Opa vertelt Louis over zijn omgeving

het Savelsbos en Sint Geertruid 2v2





Uitgegraven horizontale- en verticale gangen

Ze kwamen weer in het bos. Het lopen over de holle ongemakkelijke weg vroeg zoveel aandacht dat er voor de omgeving even geen aandacht was. De weg rechts negeren, links dus en even verder in een ruime bocht liepen ze naar rechts terwijl er rechtdoor ook een weg was. Enkele tientallen meters verder kwamen ze weer bij een bankje. Schuin achter dit bankje zagen ze een heuse grot, met dikke tralies ervoor. ‘Dat ziet er gaaf uit’ zei Louis met enige stemverheffing. Louis had wel vaker een grot gezien maar nog nooit zo midden in het bos. Louis bleef voor de grot staan en voelde een luchtstroom langs zich heen gaan. Wat zou zich in deze gang allemaal al afgespeeld hebben. Het is zo stil hier dacht hij in stilte. ‘Kom zitten’ zei Opa en liepen naar het bankje.

‘Het is eigenlijk geen grot he Opa, het is een groeve?’ zei Louis een beetje wijs. ‘Helemaal goed Louis’ zei Opa en ging verder. ‘Een grot is door de natuur ontstaan en een groeve door mensen. Daarbij heb je ook dagbouwgroeves en die zijn afgegraven met daglicht, gewoon in de open lucht. Hier en daar heb je nog oude dagbouwgroeves in het Savelsbos en dat is waar bijvoorbeeld grint is gegraven om de wegen mee te verharden of kalk om de akkers te bemesten.

Als je vanaf de Bosrand richting Sint Geertruid rijdt, heb je ongeveer tegenover de afslag naar het dorp Moerslag een Geologisch Monument. Dat is ontstaan doordat ze op die plek krijt hebben afgegraven. Er staat een bord bij met enige uitleg maar door de begroeiing zie je het bijna niet en ziet het er verwaarloosd uit. Het is een mooie plek om verschillende steenlagen te kunnen zien, maar dat is weer een andere steenlaag als die je hier ziet’. Louis: ‘Maar die steenlagen hebben dan ook flink gerommeld hè Opa’… Opa’s antwoord was: ‘Nou, en nog wel veel maar als je denkt. Weet je dat de lagen die je hier ziet heel lang geleden op de plek lagen waar nu Spanje ligt?’ Daar begreep Louis toch maar weinig van. ‘Dat kun je ook horen’ zei Opa en hield een hand voor zijn mond en begon stilletjes te zingen “’t was aan de Costa del Sol tingelingeling”’. Louis kneep zijn gezicht op elkaar, right. Wat dit nu weer te betekenen had begreep hij geen snars van. Begripvol zei Opa dan ook ‘die zangkunsten mogen ook geen naam hebben’. Hij ging weer serieus verder.

‘In de witgele steen die je hier ziet, we noemen dat mergel, zijn gangen gegraven. Dat is op veel plaatsen in Zuid-Limburg gebeurd. Hier komt een laag mergel aan de oppervlakte en kon men dus graven. Nou ja, ze kapte en zaagde het als blokken weg. De steen gebruikte ze om huizen en boerderijen mee te bouwen en de losse mergel om te bemesten. Noordelijker heb je nog meer groeven en dat gaat in een strook door tot in Valkenburg. Aan de andere kant van de Maas heb je, en dat weet je vast wel, de Sint Pietersberg en Caestert en nog wat groeven. En ook in België heb je nog van die groeven’. Louis zat bijna op schoot om zo kort mogelijk bij de mond van Opa te zijn waar al die verhalen uitkwamen, zo boeiend vond hij het. Gelukkig had Opa geen hekel om te praten en ging verder. ‘Dit is maar een kleine groeve, links een portaaltje en rechtdoor een gang van zo’n 30 meter. Ze noemen het de Steenbergerroeve, genoemd naar deze plek, de Steenberg. Maar weet je Louis, ik neem je nog wel eens mee naar een andere grotere groeve en gaan daar eens wandelen’. Louis balde zijn rechter hand tot vuist en schoot deze recht  omhoog en slaakte de kreet: ‘Yesss!’. Zijn bibs schoot van het bankje ook een stukje omhoog.

Samen stonden ze op. Liepen een stukje terug tot aan de ruime bocht en gingen rechts het pad  in de bocht in. Waar even verder waar het brede pad naar rechts draaide  had je een smal paadje rechtdoor. Over dat smalle pad liep Louis achter Opa aan. Het paadje kronkelde en kwamen toen bij een groen hekwerk dat midden in het bos stond.

