heel langzaam naar westelijk Zuid-Limburg’. ‘Okee’ zei Louis en Opa vervolgde: ‘In die tijd zijn die grondlagen weer door de Maas ingesneden en samen door erosie zijn zo weer allerlei lagen, zeg maar van de lasagna, aan de oppervlakte gekomen. Dat is allemaal op een vrij klein gebied gebeurd. Daar komt bij dat hier in verhouding minder regen valt als op andere plekken en het warmer is, ’s winters een half graad, ’s zomer wel 2,5 graden warmer. Deze grote verscheidenheid maakt dat je een grote variatie hebt aan dieren en planten en vaak bijzondere soorten’. Louis deed zijn ogen dicht en knikte met zijn hoofd terwijl hij sprak ‘jjjà’ en was verder even stil.

Opa dronk aan zijn Grimbergen, Louis aan zijn cola. ‘Is er ook nog iets anders te vertellen’ vroeg Louis waarop Opa direct verder ging met: ‘ja hoor, langs dit stukje weg bevonden zich ooit drie cafees. Hier de Bosrand, in de bocht richting Eijsden op dat bergje, genaamd de Hakkeknoep, en de andere kant op ook, Vogelzang, dat later afgebroken is om plek te maken voor het boswachtershuisje. Nu Opa begon over cafees vond Louis het tijd om te vertrekken. Opa rekende af en samen begonnen ze aan de wandeling van een kilometer of zes, zeven.

Vanuit de Bosrand liepen ze rechts op en honderd meter verder gingen ze tegenover een huisje het bos in en begonnen helemaal naar boven te lopen. Waar de beentjes van Louis nog beschikte over enige elasticiteit waren de benen bij Opa meer een samenstelling van zuchtjes. ‘Even uitrusten’ zuchtte Opa toen ze bovenaan bij een bankje waren uitgekomen. Ze gingen zitten.

Na een kort momentje ging Opa verder met vertellen. ‘Dit is geen berg waar we naar boven klauterde maar een dal waar we uit omhoog klommen. Zo’n 200.000 jaar geleden moest het water boven een weg naar beneden zoeken. De bodem bleef vaak bevroren omdat het toen een stuk kouder was en het water dat bovenop smolt niet weg kon. Toen er eenmaal een waterweg was gevonden, richting de Maas, sleet deze steeds verder uit en zo ontstond hier een dal waar we net uit omhoog klommen. Zo’n dal noemen we een droogdal omdat er geen water meer stroomt. Tot zo’n 150 jaar geleden was hier nog een waterstroompje en als het veel regent is dat er nog steeds. Bij de Bosrand waar we net zaten is het laagste punt en tot enkele tientallen jaren geleden hadden ze geregeld last van hoog water. Tegenwoordig weten ze het water, en afgeleiden daarvan, aardig in te dammen tot de inhoud van glazen’. Opa nam zijn grote glas Grimbergen even in gedachte en grijnsde. Louis keek met zijn ogen een halve minuut naar boven. Hierna draaide zijn hoofd langzaam naar achteren.

‘Opa’, Louis weer, ‘is dit al de andere kant van het bos, ik zie daar achter ons geen bomen meer staan’. Opa: ‘Klopt, het Savelsbos is eigenlijk maar een smalle strook bos op een hellingen van een kilometer of zes. Het heeft de vorm van een L. Wij zitten nu in het horizontale streepje, onderaan van de L. Dit noemen ze eigenlijk het Eijsderbos. Kijken we onderaan van het verticale streepje zitten we in het Rijckholterbos, daar komen we straks nog. Daarboven heb je het echte Savelsbos, langs Gronsveld. Daarboven weer, boven de weg van Gronsveld naar Sint Geertruid, heb je het Trichterbos en helemaal bovenaan, richting Cadier en Keer heb je de Riesenberg. Samen noemen we dit tegenwoordig het Savelsbos. De helling van de verticale streep is de helling langs de Maas tussen het boventerras en het middenterras’. Van die gebiedsaanduidingen begreep Louis niet veel en vroeg aan Opa ‘kunnen we verder’.