Er stond een infobord met “Henkeput” en enige uitleg. Louis begon het bord te lezen maar Opa onderbrak de aandacht die Louis had voor het bord  door weer verder te vertellen. ‘In het dorpje hier beneden, Rijckholt, had je vroeger een man wonen. Het was nogal een sombere man. En als die man de wereld te somber in zag kwam hij helemaal hier naar toe en ging in de put zitten. Daar kon hij soms dagen lang achter elkaar in zitten. In het dorp wisten ze niet hoe die man heette. Nu betekent de naam Henk iets van heem, woonplaats. Aangezien die man hier meer in de put zat dan hij in het dorp was, noemde de mensen in het dorp dit de Henkeput. Die man heeft toen ook een naam gekregen: Henk’. Louis had Opa netjes laten uitpraten maar geloven deed hij het niet. ‘Opaaaaaa, wat is dat weer voor een raar verhaal’.

‘Dit verhaaltje is maar een fantasieverhaal. Maar rond deze put hangen wel mysterieuze luchtjes’. Louis snoof even en Opa ging verder. ‘Dat de schacht een doorsnede heeft van anderhalve meter is te meten, dat ze 12 meter diep is, is te meten, dat ze onderaan ook een doorsnede heeft van 12 meter is ook te meten. Maar met welk doel is deze put gemaakt, waar is de put voor gebruikt en hoe oud is ze. Daar is lastig een goed antwoord op te geven. Er zijn meerdere onderzoeken naar geweest. Voor het eerst door Ubaghs samen met de apothekers zoon Dubois uit Eijsden. Die zou later belangrijker ontdekkingen doen over de eerste mensen op deze aarbol. Hun conclusies over deze put werden al snel tegengesproken door De Puydt en Habets. In 1923 daalde Cremers, voorzitter van het Natuurhistorisch Genootschap, naar beneden. Ergens in de jaren 50 zijn er wederom enkele mensen beneden geweest om te kijken. In 1961 deden mensen onderzoek van het Zoölogisch laboratorium dat niet veel toevoegde aan wat er al bekend was. Ze hadden wel weer vanuit Amsterdam een leuk tripje naar het zuiden gehad. In 1981 tot slot heeft het Staatsbosbeheer onderzoek gedaan naar vleermuizen en werd er door Van Westreenen, Bosch en de gebroeders Felder een geologisch profiel gemaakt. Die interesses van mensen en organisatie zegt iets over de belangrijkheid van deze plek’.

‘Maar wat weten we nu van dit gat Opa’ vroeg Louis en liep langzaam naar het gangetje in het hekwerk zodat je bijna boven in de put kon kijken. ‘We weten dat het door mensenhanden is gemaakt, te zien onderin aan de kapsporen, we weten dat het niet gebruikt is om mergelstenen uit te winnen, daar is deze mergel ongeschikt voor, we weten dat het geen vuursteenmijn is geweest omdat er nauwelijks vuursteen te vinden is. Waarschijnlijk is het een plek geweest om kalk uit de grond te halen. Die kalk gebruikte ze weer om de binnenkant van fluitketels mee te bekleden' en Opa moest weer even grijnzen. 'Maar waarom ze hier nu een put hebben gegraven en niet aan de oppervlakte de kalk hebben genomen blijft een mysterie. In de loop der tijd is er van alles in het gat gevallen zodat er een hele kegel aan puin ligt. Dat hebben ze onderzocht. Takken en bladeren lijkt logisch en is geen mysterie. Ze hebben er zo’n 300 kleine zoogdieren gevonden. Weinig mysterie gezien de lange tijd. Dat ze er resten van zo’n 50  grote zoogdieren hebben kan ook wel. Er heeft immers niet altijd een hekwerk om heen gestaan en het eerste hekwerk in de jaren 70 was ook niet meer als een stel palen met slap hangende prikkeldraad er om heen. Er gaan grote verhalen de ronde dat hier in de put van talrijke menselijke skeletten lagen en hoe dat dan gebeurd kon zijn. Gedumpt? Van slechts twee individuen is het pas vastgesteld. Nouja, zo’n mysterie is dat in ieder geval dan ook weer niet. Wel de ouderdom blijft een grote vraag… ehhh mysterie’.

Louis zag niets meer als een gat maar besefte wel dat op deze plek al honderden en zelfs duizenden jaren mensen rondlopen, mysterieus zo afgelegen in het bos. Mensen of dieren die, als ze jou zouden aankijken, je bang van zou worden. Hij voelde zijn maag, keek naar Opa. Daar hoefde hij niet bang voor te zijn. Met een veilig gevoel en zonder verder iets te vragen liep hij van het gangetje boven het gat weer terug. Zwijgzaam liepen ze verder, in het verlengde van waar ze vandaan waren gekomen en volgde dit pad helemaal naar beneden.