Zonder verder iets te zeggen stonden ze op. Opa liep voorop, het smalle paadje achter het bankje naar boven, bij het pad rechts en liepen zo rechtdoor het bos uit. Louis volgde gehoorzaam. Het bleef stil toen ze verder liepen. Was ook weer een brok aan informatie die Opa op Louis had afgevuurd.


De heide van Sint Geertruid

Ze kwamen bij een kruispunt met een bank en een kruisbeeld.

‘He Opa, wat is dat voor een steen hier in de grond’ vroeg Louis en begon hardop te lezen wat er op stond: ‘Natura artis magistra’. Opa: ‘die steen ligt tussen het dorp en waar de natuur begint. De natuur is de leermeesters van de kunst betekent het in het Nederlands. Vivianne Schuijren heeft hier in de straat’ en wees naar de huisjes met rode daken die verderop stonden ’haar atelier, ze is beeldhoudster. In 2012 heeft ze deze steen geplaatst. Kennelijk haalt ze veel inspiratie uit de natuur hier’. Louis was niet erg onder de indruk van die steen.

Louis liep en keek wat rond en stelde de volgende vraag ‘wat is dit voor een kruis’. Beide keken even naar het kruisbeeld naast de bank. Vervolgens ging Opa op de bank zitten en Louis ging naast hem zitten. Zo’n beeld is een uiting van het geloof en mensen halen er inspiratie uit. Je hebt wegkruisen ter verering van het een of ander maar ook ter nagedachtenis aan een schokkende gebeurtenis en of persoon, bijvoorbeeld dat er iemand op die plek op rampzalige wijze gestorven is. Veel van die wegkruisen zijn in de vorige eeuw geplaatst. Dit kruisbeeld staat er al langer, zeker 150 jaar. Kan wel zijn dat het vervangen is omdat bijvoorbeeld een eerder houten exemplaar verrot was. Er zijn nog steeds mensen die rond Pasen deze kruisen versieren. Dit beeldje werd eerst verzorgd door de zusters Habets uit dezelfde straat als waar het atelier van die steen is en wordt nu al sinds 1958 onderhouden door Leida Weijzen uit dezelfde straat’. Jemig, dat is al lang dacht Louis en begon uit respect voor te lezen wat er onder het kruisbeeldje staat: ‘Ga niet zonder groet aan Mij voorbij, het schenkt U vreugd en maakt U blij’. Ze waren even stil. Louis zei vervolgens: ‘Opa, hier ligt dus niemand begraven maar worden mensen blij van als ze hier langs lopen’.  ‘Juist’ zei Opa en zei maar niet dat het ook best wel eens zo zou kunnen zijn dat de as van overleden mensen hier verstrooid is.

Een smile verscheen op Louis zijn gezicht. ‘Zie je wel dat het werkt’ zei Opa een beetje gemaakt lachend en ging zelf even terug in gedachten. Een tijdje terug was hij Oma verloren.  De smile van Louis werd groter toen Opa zei dat het werkt, maar verdween ook weer langzaam. Louis zijn gedachten zonken ook weg en het viel Louis op dat Opa stil bleef. Tja, gingen de gedachten van Louis verder. Er is hier geen horecaterras, dan blijft hij stil. Of is deze vlakte ook een terras? En wat zijn die huizen erachter? Goede vragen vond Louis van zichzelf. ‘Opa’ begon Louis weer, ‘staan die huizen ook op een terras’. Opa glimlachte weer even, schraapte zijn brokje in zijn keel weg en begon weer. ‘Je spreekt hier meer van een plateau, het bovenste plateau in dit geval. En tussen die huizen heb je enkele terrasjes…’.