Het laatste stukje naar beneden lopen werd een beetje “geremd gelopen”. Spontaan bleven ze onderaan even stil staan. Louis keek naar een bordje met “kwetsbaar gebied”.  Voordat Louis maar iets kon vragen zei Opa: ‘kijk, dat is het einde van de Schone Schrub, die is hier afgesloten met draad’. ‘De Schooooooone Grub’ corrigeerde Louis. Louis besefte dat ook op deze plek best wel veel onderzoekers hebben gelopen.

‘Opa’ Begon Louis, ‘hadden de onderzoekers die hier zijn geweest, eigenlijk witte jassen aan?’ Opa lachte even en antwoorde: ‘één groep onderzoekers hadden inderdaad witte kleding, de rest gewoon, zoals we dat nu zeggen, outdoorkleding. De onderzoekers die witte kleding aanhadden waren Dominicaanse paters uit het klooster een stukje verder. Die hadden een witte pij aan maar geen laboratoriumjassen of zo. Deze vonden dit toen ook al een bijzondere plek en hebben in de periode 1928-1932 hier in de Schone Grub en bij de Henkeput gegraven op zoek naar bijzondere voorwerpen. In 1932 stopte dit omdat ze teruggingen naar Frankrijk. De vondsten zijn voor een deel naar het kasteel van Eijsden verplaatst. Graaf Geloes die toen in het kasteel woonde was eigenaar van dit bos. Een deel van de opgravingen is naar de Universiteit van Groningen gegaan, Bonnefantenmuseum in Maastricht en een deel mee met de paters naar Frankrijk. De rest bleef hier in het klooster maar is kwijt geraakt, de waarde werd er door de achterblijvers in het klooster niet van ingezien’.

‘Kom, verder’ zei Opa. ‘Ik wil even zitten op het bankje een stukje verder en het meest bijzondere moet je nog zien’.  Met het bos aan de linkerzijde en een weide aan de rechterzijde liepen ze langs het bos en kwamen bij een bankje waar ze zonder te zeggen gingen zitten. ‘Is die boer van dat weiland dat hier voor ons ligt dood gegaan, het ziet er zo verwaarloosd uit’ wilde Louis weten. Opa: ‘Zou je bijna denken maar Staatsbosbeheer heeft deze grasweiden in beheer en vormen een overgang tussen het bos en de omgeving. Aan de bovenzijde van het plateau hebben ze ook weiden en die zorgen dat de meststoffen van de boeren niet het bos zelf verstoren’.

Louis keek naar het uitzicht en vroeg zich af wat hij allemaal zag. In de verte zag hij een berg met een bult, een fabriek, een dorpje op de voorgrand, glooiing naar beneden toe. ‘Wat is dat voor een bult die ik zie’ vroeg Louis. Opa: ‘Die bult is de Observant. Dat is een kunstmatige berg die gemaakt is van de bovenlaag van grond die ze hebben afgegraven zodat de ENCI de onderliggende mergel kon afgraven. Die bult kun je trouwens helemaal tot bovenop beklimmen als je dat wilt.‘ Louis zweeg even en Opa ging verder. ‘Hiervoor heb je het dorpje Rijckholt met dat grote gebouw dat het oude klooster is waar onder andere de Dominicaanse paters hebben gezeten en later zusters. En je ziet het hier langzaam naar beneden lopen tot onderaan waar de Maas stroomt, van links naar recht. Dit noemen we het Maasdal. Rijckholt ligt op het midden-plateau waar in de loop der eeuwen allerlei modderstromen voor hebben gezorgd dat het flauw afloopt. Meer naar rechts ligt op hetzelfde plateau Gronsveld, de Heeg en Heer. Op het onderste plateau heb je, van ons uit gezien eerst de autoweg, dan de spoorbaan, weilanden en industrie en dan de Maas met daarachter een weg en dan de Sint Pietersberg die weer omhoog gaat. Links, maar dat zie je niet, heb je Eijsden en Oost Maarland. Naast de autoweg heb je de dus al een hele tijd de spoorbaan’.

‘In de trein van Visé naar Maastricht zat in 1881 archeoloog Marcel de Puydt aan rechterkant bij het raampje. Tussen station Eijsden en station Gronsveld herkende hij de vorm van het landschap als gelijkenis met plekken in de streken van Luik en Namen waar prehistorische vondsten waren gedaan. Hij besloot een keertje terug te komen en ter plekke te gaan kijken. Dat deed hij en vond hier in het huidige bos achter ons vele stukken vuursteen die door mensenhanden waren bewerkt. Dat vond hij wel boeiend en kwam terug. In 1887 ontdekte hij een ovaal komvormig terrein, hier een stukje verder, van 54 bij 37 meter die met een dikke laag van één tot anderhalve meter dikte was bezaaid met stukken vuursteen die in min of meerdere maten waren bewerkt en vele afslagen. Afslagen zijn de stukken vuursteen die van een andere vuursteen zijn afgeslagen. Het kon niet anders zijn dat op deze plek een grote vuursteen-werkplaats was, een atelier. De Franstalige De Puydt noemde het het Grand Atelier ofwel het Grote atelier en dat noemen ze nog steeds zo’.  ‘En is die plek nog te zien Opa?’ wilde Louis weten.

Opa ging verder: ‘Die plek is nog steeds te zien en ze hebben er zelfs een bankje voor me neergezeten. En daar gaan we nu naar toe’.  Voordat Opa was uitgesproken sprong Louis op, Opa volgde en samen liepen ze verder over het pad dat omhoog liep. Halverwege links verder omhoog. Het pad kwam uit bij een open plek met een bank, een monumentje op een sokkel en een met vuurstenen gemetselde wand met een deur er in. Links van die deur was een kleine nis met een poort. Louis liep direct naar het monumentje, twee handen die een vuursteen bewerkte van brons op een sokkel. Opa ging op het bankje zitten. Louis betaste even de handen van het monumentje.

‘Wat doen die handen Opa?’ Wilde Louis weten. Opa antwoorde ‘die handen zijn bezig vuurstenen af te slaan tot werktuigen en dat is wat ze hier duizenden jaren geleden deden en de vuusteen voor nodig hadden. Monumentje is gemaakt naar ontwerp van Fons Horbach en gemaakt door Ruud Ringers’. Louis ging naast Opa zitten en Opa vertelde verder. Normaal vertel ik van vroeger naar heden, nu even van heden naar verleden. Nu komen jaarlijks honderden grote en kleine mensen deze vuursteenmijn bezoeken, via de website van het Staatsbosbeheer kun je zien wanneer dat kan, doorgaans op een woensdagavond. Maar hier zijn ook vele onderzoekers geweest uit geheel Europa. De Staatssecretaris van dat moment is hier ook al op bezoek geweest. TV ploegen en documentairemakers zijn er ook al vaak geweest. De vuurstenen uit deze mijnen hebben ze teruggevonden tot in Zuid Duitsland en Zwitserland toe en dat zegt ook iets over de kwaliteit van deze stenen. Bestellen via internet en bezorgen per post was er niet bij, dat is allemaal te voet of met dieren daar naar toe gebracht als handelswaar’.

Opa begon nu echt goed op gang te komen. ‘Tussen 1964 en 1972 zijn hier elke vrijdagavond tot diep in de nacht mensen bezig geweest met graven en daarna is er nog een periode veel onderzoek gedaan. Ze hadden namelijk in 1910 ontdekt dat ze op deze plek schachten hadden gegraven om tot een bepaalde laag met vuursteen te komen. Door nu een dwarstunnel te graven ter hoogte van die vuursteenlaag, konden ze onderzoeken op welke wijze ze dat destijds gedaan hebben. Eerst waren er onderzoekers geweest van de universiteit van Groningen om die gang te graven. Maar dat project was mislukt. Toen kwam een zekere Werner Felder ter plekke kijken. Hij was een oud mijnwerker en inmiddels geoloog. Hij vroeg toestemming om te mogen graven en samen met zo’n 20 anderen, meeste waren oud-mijnwerkers, gingen ze aan de slag. Elke vrijdagavond groeven ze tot diep in de nacht. In het begin met eigen materialen maar naarmate instanties de bijzonderheid van deze plek begonnen in te zien kwam er ook van hun geld en middelen beschikbaar en was er ook mogelijkheid om het professioneler aan te pakken’.

‘Ze hadden er elektrisch licht, pneumatische bouwhamers en voor de versteviging is er 50 ton staal gebruikt. Ook hadden ze een soort transportband gemaakt die de grond vanuit de tunnel naar buiten bracht en er was een welverdiende schaftkeet’.  ‘Allemaal via bospaden aangesleept’ wilde Louis weten waarop Opa antwoorde: ’Inderdaad’. ‘Op 5 november 1965 werd er een schedel ontdekt van een mens. Dat was wel heel bijzonder. Acht jaar nadat ze begonnen waren, zomer en winter doorgegraven, hadden ze een gang gegraven van 140 meter diep en hadden ze de oude mijnen leeg gegraven, 10 meter aan beide zijde van de gang. Daar lag het puin in dat de mijnwerkers daar 3500 jaar voor onze jaartelling hebben achtergelaten. Ze hebben er ruim 10.000 stuks deels bewerkte vuurstenen uitgehaald die gebruikt waren om andere vuursteen uit te kappen. In 1990 was alles precies opgemeten en konden met die gegevens verder onderzoek doen. Zo weten we nu dat er een gebied is van bijna 2500 vierkante meter met 75 schachten die ze hebben uitgegraven. Het totale gebied hier is zo’n 12 hectare waar mijnen zijn geweest. Ook zijn er twee luchtkokers gebouwd’.