Te kort antwoord dacht Louis, andere vraag, terug naar vroeger, werkt altijd bij hem en probeerde weer: ‘zijn die terrasjes daar altijd al geweest’. In de elfde eeuw was deze vlakte helemaal bosgebied. Beneden in het dal aan de Maas had je het dorpje Breust. Daar vonden ze het te druk worden en te weinig landbouwgrond. Het gebied hier boven op het plateau behoorde ook tot Breust. Vooraan op het plateau, bij een natuurlijke drinkpoel die ze gebruiken konden als drinkwater en wasplaats, werd begonnen met het rooien van het bos. Zo maakte ze plaats om te wonen en om landbouw te bedrijven. Ze noemde het “Breust op de berg”.

‘In stapjes is dit gebied verder ontgint. Eckelrade ontstond toen ook, vanuit Gronsveld, als Gronsveld op de berg. Vanuit Eijsden dat toen een klein dorpje naast Breust was, kwamen mensen in Herkenrade wonen en heette “Eijsden op de berg”. Het woord “rade” betekent “gerooide plek”. Het gehuchtje Bruisterbosch stamt ook uit die tijd, als “Breust in het bos”. Van Bruisterbosch weten we dat het zeven boeren waren die er ook aan een natuurlijke drinkpoel begonnen en elke boer vijf hectare grond kreeg. Daar moesten ze overigens toen al belasting over betalen maar was niet zo veel als destijds in Breust zelf omdat ze eerst zelf de grond moesten rooien tot landbouwgrond. In 200 jaar tijd is dit gehele deel van het plateau gerooid’. Met de ontwikkeling in de landbouw zagen de akkers en weilanden er toen wel minder gelikt uit als ze tegenwoordig er bij liggen. Vroeger zag dat meer uit als een heidelandschap. In de volksmond noemen ze het hier nog steeds de heide.

Opa ging onverstoorbaar verder: ‘De mensen gingen vaak naar de kerk en moesten daarvoor helemaal naar Breust. In 1222 hebben ze toestemming gekregen een eigen kerk te bouwen. Gertrudes werd de heilige waarna de parochie, de gemeenschap, naar genoemd is. Tot de Franse legers hier binnen vielen in 1794 bleef het bestuurlijk en gerechtelijk horen tot Breust. Toen zijn ze het pas langzaam aan Sint Geertruid gaan noemen. Breust bestaat nog steeds al is dat tegenwoordig een onderdeel van Eijsden geworden, de plek waar het huidige winkelcentrum van Eijsden is’.

‘Okee’ zei Louis, maar  h o e z o  hadden ze  t o e n   te veel bewoners en te weinig landbouwgrond, tegenwoordig is het toch veel drukker in Eijsden en veel minder plek voor landbouw’.  Opa: ‘inzichten veranderen, dat is geen geschiedenis’.  Het bleef even stil. Heerlijk vond Opa het hoe Louis alles in zich opnam wat hij zei en de reacties van zijn kleinzoon. Maar is het niet te saai voor zo’n jongen? Hij komt in ieder geval wel buiten besloot Opa zijn gedachten. Opa stond op en Louis volgde. Ze volgde de weg rechtdoor, de weg tussen kruisbeeld en waterpoel. Louis vond het gewoon fijn om bij Opa te zijn, de oude verhalen te horen en wat die tegenwoordig van invloed zijn.