‘In 1979 is deze opgravingsplek door de toenmalige Staatssecretaris officieel geopend. Het is het grootste en best onderzochte Neolitische vuursteenmijn ter wereld’. Mensen die hier gegraven hebben zijn op vele plaatsen in Europa uitgenodigd om te vertellen over deze opgraving. Hun kennis van de mijnbouw was ook erg waardevol voor andere onderzoeken in Europa. Het is een zware klus geweest om tussen die lage gangen uit te graven, hakken, bikken en dat midden in de nacht. Toch is dit voor velen deelnemers van deze ploeg een belangrijke periode uit hun leven geweest.’

De aandacht van Louis was inmiddels verslapt maar daar wist Opa wel iets op. Hij haalde een sleutel uit zijn zak en vroeg aan Louis: ‘wil je eens binnen kijken?’ De aandacht van Louis was weer helemaal bij de les en stond samen met Opa op om naar de deur te lopen die toegang gaf tot de lange gang. De ogen van Louis straalde dat hij mee naar binnen mocht. Het gekletter van de sleutels op de deur zorgde voor een galm die door de lange gang extra versterkt werd. Opa drukte op het lichtknopje waarna de lange gemetselde gang van 150 meter helemaal verlicht werd. Opa liep de gang in en Louis ging er direct achteraan. Het voelde er vochtig aan en heel anders als de temperatuur buiten. Op ooghoogte waren er gangetjes te zien van 60 tot 80 centimeter hoog. Hier en daar waren ze verlicht.

 ‘Goh, wat hebben die mensen hier gekropen’ zei Louis met een lach en bewondering’. ‘Het was zwaar werk maar bij de opgraving hadden ze tenminste nog wel deze grote gang ter beschikking zodat ze er goed bijkwamen en de afvoer van materiaal een stuk beter geregeld was als destijds. Toen ze 5500 jaar geleden op zoek gingen naar vuursteen moesten ze eerst een verticale schacht graven, gemiddeld 10 meter diep. Daar zakte ze door naar beneden en hakte hier de vuursteen uit de muur, net zo ver ze daglicht hadden, LED lampjes of andere verlichting waren er toen nog niet’.

Louis was even stil maar begon weer met een vraag: ‘Wanneer hebben ze dan die schachten gegraven’. Van de eerste schacht hebben ze ontdekt dat deze 3150 van vóór onze jaartelling is. Wat hier ligt is de periode van 3950 voor de jaartelling tot 2650 voor de jaartelling’. ‘En wat is vuursteen dan eigenlijk’ was de volgende vraag van Louis. Opa: ‘Vuursteen is, ingewikkeld, gekristalliseerde siliciumdioxide dat is uitgekristalliseerd in gangen en holtes die ontstonden doordat beestjes dóór de zeebodem kropen. Hoe siliciumdioxide precies heeft kunnen kristalliseren is nog niet duidelijk. Het is harder als staal maar ook zo breekbaar als glas en die combinatie maakt dat je er scherpe voorwerpen van kunt maken. Geoefende mensen sloegen stukken vuursteen zo dat ze een soort mes kregen, een pijlpunt of een schrapper om dieren mee te ontvellen. Er kwam dan ook best veel afval vrij om een juiste steen te krijgen. Dat afval is hier blijven liggen en ligt er nog steeds in de buurt. Zo’n 1,5 miljoen stenen zijn hier uit de mijnen gehaald. Maar dat is maar een klein deel van hetgeen hier overal in dit gebied ligt.Vuurstenen hebben ze ook gebruikt om samen met ijzer en brandbaar materiaal vuur aan te maken. Dat ze vuurstenen tegen elkaar aansloegen en zo vlammetjes ontstonden is een verhaal dat meesters vertellen die vroeger niet hebben opgelet of een dikke duim hebben waar ze dat verhaaltje uit hebben gezogen’. Louis verbeelde zijn meester in die hij twee dagen per week had als klein lief braaf kindje in de klas met een dikke duim in zijn mond als hij een vraag stelde en lachte even. Opa keek  op zijn horloge en zag dat het al later was als hij dacht. ‘Kom naar buiten’ zei hij en liepen samen naar buiten. Opa deed het licht uit en sloot de deur af, voelde nog eens goed of hij echt wel dicht zat en liep terug naar de bank en nam het smalle paadje achter de rechter bank. Waar dit uitkwam bij een breder bospad liepen ze naar links en volgde dit pad ongeveer 300 meter tot bij een slagboom en een bank. ‘Achter die bank’ begon Opa ‘daar ehhh… we gaan maar niet meer zitten, straks komen we nog stoeltjes tegen met een zacht kussen en een tafeltje met ehhh…. Maar achter die bank…. Ehhh. Vertel ik je zo dadelijk wel iets over, eerst iets anders’.


De rand van het plateau, heide, Kaap en bos


Vanaf de slagboom liepen ze naar rechts het bos verder in. Opa begon aan de linker kant te zoeken. Na zo’n 75 meter stond hij even stil bij een platte steen die in de grond lag en zei: ‘Kijk, hier ook weer een klein monumentje, ter nagedachtenis aan Leon Heuts. Best wel nieuw, uit 2015. Leon heeft veel voor de gemeenschap van Heer gedaan’. Louis: ‘Onze Lieve Heer, Jezus of zo’ vroeg Louis. Opa: ‘Neeh, de Maastrichtse stadswijk Heer!’ Louis: ‘Owww… De stad Maastricht waar hij ook bij de gemeente werkte en vrijwilligerswerk deed voor de jeugd van MVV’. Geboren is hij in Gronsveld.

‘Wat vindt u nu van zo’n steen’ vroeg Louis aan Opa. Opa was even stil. ‘Mijn gevoel bij een kruisbeeld is dat dit een gevoel is dat gedeeld wordt met de al of niet gelovige gemeenschap, dat er door de gemeenschap is neergezet, samen geld hebben verzameld om het te maken. Zo’n steen ligt er voor mijn gevoel alleen voor de direct nabestaanden, zelf betaald. Typisch een voorbeeld van individualisering’. Hier kon Louis weinig mee.

Ze liepen verder en Opa ging ook verder met vertellen. ‘Achter dat bankje van net, maar ook hier links, noemen ze plaatselijk de Kaap. Het was al jaren bekend dat hier veel prehistorische werktuigen en afslagen van vuursteen voor het oprapen lagen. Dat heeft natuurlijk ook voor een deel te maken met de oude vuursteenmijnen die hier in dit gebied zijn geweest en het deel waar we net zijn geweest dat is uitgegraven. In de jaren 90 heeft hier jaren achter elkaar een groot onderzoek plaatsgevonden waarbij er ook heel wat gegraven is. Uit verschillende periodes is toen veel uit de grond gehaald. Doel van het onderzoek was om de waarde van dit gebied vast te stellen en om onderzoeksmethodes te onderzoeken. Zo’n 250ha groot was het onderzoeksgebied waar op sommige plekken heel intensief onderzoek is gewest en op andere plekken nauwelijks. Ze hebben sporen gevonden dat 300.000 jaar geleden hier Neanderthalers rondliepen en korte tijd verbleven. Dat is ver voor ze vuursteen uit de mijn haalde. Maar dat wisten we al uit een onderzoek uit 1937. Echt veel meer weten we nog niet van deze bewoners’.

Het pad hielden ze tot bij een zitbank steeds links aan. Bij de bank stopte hij even. Zou Opa toch gaan zitten? Nee, hij begon te vertellen. ‘Achter de bank…. Op die helling hebben ze ook veel afslagen van vuursteen gevonden en zullen dus ook wel vuursteenmijnen zijn geweest maar is verder niet echt onderzocht. Een stukje verder draait de weg naar links, net voor je recht een pad hebt dat naar beneden gaat. Dat is eigenlijk de binnenbocht van de letter L van de vorm van het Savelsbos. Daar begint het trappenpad’. 


Terug het droogdal in

Samen liepen ze rechtdoor het trappenpad af. Louis haalde zijn schouders op, is dit nou een trappenpad’ zei hij. Ze liepen een stukje verder toen Louis plotseling zei: ‘Wow Opa, jemig wat een lange trap, mama zal blij zijn dat ze die niet hoeft te poetsen!’ Opa dacht aan vroeger toen zijn dochter nog thuis woonde. ‘Kenners’, begon Opa weer, ‘zien een verschil in de plantengroei aan de bovenzijde van dit trappenpad en beneden’. De trap was boeiender dan de soorten planten die er groeien. Toeoep… toeoep…. toeoep… liep Opa de trap af en Louis liep toep, toep, toep. Iets zeggen was er niet bij, je moest veel te goed opletten. Beneden liepen ze naar links en volgde het pad rechtdoor.

‘Opa’, Louis had weer een vraag, ‘zitten hier ook dieren in het bos?’ Opa: ‘Er zitten alleen al 60 soorten broedvogels, dus niet 60 vogels, nee, 60 verschillende vogels maal zoveel vogels per soort. Verder heb je hier bijvoorbeeld diverse slakkensoorten, bosuil, oranjetipje, muizen, vleermuizen, woelratten, eekhoorns, reeën en dassen. Voor die laatste soorten hebben ze onder de weg door zelfs dassentunnels aangelegd zodat ze veilig, levend en wel van de ene naar de andere kant kunnen, kijk maar’. Net voorbij de grasweide aan de rechter kant wees Opa op een soort rioolbuis die een stukje uit de grond stak. Louis knikte en liepen verder.