‘Best wel stil hier’ begon Louis. Zo vaak kwam het ook niet voor dat hij zijn oortjes niet in zijn oren had. ‘Levendigheid is er anders genoeg hier in het dorp. Al ruim 200 jaar hebben ze hier een schutterij, oorspronkelijk om het dorp te beschermen, met zo’n 75 leden, een Jonkheid die tijdens de Bronk veel versieringen maakt en ander nobel werk doet voor de parochie, bestaat uit zo’n 85 ongetrouwde met name jongeren vanaf 16 jaar, al ruim 100 jaar een fanfare die geregeld Limburgs kampioen is geweest en ruim 120 leden heeft en een schitterend eigen gebouw hebben, een wielervereniging van bijna 100 leden en dan nog een kleine 20 verenigingen als een voetbalclub, Jong Nederland, etc. En dat voor een dorp met 1400 inwoners’. ‘Nobel Opa, heeft dat iets met de Nobelprijs te maken’ wilde Louis weten. ‘Neeee’ zei Opa, ‘dat is iets anders, hier krijgen ze geen prijs voor. Nobel is in dit geval dat ze extra hun best doen iets moois van de Bronk te maken, voor de gemeenschap, zonder dat ze daar geld of iets anders voor hoeven te krijgen’.

Ondertussen liepen ze een nieuwer deel van Sint Geertruid binnen. Daar direct naar links, liepen midden over de straat, en volgde aan het einde de weg die naar rechts af boog en uitkwam bij de doorgaande weg. Hier gingen ze weer scherp naar links over de landweg verder. Links begon weer het bos. Het pad werd smaller. Net voor het wandelpad bij wandelpaaltjes naar rechts door de akker draaide, liep Opa links een stukje het bos in. Ongevraagd begon Opa weer te vertellen. ‘Dit is het begin van de zogenaamde Schone Grub. Een grubbe is een benaming die ze hier in de streek veel gebruiken en is hetzelfde als een droogdal. Vanuit het plateau heb je meerdere grubben. De eerste is die van Sint Geertruid, langs Moerslag en de Bosrand, hier zijn we bij de tweede die van Sint Geertruid naar Rijckholt gaat, de derde is de Scheggeldergrubbe van het plateau naar Gronsveld, de vierde is de huidige weg van Gronsveld naar Eckelrade en verder, eentje in het Trichterbosch en de laatste van dit deel, die langs de Dellen die vanuit de zuidkant van Cadier en Keer komt en richting Gronsveld gaat. En dan heb je verschillende kleine grubben die in de eerder genoemde grubben uitkomen’ Louis: ‘knipper, knipper’ en knipperde stijf met zijn ogen. ‘Die namen zeggen me niks, maar dat zijn dus allemaal oude sleuven die het water van het plateau naar het lagere gelegen plateau lieten stromen’. ‘Prrrecies’ zei Opa voldaan, Louis had het begrepen.

‘Wat voor het hele Savelsbos geldt’ ging Opa verder, ‘geldt in het bijzonder voor de Schooone Grub’ Bij het uitspreken van “schone” had Opa zijn mond in de zogenaamde o-stand. ‘Net als het Savelsbos een lange strook is met een grote diversiteit is de Schooone Grub dit in het bijzonder. 15 Hectare en maximaal enkele honderden meters breed. Er zijn veel verschillende leefomgevingen te vinden, kalkrijk, kalkarm, leemrijk, leemarm, waarmee je ook kunt verklaren waarom hier zoveel soorten voorkomen. Het bos hier heeft ook een bijzondere structuur waarmee je ook bijzondere lage planten krijgt als daslook, stijve stekelvaren, etc. Zo krijg je ook veel zeldzame exemplaren die op uitsterven staan. Er is een zogenaamde Rode lijst waarop beschermde soorten staan en dus aangeeft hoe belangrijk of exclusief een gebied is waar deze voorkomen. Bosbingelkruid, Bermzegge en Bies komen hier voor en staan er allemaal op. De Amandelwolfskelk komt alleen hier voor’.

‘De Schooone Grub is een natuurreservaat en dat wil zeggen dat dit gebied van groot belang is voor de ecologie en wetenschap die voor het dierenrijk, het plantenrijk en delfstoffenrijk van belang zijn. Alleen onderzoek en noodzakelijk onderhoud  mag er gepleegd worden. Mensen verstoren dit proces en hebben als nonchalante bezoeker geen toegang’. ‘Fijn Opa, maar wat is nu ecologie?’ wilde Louis weten. Opa: ‘ecologie is de leer van dieren en planten onderling en in hun omgeving’. Louis: ‘Aha, wetenschappers en bosbouwers zijn dus geen mensen, want die mogen er wel in?’ Opa: ‘Op alles is een uitzondering’ zuchtte Opa gespeeld.