‘Maar Opa’ wilde Louis weten, ‘waar sterven die dieren dàn aan?’ Opa: ‘Nou, onder elkaar vechten tot de dood en houden er dan nog niet eens rekening mee dat er zeldzame dieren tussen zitten, of zelfs alleen hier voorkomen. Soms sterven ze door ouderdom, worden ziek of zwak. Maar vaak ook sterven ze door de mens. Dat zijn pas gevaarlijke wezens als ze zich niet aan de regels houden door van de paden af te lopen of honden los te laten lopen, motorvoertuigen die veel lawaai maken of nachtelijke aanwezigheid. Dat zorgt dat dieren opgejaagd raken en niet meer goed uitkijken waar ze lopen met alle gevolgen van dien. Zo zijn er in één jaar wel 22 reeën gedood’. Louis zweeg als een sluipende vos en liep netjes en gehoorzaam naast Opa verder.

Ze kwamen bij een klaphek waar ze doorheen liepen. ‘Dàt moet ik je nog even laten zien’ zei Opa en trok Louis mee. Over het pad 25 meter het bos weer in en keken naar een stenen kruisbeeld dat links in het bos stond. Zonder Louis er om gevraagd had begon Opa weer te vertellen. ‘In 1937 is hier Hubert Wetzels door een kogel geraakt en later die dag in het ziekenhuis in Maastricht gestorven. Hij was de zoon van de boswachter en mocht meehelpen de dieren op te jagen. Sommige mensen mogen dat. Een van de jagers had hem als konijn aangezien, mogelijk door zijn grote oren, en heeft geschoten. Ik meen zelfs dat Hubert hier in de buurt woonde en het huis waarin hij woonde Hubertushof zijn gaan noemen’.

Opa: ‘Het pijnlijke is dat Hubert genoemd is naar de Heilige Hubertus. De vroegere bisschop Hubertus, waarschijnlijk geboren in de Voerstreek, hier drie kilometer verder, stond op het punt om op Goede Vrijdag een hert dood te schieten. Net voor hij wilde schieten draaide het hert zich om en had een gloeiend kruisbeeld tussen het gewei stralen. Een stem zei toen dat hij zich moest melden bij Lambertus in Maastricht. Hij heeft niet geschoten en zich netjes gemeld bij Lambertus. Door dit voorval is Hubertus patroonheilige, zeg maar beschermengel, van de jacht geworden. En als je dan naar die Heilige bent genoemd en je sterft door een jachtongeval mag je dat best wel tragisch noemen. En weet je, dat is net op de naamdag van Hubertus is gebeurd’ Louis had iets van, vertel maar verder, het verhaal ging als een kogel van links zijn oor in en rechts zijn oor uit en luisterde niet meer echt. Opa was weer aan het doordraven.

Opa: ‘dit kruisbeeld is dus een gedenkbeeld aan een schokkende gebeurtenis. Een stukje verder heb je weer een kruisbeeld staan dat puur een uiting van het geloof is. Dat kruisbeeld heb ik vanmorgen gebeld en gezegd dat we er  aankwamen’. Het geloof in Opa was Louis nu even helemaal kwijt.

Ze liepen een stukje terug naar beneden en staken de verharde weg over om het brugje over te gaan. Het pad draaide naar links en begon en eindigde met een klaphek. Na het tweede klaphek stond het kruisbeeld waar Opa het net over had. Het was een wit ijzeren beeld met een bordje met de tekst “Ich wis datste kaoms” (ik wist dat je kwam).  ‘Zie je wel!’ zei Opa met een grote lach. Louis voelde zich een beetje voor de gek gehouden. Ze liepen achter elkaar over een pad tussen de verharde weg en de camping, richting het eetcafe waar ze begonnen waren.

Bij het eerste huis aan de rechter zijde was er weer een verharde soort stoep en Opa gevolgd door Louis stampten daar hun schoenen op schoon. Opa ging verder. ‘Laatst las ik in een tijdschrift uit de jaren 90 dat ze hier in dit eerste huis in de achterkeuken een gifgroene boomkikker hebben gevonden. Louis keek naar de lichtreclame van het eetcafé, dat was het enige dat Louis nog interesseerde. Bij het eetcafe werd een plaatsje uitgezocht. Die zachte kussens op de stoelen voelde goed aan. ‘Wat wil je drinken Louis’ vroeg Opa. Louis: ‘Cola’. Al vrij snel kwam er een serveerster aanlopen en bestelde Opa een Cola en voor zichzelf een La Chouffe, goed voor de fantasie dacht hij. De serveerster schreef het op en zei 'Komt er aan'. Beide keken om zich heen, even bijkomen van de wandeling. Waar ze eerder die dag hadden gezeten zaten nu andere mensen. ‘Lekker gewandeld’ vroeg de serveerster die aan was komen lopen met de drankjes. ‘Ja,  een prachtige omgeving hoor’ zie Opa. Dat had ze al vaker gehoord. Nog geen meter was ze weg en beide heren dronken al aan de glazen alsof het honden waren die een dag in de auto in de felle zon opgesloten hadden gezeten. ‘ahhh, heerlijk’ klonk het uit de mond van Louis en Opa kon dat alleen maar beamen en liet zijn La Chouffe zich goed smaken. Ze keken weer om zich heen.

‘Julius Ceasar, daar heb je toch wel eens van gehoord. En van Ambiorix’ wilde Opa van Louis weten. ‘Op school gehad, mannen in rokjes met stevige benen had de juffrouw nog gezegd’.  ‘Nou’ ging Opa verder, ‘die Julius en Ambiorix hebben hier hun mannen laten vechten totdat ze stierven’. ‘Hier?’ vroeg Louis met de nodige nadruk. Hoewel hij al veel had moeten aanhoren vandaag vond hij dit toch ook wel de moeite waard even te luisteren. ‘Hier, op deze plek waar we zitten’ antwoorde Opa en ging verder. ‘Hier in dit dal, helemaal langs het bos en op de camping en de weiden ernaast tot aan Sint Geertruid, heeft even voor de jaartelling een veldslag plaatsgevonden waar ruim 7000 mannen van Ceaser zijn gesneuveld door de gewelddadige mannen van Ambiorix, de Eburonen. De lijken hebben ze begraven onder drie grafheuvels, dat dan weer wel. In de jaren 50 hebben ze die onderzocht en als bewijsstukjes Romeins aardewerk gevonden en wat afdrukken. Eén grafheuvel ligt hier dichtbij, bij Hakkeknoep, waar de weg richting Eijsden zich afdraait van het bos. Verder een bij de Heerkuil in de buurt van Libeek en op het plateau hoger een kleintje waar er slechts 1000 liggen begraven. We hebben het over de grootste nederlaag van Ceaser uit Rome’. Opa keek een beetje triomfantelijk, boog zich voorover naar het zoutpotje dat op tafel stond en legde één zoutkorreltje op zijn wijsvinger en bracht dat zoutkorreltje over naar zijn duim. ‘Wil je dit zoutkorreltje nemen’ zei Opa en stak zijn duim richting Louis. Louis begreep er geen snars van wat Opa er mee bedoelde.

Opa legde uit: ‘Het is een verhaal, een mythe, dat deze veldslag zich hier op deze plek heeft afgespeeld. In 1953 schreef de toenmalige Pastoor Spiertz van Sint Geertruid in een gerespecteerd historisch tijdschrift aanwijzingen te hebben gevonden dat, het al eerder bekende verhaal, de slag waar Ambiorix Ceasar heeft verslagen, op deze plek heeft plaatsgevonden. Dat zou wel heel bijzonder zijn als in het dorp deze belangrijke veldslag zou hebben plaatsgevonden. En niet alleen om heilige missen op te dragen aan al die overledenen, ook als trekpleister voor de touristen, de WOZ-waarde, etc  In een van de volgende nummers van hetzelfde tijdschrift wordt in een ander artikel zijn bevindingen onderuit gehaald.  Moraal van het verhaal, men probeert altijd argumenten te vinden die goed uitkomen in het eigen straatje. Maar daarmee hoeft het ook nog niet zo te zijn’.

Louis knikte maar. Zag dat de mensen aan het tafeltje naast zich lekker frietjes aan het eten waren met een heerlijke saté en frisse groente. Stiekem had hij daar ook wel zin in, maar mama had gekookt en Opa bleef bij hen thuis eten. Eigenlijk veel leuker!


Klik hier voor eerste deel en  hier om terug te keren naar 'Opa vertelt over zijn omgeving'
________________________________________

BRONNEN
Boeken: Leven, wonen en werken op de rand van het plateau, Sint Geertruid, 2015; Geschiedenis van Limburg deel1, 2000; Het Savelsbos, bosgezelschappen en bodem, 1966; Sint Joseph in Sint Geertruid, 1993; De Dikke Van Dale, 1992; Gebroken mergel, 2002; De Prehistorische vuursteenmijnen van Rijckholt-Sint Geertruid, 1998; Het fenomeen Felder, 2008; Krijt van Zuid Limburg, 2000. Websites: www.wageningenur.nl; www.veilingzl.nl; www.geologischnederland.nl; www.staatsbosbeheer.nl; www.monumentaltrees.com; www.vuursteenmijnen.nl; www.lgog.nl. Tijdschriften: Grueles, 1996, 1997, 1998, 2001; Maasgouw 1953; Dagblad De Limburger, 2014, 2015 en verder: Topografische militaire kaart, 1830-1850.



© 2015 Rebolim.nl