‘Sinds dit bos begin jaren vijftig in eigendom is van het Staatsbosbeheer is er geen onderhoud meer aan gepleegd. Ze hebben het gelaten zoals het was en de natuur haar gang laten gaan. In andere delen van het bos wordt terughoudend onderhoud gepleegd en wordt alleen uit veiligheid nog wel eens een boom gekapt of om andere planten tot hun recht te laten komen. In tegenstelling tot vroeger toen het bos er was om hout te produceren heeft het nu een veel recreatievere functie en voor het behoud van, bijzondere, natuur. Toen het Staatsbeheer eigenaar werd was het ook gedaan met de houtroof die er tot die tijd gebruikelijk was. Toen is ook pas het bos weer echt bos geworden en geen schamele begroeiing meer. Ze proberen ook weer de inheemse bomen te laten groeien en soms kappen ze dan ook hele delen om andere planten tot bloei te laten komen’. De ogen van Louis rolde alle kanten op. Opa begreep dat hij eventjes moest stoppen en verder moest gaan met wandelen.

Ze liepen het bosje weer uit en namen het wandelpaadje tussen de twee akkers door, de wandelroute volgend. Ze liepen achter elkaar. Aan het einde liepen ze links over een landweg verder. ‘Zijn dit fruitbomen’ onderbrak Louis de stilte. ‘Inderdaad, die boompjes in de weiden zijn fruitbomen, laagstam. In het voorjaar staan ze prachtig in bloei, in de zomer hangt er heerlijk fruit aan de bomen’. Denkbeeldig liep er bij Louis al een beetje water uit de mond. Opa moest nog even denken aan de tijd dat hij nog stevige tanden had.

Zonder al te hard te praten ging Opa verder met zijn verhaal. ‘De streek hier kent een lange fruittraditie. Die vruchtbare grond was er vroeger immers ook al. Hele velden stonden vol met bomen vol kersen, pruimen, appels en peren. Ze hadden toen van die hele hoge bomen, hoogstam genaamd. Vlak voor we straks het bos inlopen heb je rechts nog een weide met hoogstam. In die hoge bomen klommen de boeren met hele lange houten ladders de boom in. Ladders die een beetje doorzakte als je er op klom en die in de bomen wegzakte totdat ze tegen een stevige tak kwamen. Met een lege mand ging de boer de ladder op om even later met een volle mand terug te keren. Dat fruit ging dan naar de veilig. Gronsveld en Eijsden hadden toen nog een eigen fruitveiling’.

‘Tegenwoordig  is er  een super grote veiling in Margraten waar de boeren zelf het fruit naar toe brengen. Die veiling is eigendom van de boeren zelf, een coöperatie noemen ze dat. Daar wordt het verhandeld. Hardfruit, appels en peren dus, zijn goed te bewaren en hebben hiervoor hele grote koelcellen. Gewone koelcellen waar zo’n 10 miljoen kilo fruit in kan en gasdichte cellen waar de temperatuur en zuurstofgehalte heel nauwkeurig geregeld wordt. Hier kunnen ze 15 miljoen kilo fruit bewaren. Je begrijpt Louis dat ze in Sint Geertruid en omgeving niet zo veel fruit nodig hebben en daarom wordt dat aan grootwinkelbedrijven, groothandels en kleinere afnemers in Nederland verkocht. En omdat ze in Rusland ook wel eens iets anders willen als rum en wodka wordt daar ook het fruit van hier verkocht. Voor dat het verkocht wordt is er ook een speciale inpakafdeling die een aangepaste verpakking kan maken’.

‘Dat wist ik niet’ zei Louis. Opa: ‘Er is nu ook een club dat het fruit in deze streek wil promoten bij de eigen bevolking en toerisme. Ze doen dat door fietsroutes uit te zetten, bij evenementen fruit en sap te uit te delen, verkopen en met lesprogramma’s’. Louis: ‘Behhh lesprogramma’s behhh, jawel hoor Opa, leren over de streek vind ik leuk’.  Opa vond dat ook leuk te horen en knikte voldaan.

‘Welke planten heb je hier nu in dit bos’ vroeg Louis. Opa: ‘Heel veel, de samenstelling van de grond is hier zo divers dat je veel verschillende soorten planten hebt. De unieke samenstelling en langs de vele bosranden zorgen er ook voor dat het vaak zeldzame planten zijn die hier groeien. Door de lagen van de grond heb je dat bovenaan iets anders groeit als een stukje lager, En verder is er ook een verhouding tussen de ene plant die er staat en de andere plant’. Een tikkie geïrriteerde Louis: ‘Opaaa, welke planten heb je hier nu in dit bos’.

Opa: ‘Je wilt een opsomming, mijnheer krijgt een opsomming, Grote veldbes, Bosbingelkruid, Lelietje van dalen, Bosanemoon, Adelaarsvaren, Valse salie, Arendskelk, Amandelwolfsmelk,  Witte anemoon, Ruig viooltje, Speenkruid, Bosviooltje, Musmuskruid, Salemonszegel, Daslook, Lieve vrouwe Bedstro, Boszegge, Boterbloem, Rapunzel, Gele dovenetel, Mannetjesvaren, Schaduwgras, Klimop, Boskortsteel, Bosaardbei, Gulden sleutelbloem, Hersthooi, Vingerzegge, Wilde liguster, Zuurbes, Gele kornoelje, Eenbes, Gewone brunel, Ruig viooltje’.  ‘Stop’ riep Louis, ‘het Ruig viooltje is al genoemd’. Opa weer: ‘ken je dan al die soorten?’  Triomfantelijke Louis: ‘ja hoor, het Ruig viooltje, een vaal blauw stengeltje dat aan de onderkant bedekt is met een dikke laag rubber en heeft zwarte leerachtige blaadjes met glimmende knopjes op een rij, een blinkende bloem aan de bovenkant met stekeltjes aan de onderkant en er komt van die shack- en bierlucht vandaan, heel ruig’ Ondertussen proestte Louis van het lachen uit. Opa kon deze omschrijving wel waarderen en ging verder: ‘en nog wel tientallen andere plantensoorten. Qua bomen is het voornamelijk wintereiken en beuken die er staan. Aan houtige soorten heb je er 28 hier in het Savelsbos’.

Maar Louis wilde toch meer weten: ‘Opa, hebben ze hier echte “record-bomen”, de mooiste, de dikste, de zwaarste’. Als een wandelende encyclopedie gaf Opa antwoord: ‘in het stukje bos bij het parkeerplaatsje, een stukje verder als de Bosrand, richting Moerslag, is het bos erg beschut, voedselrijk en vochthoudend en wortelen de wortels diep. Een aantal bomen zijn voor hun soort juist daar erg hoog. Vooral abelen en kersen bereiken hier maximale hoogten. Je hebt hier een Winterlinde die ruim 32 meter hoog is, een Zoete kers die ruim 35 meter hoog is en de hoogste Grauwe abeel van Nederland staat er met een hoogte van 42 meter. Die bomen zijn hier in de jaren 50 geplant en je zou kunnen concluderen dat Staatsbosbeheer dit gedaan heeft om van het bos weer een bos te maken toen ze het in eigendom en beheer kregen’.




Lees hier verder.



© 2015 Rebolim.nl

Klik hier voor deel 2v2 en  hier om terug te keren naar 'Opa vertelt'